Besluit op de Loonbelasting 1940

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Besluit op de Loonbelasting 1940
Dit besluit werd ingevoerd door het Duits bestuur in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor dit besluit worden twee afkortingen gebruikt:
  • Besluit LB 1940
  • LB '40

Het was van kracht van 1 januari 1941 tot 1 juli 1965, toen het vervangen werd door de Wet op de loonbelasting 1964.

Besluit op de Loonbelasting 1940

Auteur Duits bestuur in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog
Genre(s) Nederlandse wetgeving
Brontaal Nederlands
Datering 14 december 1940
Bron Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, stuk 41
Auteursrecht Publiek domein
o.g.v. art. 11 Aw

BESLUIT van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën betreffende de loonbelasting (Besluit op de Loonbelasting 1940).

Op grond van § 1 der Verordening No. 23/1940 en in overeenstemming met de §§ 2 en 3 der Verordening No. 3/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied wordt bepaald:

HOOFDSTUK I. Inleidende bepaling.[bewerken]

Artikel I[bewerken]

De bestaande belastingen naar het inkomen (inkomstenbelasting en gemeentefondsbelasting met alle op die belastingen geheven opcenten) zullen worden vervangen door een enkele inkomstenbelasting. Van werknemers wordt deze inkomstenbelasting van 1 Januari 1941 af onder den naam van loonbelasting geheven door inhouding op het loon. Indien een aanslag in de inkomstenbelastign wordt opgelegd, wordt de loonbelasting daarmede verrekend.

HOOFDSTUK II. Belastingplicht.[bewerken]

Artikel 2[bewerken]

  1. Aan de loonbelasting zijn onderworpen:
    a) de binnen het Rijk wonende werknemers, die loon ontvangen van hier te landen wonende of gevestigde werkgevers, waaronder mede worden begrepen werkgevers, die hier te lande een fabriek, kantoor of andere vaste inrichting hebben;
    b) de niet binnen het Rijk wonende werknemers, voor zoover zij ter zake van binnen het Rijk verrichten arbeid of van vroeger binnen het Rijk verrichten arbeid loon ontvangen van onder a bedoelde werkgevers, benevens de niet binnen het Rijk wonende bestuurders en commissarissen van vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen, welke binnen het Rijk zijn gevestigd;
    c) de niet binnen het Rijk wonende werknemers, voor zoover zij loon ontvangen uit de kas van een Nederlandsch openbaar lichaam of uit het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
  2. Waar een werkgever of een werknemer woont of gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 3[bewerken]

  1. Als werknemer wordt beschouwd hij, die uit in publiekrechtelijke of privaatrechtelijke dienstbetrekking verrichten arbeid of ten gevolge van zoodanigen vroeger verrichten arbeid loon geniet. Als werknemer wordt mede aangemerkt de persoon, die loon geniet, voortspruitende uit vroeger door een ander in publiekrechtelijke of privaatrechtelijke dienstbetrekking verrichten arbeid.
  2. Commissarissen van vennootschappen, vereenigingen en andere rechtspersonen worden steeds geacht hun arbied als zoodanig in dienstbetrekking te verrichten.
  3. Als werkgever wordt beschouwd hij, die aan een werknemer in den zin van de vorige leden loon verschuldigd is.

HOOFDSTUK III. Grondslag der belasting.[bewerken]

Artikel 4[bewerken]

  1. De loonbelasting wordt berekend over het genoten loon.
  2. Als loon worden beschouwd alle inkomsten, welke in geld of geldswaarde uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking genoten worden, onverschillig of daarop al dan niet aanspraak bestaat, zooals:
    a) arbeidsloon, honorarium, traktement, salaris, kinderbijslag, provisie, gratificatie, tantième, aanspraak op uitkeeringen, vrije kost, vrije woning, vrij vuur, vrij licht en alle andere voordeelen, welke in geld of in natura worden genoten;
    b) wachtgelden, verlofs- en nonactiviteitstraktementen, ziektegelden, pensioenen — ook weduwe- en weezenpensioenen — en dergelijke uitkeeringen en verstrekkingen.
  3. Mede worden als loon aangemerkt:
    a) schadevergoedingen en schadeloosstellingen, welke toegekend worden voor gemist of te missen arbeidsloon of ter zake van het staken van een dienstbetrekking;
    b) vergoedingen wegens overuren of wegens de bijzondere omstandigheden (b.v. gevaar), waaronder de arbeid moet worden verricht, benevens vergoedingen wegens nevenwerkzaamheden, welke in verband staan met een dienstbetrekking.

Artikel 5[bewerken]

  1. De geldswaarde van inkomsten, welke anders dan in geld worden genoten (inkomsten in natura), wordt, behoudens hetgeen in de volgende leden is vastgesteld, bepaald naar den gemiddelden prijs ter plaatse van verbruik.
  2. De Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën kan bindende voorschriften geven betreffende de geldswaarde, welke aan bepaalde inkomsten, die anders dan in geld worden genoten, moet worden toegekend.
  3. De geldswaarde van een aanspraak op uitkeeringen wordt, indien de werkgever bij een derde stortingen verricht ten einde de aanspraak te dekken of gedekt te houden, gesteld op de bedoelde stortingen. Worden geen stortingen verricht, dan wordt de geldswaarde van de aanspraak gesteld op de bedragen, die naar schatting door den werkgever gestort zouden moeten worden.
  4. Voor de toepassing van het derde lid worden onder aanspraken op uitkeeringen verstaan aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeeringen te ontvangen, onverschillig wie de gerechtigde is. Indien en voor zoover echter een aanspraak wordt gedekt of gedekt gehouden door stortingen van den werknemer, blijft zij buiten aanmerking.
  5. De werkgever moet, indien hij de loonbelasting zelf wil dragen, bij het overige loon éénmaal het bedrag van de daarover verschuldigde loonbelasting voegen en over de aldus verkregen som de loonbelasting berekenen.
  6. Bestaat het loon geheel of gedeeltelijk uit verstrekkingen in natura en overtreft de loonbelasting het in geld uitbetaalde loon, dan heeft de werkgever het recht van den werknemer te vorderen, dat deze hem het ontbrekende terugbetaalt.

Artikel 6[bewerken]

Tot het loon worden niet gerekend:

a) afzonderlijke vergoedingen, welke personen, die werkzaam zijn in publieken dienst, ontvangen ter bestrijding van noodzakelijke kosten, die zij voor de uitoefening van hun dienst hebben te maken, zooals reis- en verblijfkosten en rijwielvergoedingen;
b) afzonderlijke vergoedingen, welke personen, die werkzaam zijn in privaten dienst, ontvangen ter bestrijding van de onder a genoemde kosten, voor zoover zij de werkelijke kosten niet te boven gaan;
c) de onder het derde lid van artikel 5 vallende voordeelen, indien en voor zoover de daar bedoelde aanspraak wordt toegekend overeenkomstig eene pensioenregeling; wordende ten deze onder pensioenregeling verstaan iedere regeling, welke uitsluitend ten doel heeft de verzorging bij invaliditeit en ouderdom van werknemers of gewezen werknemers en de verzorging van hunne weduwen, minderjarige kinderen en pleegkinderen, een en ander door middel van pensioen;
d) bijdragen, waartoe de werknemer krachtens een onder c bedoelde pensioenregeling verplicht is;
e) de uitkeering in eens, welke ingevolge een in artikel 5, derde lid, bedoelde aanspraak wordt genoten;
f) nieuwjaarsgeschenken, verjaardagsgeschenken en andere dergelijke geschenken, mits zij een bedrag van tien gulden per geschenk niet te boven gaan.

HOOFDSTUK IV. Wijze van heffing.[bewerken]

Artikel 7[bewerken]

  1. De werkgever is verplicht op het tijdstip, waarop het loon wordt uitbetaald, verrekend of op eenigerlei andere wijze ter beschikking van den werknemer of van een derde wordt gesteld, de volgens de tabel opgenomen in bijlage I (belastingtabel), verschuldigde belasting in te houden. Voorschotten op loon worden als uitbetaald loon aangemerkt.
  2. Bij de inhouding mag de werkgever slechts rekening houden met de gegevens, welke op het tijdstip van inhouding op de in artikel II bedoelde loonbelastingkaart zijn vermeld, tenzij hij weet of dient te weten, dat de werknemer onjuiste gegevens heeft verstrekt.
  3. Indien op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting geen loonbelasting behoort te worden geheven, kan de werknemer den inspecteur verzoeken, hem daaromtrent een verklaring af te geven. De werkgever is verplicht zich naar de verklaring van den inspecteur te gedragen en die verklaring bij den in artikel 17 bedoelden loonstaat te bewaren.

Artikel 8[bewerken]

  1. Onder groep I van de belastingtabel vallen de ongehuwde werknemers, die geen kinderaftrek genieten en nog niet den leeftijd van 65 jaar hebben bereikt.
  2. Onder groep II van de belastingtabel vallen de gehuwde werknemers, wien geen kinderaftrek is toegestaan, en de ongehuwde werknemers, die geen kinderaftrek genieten en den leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Als gehuwd worden mede aangemerkt de werknemers, die gehuwd zijn geweest, mits uit het huwelijk een kind is geboren.
  3. Onder groep III van de belastingtabel vallen de werknemers, wien kinderaftrek is toegestaan.
  4. Den werknemer wordt kinderaftrek toegestaan:
    a) voor zijn eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, die minderjarig zijn en tot zijn huishouden behooren of met zijn toestemming tijdelijk elders verblijven voor het verkrijgen van onderwijs of opleiding voor een beroep;
    b) voor zijn eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, die meerderjarig, doch nog geen 25 jaar zijn, en grootendeels op zijn kosten worden onderhouden en onderwijs genieten of worden opgeleid voor een beroep.
  5. Als pleegkind van den werknemer wordt slechts aangemerkt wie door hem als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
  6. In afwijking van het tweede en derde lid wordt een werknemer, die heeft nagelaten aan de hem in het derde lid van artikel II opgelegde verplichting te voldoen, steeds aangemerkt onder de eerste groep van de belastingtabel te vallen.

Artikel 9[bewerken]

  1. De loonbelasting wordt geheven over het loon, dat over een loontijdvak wordt genoten. Loontijdvak is het tijdvak, waarover het loon wordt betaald.
  2. De belastingtabel heeft betrekking o peen loontijdvak van een maand. Wordt het loon over een ander loontijdvak dan een maand uitbetaald, dan bedraagt de in te houden belasting:
    a) indien het over een week wordt uitbetaald, het 6/26ste gedeelte van het in de tabel vermelde bedrag over een loon, dat overeenkomt met het met 26/6 vermenigvuldigde bedrag van het genoten loon;
    b) indien het over een dag wordt uitbetaald, het 1/26ste gedeelte van het in de tabel vermelde bedrag over een loon, dat overeenkomt met het zesentwintigvoud van het genoten loon, mits op dien dag meer dan vier uren werk verricht is;
    c) indien het over een tijd van niet meer dan vier werkuren wordt uitbetaald, het 1/52ste gedeelte van het in de tabel vermelde bedrag over een loon, dat overeenkomt met het tweeenvijftigvoud van het genoten loon.
  3. Wordt het loon uitbetaald over een ander loontijdvak dan die, welke in het tweede lid zijn genoemd, dan wordt het loon herleid tot maandloon, weekloon of dagloon en wordt de in te houden belasting uit de belastingtabel afgeleid. Bij deze herleiding wordt een week op zes dagen en een maand op zes en twintig dagen gesteld.
  4. Ook bij stukloon geldt als loontijdvak het tijdvak, waarover het loon wordt uitbetaald.
  5. Indien de werknemer gedurende een loontijdvak doorloopend ter beschikking van den werkgever staat, worden, zoolang de dienstbetrekking blijft bestaan, enkele werkdagen, waarop de werknemer (b.v. ten gevolge van ziekte) geen loon ontvangt, mede tot het loontijdvak gerekend.

Artikel 10[bewerken]

  1. In afwijking van artikel 7 bedraagt de belasting van tantièmes, gratificatiën en andere belooningen, welke in den regel slechts éénmaal of éénmaal 's jaars worden toegekend:
    a) voor een werknemer, die volgens artikel 8 in groep I valt, 20 ten honderd;
    b) voor een werknemer, die volgens artikel 8 in groep II valt 14 ten honderd;
    c) voor een werknemer, die volgens artikel 8 in groep III valt en kinderaftrek geniet, voor:
    één kind … 12 ten honderd,
    twee kinderen … 10 ten honderd,
    drie kinderen … 8 ten honderd,
    vier kinderen … 5 ten honderd,
    meer dan vier kinderen … 2 ten honderd.
  2. De in het eerste lid bedoelde belooningen van een werknemer, die tevens uit dezelfde dienstbetrekking regelmatig wederkeerende belooningen geniet, worden echter bij het loon over het loontijdvak, waarin zij worden uitbetaald, gevoegd, indien zulks tot gevolg heeft, dat een geringer bedrag aan loonbelasting verschuldigd is.

Artikel II[bewerken]

  1. De werkgever is verplicht vóór den aanvang van het kalenderjaar voor iederen werknemer een loonbelastingkaart aan te leggen volgens een door den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën vast te stellen model. De inspecteur verstrekt den werkgever tot het benoodigde aantal loonbelastingkaarten hetzij ambtshalve, hetzij op diens verzoek.
  2. In de maand December van ieder kalenderjaar vraagt de werkgever aan den werknemer de gegevens voor de invulling van de loonbelastingkaart. Hij stelt den werknemer daartoe een formulier in tweevoud ter hand volgens een door den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën vast te stellen model. De inspecteur verstrekt den werkgever het benoodigde aantal formulieren hetzij ambtshalve, hetzij op diens verzoek.
  3. De werknemer is verplicht beide exemplaren van het in het tweede lid bedoelde formulier binnen twee werkdagen na ontvangst naar waarheid ingevuld, volgens den toestand op 1 December van het loopende kalenderjaar, en onderteekend bij den werkgever in te leveren. De werkgever vult aan de hand van het formulier de voorzijde van de loonbelastingkaart in. Op de daarvoor bestemde plaats op de loonbelastingkaart en op het formulier vermeldt hij, telkens in schrijfletters, tot welke van de in artikel 8 genoemde groepen de werknemer behoort en het aantal kinderen, waarvoor kinderaftrek wordt genoten. Vervolgens zendt hij beide exemplaren van het formulier door aan den inspecteur.
  4. Bij het eindigen van de dienstbetrekking in den loop van het kalenderjaar stelt de werkgever den werknemer de loonbelastingkaart ter hand, nadat hij daarop een aanteekening heeft gesteld betreffende het in het loopende kalenderjaar genoten loon en de ingehouden belasting. Daarnaast geeft hij, desgevraagd, den werknemer nog een schriftelijke verklaring af betreffende het in het kalenderjaar genoten loon en de ingehouden belasting.
  5. De werknemer is verplicht de hem volgens het vierde lid uitgereikte loonbelastingkaart te bewaren en deze, indien hij in den loop van het kalenderjaar weder bij een werkgever in dienst treedt, aan dezen te overhandigen.
  6. Indien een werkgever in den loop van het kalenderjaar een werknemer in dienst neemt, die hem geen loonbelastingkaart kan ter hand stellen, behoort hij dadelijk een loonbelastingkaart aan te leggen. Het eerste, tweede en derde lid vinden daarbij overeenkomstige toepassing.
  7. Behoudens hetgeen in het vierde lid is bepaald, is de werkgever gehouden de loonbelastingkaarten gedurende het kalenderjaar te bewaren.
  8. Komt in de gegevens, welke de werknemer den werkgever heeft verstrekt (b.v. het aantal kinderen, waarvoor kinderaftrek wordt toegestaan), een wijziging en moet dientengevolge minder loonbelasting ingehouden worden, dan stelt de werkgever den werknemer op diens verzoek het in het tweede lid bedoeld formulier ter hand. De werknemer vult dit formulier in overeenstemming met de gewijzigde omstandigheden in en onderteekent het. Na ontvangst van het formulier wijzigt de werkgever de loonbelastingkaart dienovereenkomstig. Vervolgens zendt hij het formulier door aan den inspecteur.

Artikel 12[bewerken]

  1. De werkgever is verplicht de loonbelastingkaarten te bewaren:
    a) indien hij een kantoor houdt, waar ook de loonadministratie wordt gevoerd, op dit kantoor;
    b) indien zoodanig kantoor niet wordt gehouden, ter plaatse waar de loonen worden uitbetaald.
  2. De inspecteur kan den werkgever toestaan de loonbelastingkaarten op een andere dan de in het eerste lid bedoelde plaats te bewaren.

Artikel 13[bewerken]

  1. Bij het opstellen van de belastingtabel is een bedrag van honderd gulden voor kosten tot verwerving van het loon en ter zake van persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen. De werknemer kan echter dien inspecteur verzoeken op de voor hem gehouden loonbelastingkaart een aanteekening te stellen, inhoudende, dat op het loon, alvorens de belastingtabel daarop wordt toegepast, een bedrag in mindering wordt gebracht wegens hoogere kosten tot verwerving van het loon of wegens hoogere persoonlijke verplichtingen.
  2. Als kosten tot verwerving worden aangemerkt alle uitgaven, die onmiddellijk of middellijk voor de vervulling van de dienstbetrekking moeten worden gedaan, zooals contributiën voor vakvereenigingen, aanschaffingskosten van gereedschappen en beroepskleeding of afschrijving op zoodanige goederen, indien zij, naar de ervaring leert, langer dan één jaar in gebruik zijn. Kosten, welke moeten worden bestreden uit de in artikel 6, onder a en b, bedoelde vergoedingen, worden niet in aanmerking genomen.
  3. Als persoonlijke verplichtingen worden aangemerkt verschuldigde renten van schulden, altijddurende renten, lijfrenten en andere uitkeeringen en verstrekkingen, welke bij overlijden van den werknemer of van een derde eindigen, een en ander voor zover zij niet met een bron van inkomen in verband staan. Tot de persoonlijke verplichtingen behooren niet renten, uitkeeringen en verstrekkingen, welke verschuldigd zijn aan bloed- en aanverwanten van den werknemer in de rechte linie en in den tweeden graad der zijdlinie, tenzij zij de tegenwaarde vormen voor een door den genieter aan den werknemer gedane prestatie.
  4. De inspecteur stelt de volgens het eerste lid gevraagde aanteekening slechts dan op de kaart, indien en voor zoover hem aannemelijk wordt gemaakt, dat de kosten tot verwerving en de persoonlijke verplichtingen te zamen naar de bestaande vooruitzichten een jaarlijksch bedrag van honderd gulden overtreffen. Kosten en verplichtingen, welke in het verleden hadden geldend kunnen worden gemaakt, worden niet in aanmerking genomen.
  5. Op de loonbelastingkaart van werknemers, die een loon genieten van meer dan 333 gulden per maand, wordt alleen dan een aanteekening, als in het eerste lid bedoeld, gesteld, indien zij in moeilijkheden zouden komen, ingeval met de hoogere kosten tot verwerving en de hoogere persoonlijke verplichtingen eerst bij de vaststelling van den aanslag in de inkomstenbelasting rekening wordt gehouden.

Artikel 14[bewerken]

  1. De werknemer kan den inspecteur verzoeken op de loonbelastingkaart een aanteekening te stellen, inhoudende, dat op het loon, alvorens de belastingtabel daarop wordt toegepast, een bedrag in mindering wordt gebracht wegens op den werknemer drukkende buitengewone lasten, welke op diens vermogen om belasting te betalen in den zin van het vierde lid daadwerkelijk van invloed zijn.
  2. Als buitengewone lasten worden aangemerkt:
    a) uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, voor wie geen kinderaftrek wordt genoten, en van andere bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in den tweeden graad der zijdlinie;
    b) uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit, sterfgeval en andere dergelijke uitgaven ten behoeve van den werknemer, diens eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen en van diens bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in den tweeden graad der zijdlinie.
  3. De in het tweede lid bedoelde uitgaven worden slechts als buitengewone lasten beschouwd, indien de werknemer ten gevolge daarvan grootere uitgaven heeft dan het meerendeel van de werknemers, die, wat inkomen, vermogen en gezin betreft, in dezelfde omstandigheden verkeeren.
  4. Van een daadwerkelijken invloed op het vermogen om belasting te betalen is eerst dan sprake, indien de buitengewone lasten meer bedragen dan 10 ten honderd van het geschatte jaarlijksche loon, verminderd met de vermoedelijke kosten tot verwerving van het loon en de vermoedelijke persoonlijke verplichtingen, benevens met een bedrag van 10 ten honderd per kind, waarvoor kinderaftrek wordt genoten.
  5. Buitengewone lasten, welke in vroegere loontijdvakken zijn ontstaan, worden slechts in aanmerking genomen, voor zoover zij nog in de toekomst op het vermogen om belasting te betalen in den zin van het vierde lid daadwerkelijk van invloed zijn. Onvoorziene uitgaven in een vroeger loontijdvak kunnen echter over het gedeelte van het kalenderjaar, dat nog niet is verstreken, worden verdeeld.
  6. Op de loonbelastingkaart van werknemers, die een loon genieten van meer dan 333 gulden per maand, wordt alleen dan een aanteekening, als bedoeld in het eerste lid, gesteld, indien zij in moeilijkheden zouden komen, ingeval met de buitengewone lasten eerst bij de vaststelling van den aanslag in de inkomstenbelasting rekening wordt gehouden.

Artikel 15[bewerken]

  1. De inspecteur vermeldt in de aanteekening, volgens de artikelen 13 en 14 op de loonbelastingkaart te stellen, het bedrag, dat per maand op het loon in mindering moet worden gebracht. Hij kan tevens vermelden het bedrag, dat bij betaling van het loon over een ander loontijdvak in mindering wordt gebracbht. In de aanteekening kan worden vermeld, dat de vermindering slechts tot een bepaalden datum mag worden toegepast. De aanteekening is steeds herroepelijk.
  2. Wordt het loon uitbtaald over een ander loontijdvak dan het tijdvak, waarvoor de aantekening op de loonbelastingkaart is gesteld, dan berekent de werkgever het in mindering te brengen bedrag door de in artikel 9, tweede en derde lid, bedoelde herleiding toe te passen op het bedrag, dat blijkens de aanteekening op de kaart bij uitbetaling van het loon per maand in mindering moet worden gebracht.
  3. Indien voor een werknemer bij het bestaan van meer dan één dienstbetrekking meer dan één loonbelastingkaart is aangelegd, wordt op de tweede en op iedere volgende kaart slechts een aanteekening gesteld voor het bedrag, dat nog niet op een andere kaart is aangeteekend. De werknemer is verplicht den inspecteur van een aanteekening op andere kaarten mededeeling te doen.
  4. Indien voor een werknemer benevens voor zijn echtgenoote een loonbelastingkaart is aangelegd, wordt op de kaart van de echtgenoote slechts een aanteekening gesteld voor het bedrag, dat nog niet op de kaart van den man is aangeteekend. De echtgenoote is verplicht den inspecteur van een aanteekening op de kaart van den man mededeeling te doen.
  5. Ook indien een ingevolge de artikelen 13 of 14 gedaan verzoek wordt afgewezen, stelt de inspecteur hieromtrent een aanteekening op de loonbelastingkaart.
  6. De aanteekeningen op de loonbelastingkaart worden van plaats en dagteekening voorzien.

Artikel 16[bewerken]

  1. De werkgever is desgevraagd verplicht de loonbelastingkaart aan den werknemer ter hand te stellen, ten einde daarop de inartikelen 13 en 14 bedoelde aanteekening te doen stellen. Hij stelt van de afgifte een aanteekening op den ingevolge artikel 17 gehouden loonstaat.
  2. De werknemer is gehouden de loonbelastingkaart weder zoo spoedig mogelijk aan den werkgever terug te geven. Omtrent de terugontvangst stelt de werkgever een aanteekening op den ingevolge artikel 17 gehouden loonstaat.

Artikel 17[bewerken]

  1. De werkgever is verplicht voor iederen werknemer een loonstaat bij te houden volgens een door den Secretaris-Geneeraal van het Departement van Financiën vast te stellen model. De loonstaten moeten worden gehouden ter plaatste, waar de loonbelastingkaarten moeten worden bewaard.
  2. De inspecteur kan een werkgever van de verplichting tot bijhouden van loonstaten ontslaan, indien de volgens het model van den loonstaat vereischte gegevens zonder meer aan de loonadministratie van den werkgever kunnen worden ontleend.
  3. De in het eerste lid bedoelde loonstaten of de in het tweede lid bedoelde loonadministratie moeten ten minste gedurende drie jaren na het einde van het kalenderjaar, waarop zij betrekking hebben, worden bewaard.
  4. De werkgever is gehouden op verzoek van den inspecteur dezen de loonstaten na afloop van het kalenderjaar tijdelijk ter inzage toe te zenden.

Artikel 18[bewerken]

  1. De werkgever is verplicht de ingehouden loonbelasting uiterlijk op den tienden dag van de maand, volgende op die, waarin de inhouding heeft plaats gevonden, af te dragen aan den ontvanger der directe belastingen, onder wiens kantoor de loonbelastingkaarten worden bewaard.
  2. In afwijking van het eerste lid kan de werkgever de loonbelasting van werknemers, die uitsluitend huiselijke diensten verrichten, afdragen uiterlijk op den tienden dag, volgende op het kwartaal, waarin de inhouding heeft plaats gevonden.
  3. De inspecteur kan den werkgever, die in het verleden nalatig is geweest in het tijdig afdragen van de belasting, de verplichting opleggen de belasting op andere dan de in het eerste en tweede lid bedoelde tijdstippen af te dragen.
  4. De ontvanger geeft den werkgever voor de afgedragen loonbelasting een quitantie benevens een doorschrift daarvan af. Indien de belasting op zijn girorekening is gestort of overgeschreven, doet de ontvanger den werkgever een bewijs van ontvangst toekomen.

Artikel 19[bewerken]

  1. Uiterlijk den vijfden dag na het verstrijken van den bij of krachtens artikel 18, eerste, tweede en derde lid, vastgestelden betaaldag behoort de werkgever op een door den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën vast te stellen formulier bij den inspecteur aangifte te doen van het bedrag van de uitbetaalde loonen en van de ingehouden en afgedragen belasting (aangifte voor de loonbelasting). De werkgever is gehouden het in het vierde lid van artikel 18 bedoelde doorschrift of bewijs van ontvangst aan de aangifte te hechten.
  2. De inspecteur verstrekt den werkgever ambtshalve of op diens verzoek de in het eerste lid bedoelde formulieren.
  3. De in het eerste lid bedoelde aangifte voor de loonbelasting moet ook dan worden gedaan, indien de werkgever geen loonbelasting behoeft in te houden. Zij moet alsdan de mededeeling bevatten, dat er geen loonbelasting in te houden was.
  4. Een werkgever, die geen werknemers meer in zijn dienst heeft en niet voornemens is in den loop van het kalenderjaar werknemers in zijn dienst te nemen, kan den inspecteur verzoeken hem van de in het derde lid opgelegde verplichting te ontslaan.

Artikel 20[bewerken]

  1. De werkgever is gehouden de aanwijzingen, welke de inspecteur hem in zake de inhouding van loonbelasting verstrekt, op te volgen.
  2. De inspecteur is onder meer bevoegd den werkgever op te dragen een bepaalden persoon of een bepaalde groep van personen als werknemers te beschouwen. Ook kan hij den werkgever voorschrijven een bepaald bedrag aan loonbelasting voor een werknemer of een groep van werknemers in te houden.
  3. De in hoofdstuk VI omschreven rechten worden door de bepalingen van het eerste en het tweede lid niet aangetast.

Artikel 21[bewerken]

  1. De werkgever is desgevraagd gehouden na afloop van het kalenderjaar den werknemer, die bij het einde van het kalenderjaar in zijn dienst is, een verklaring af te geven betreffende het in het kalenderjaar genoten loon en de ingehouden belasting. Telkens in de maand Januari behoort hij de loonbelastingkaarten voor het afgeloopen kalenderjaar, voor zoover zij in zijn bezit zijn, bij den inspecteur in te leveren. Daarbij moeten de loonbelastingkaarten overeenkomstig de aanwijzingen van het model van een verklaring nopens het in het kalenderjaar uitbetaalde loon en de ingehouden loonbelasting worden voorzien.
  2. Is de werknemer in het bezit van de loonbelastingkaart voor het afgeloopen kalenderjaar, dan behoort deze in de maand Januari van het volgende kalenderjaar die kaart bij den inspecteur in te leveren.

HOOFDSTUK V. Navordering.[bewerken]

Artikel 22[bewerken]

  1. Indien de loonbelasting niet of niet tot het juiste bedrag is ingehouden of afgedragen, kan de te weinig ingehouden of afgedragen belasting door middel van een aanslag worden nagevorderd. Navordering is uitgesloten, indien meer dan drie jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de belasting had moeten worden ingehouden of afgedragen, zijn verstreken.
  2. De aanslag wordt opgelegd ten name van den werkgever, tenzij geen of te weinig loonbelasting is ingehouden, doordat de werknemer onjuiste gegevens heeft verstrekt. In het laatstgenoemde geval wordt de aanslag opgelegd ten name van den werknemer.
  3. De aanslag wordt vastgesteld door den inspecteur.
  4. Alvorens tot het opleggen van een aanslag over te gaan, stelt de inspecteur den daarbij betrokken persoon in de gelegenheid om opheldering te geven.
  5. De in den aanslag te begrijpen belasting kan worden verdubbeld. Dit geldt niet, indien anders dan door opzet of grove onachtzaamheid van de zijde van den aangeslagene te weinig belasting is ingehouden of afgedragen.
  6. De aangeslagene, die bezwaar heeft tegen den opgelegden aanslag, kan binnen twee maanden na de dagteekening van het aanslagbiljet een met redenen omkleed beroepschrift indienen bij den raad van beroep voor de directe belastingen, binnen wiens rechtsgebied de aanslag is opgelegd.

Artikel 23[bewerken]

  1. De volgens artikel 22 opgelegde aanslagen worden, voor wat betreft de invordering, als aanslagen in een directe belasting aangemerkt.
  2. Zij moeten worden voldaan binnen één maand na de dagteekening van het aanslagbiljet.

HOOFDSTUK VI. Bezwaar en beroep.[bewerken]

Artikel 24[bewerken]

Hij die bezwaar heeft tegen het bedrag, dat als loonbelasting van hem is ingehouden, kan binnen een maand na de inhouding een bezwaarschrift, houdende verzoek om teruggaaf, indienen bij den inspecteur. Tegenover degene die de belasting heeft ingehouden, bestaat te dier zake geenerlei aanspraak.

Artikel 25[bewerken]

  1. Hij die bezwaar heeft tegen een beslissing van den inspecteur op een verzoek ingevolge artikel 13, kan binnen een maand na dagteekening van de beslissing een bezwaarschrift indienen bij dien inspecteur.
  2. Hij die bezwaar heeft tegen een beslissing van den inspecteur op een verzoek ingevolge artikel 14, kan, indien de inspecteur heeft beslist, dat op den verzoeker geen buitengewone last drukt, binnen een maand na de dagteekening van de beslissing een bezwaarschrift indienen bij dien inspecteur. Tegen het bedrag, dat de inspecteur als buitengewonen last van belasting heeft vrijgelaten, kan geen bezwaar worden ingebracht.

Artikel 26[bewerken]

Hij die bezwaar heeft tegen een uitspraak van den inspecteur ingevolge de artikelen 24 of 25, kan binnen een maand, nadat het afschrift van die uitspraak ter post is bezorgd of tegen ontvangbewijs is uitgereikt, in beroep komen bij den raad van beroep voor de directe belastingen, binnen wiens rechtsgebied de uitspraak is gedaan.

Artikel 27[bewerken]

Ten aanzien van de indiening en behandeling van de bezwaar- en beroepschriften zijn verder van toepassing alle voorschriften, geldende voor de indiening en behandeling van bezwaar- en beroepschriften in zake inkomstenbelasting.

HOOFDSTUK VII. Bijzondere bepalingen.[bewerken]

Artikel 28[bewerken]

Hoofdelijk aansprakelijk zijn:

  1. voor de loonbelasting, verschuldigd door een niet binnen het Rijk wonenden werkgever: de leider van diens hier te lande gelegen fabriek, kantoor of andere vaste inrichting;
  2. voor de ten onrechte niet ingehouden loonbelasting: de werknemer, tenzij deze den inspecteur van des werkgevers nalatigheid op de hoogte heeft gesteld;
  3. voor de belasting, verschuldigd door een vennootschap of vereeniging die niet in het bezit van rechtspersoonlijkheid is: de bestuurders;
  4. voor de belasting, verschuldigd door twee of meer werkgevers: ieder van de werkgevers.

Artikel 29[bewerken]

  1. De werkgevers zijn gehouden desgevraagd aan den inspecteur en aan de door den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën aangewezen ambtenaren inzage te verleenen van alle boeken en bescheiden, waarvan de kennisneming voor de uitvoering van dit besluit of de contrôle op de inhouding van de loonbelasting van nut kan zijn. Van loonbelastingkaarten en loonstaten moet inzage worden verleend aan alle ambtenaren van de directe belastingen.
  2. De werkgevers en de werknemers zijn verplicht, aan de in het eerste lid genoemde personen alle voor de uitvoering van dit besluit of de contrôle op de inhouding van de loonbelasting noodige inlichtingen te verstrekken.
  3. Gelijke verplichtingen bestaan tegenover den raad van beroep en de door den voorzitter van dien raad aangewezen personen.
  4. Hij die inzage van boeken of andere bescheiden moet verleenen, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is.
  5. Voor een weigering om te voldoen aan de in de eerste vier leden omschreven verplichtingen kunnen werkgevers en werknemers zich niet met vrucht beroepen op de omstandigheid, dat zij uit eenigerlei hoofde tot geheimhouding zijn verplicht, zelfs al mocht deze hun bij eenig wetsvoorschrift zijn opgelegd.

Artikel 30[bewerken]

  1. Ieder die met eenige werkzaamheid, den openbaren dienst betreffende, belast is, is verplicht aan de ambtenaren van 's Rijks belastingdienst kosteloos alle gevraagde inlichtingen te geven nopens hetgeen door of in verband met deze werkzaamheid te zijner kennis is gekomen.
  2. De volgens het eerste lid tot het geven van inlichtingen verplichte personen kunnen zich niet met vrucht beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun ambt of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, zelfs al mocht deze hun bij eenig wetsvoorschrift zijn opgelegd.

Artikel 31[bewerken]

  1. De Secretaris-Generaal van Departement van Financiën is bevoegd:
    a) voorschriften, noodig tot aanvulling en ter uitvoering van dit besluit, uit te vaardigen;
    b) ter vergemakkelijking van de heffing van belasting of van de contrôle op de heffing van de belasting van dit besluit afwijkende voorschriften uit te vaardigen;
    c) voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen in het belang van den werkgever of van den werknemer tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegenden aard, die zich bij de toepassing van dit besluit mochten voordoen.
  2. In de voorschriften, gegeven ingevolge het eerste lid, onder a en b, kunnen ook aan andere personen dan den werkgever en den werknemer verplichtingen worden opgelegd.

HOOFDSTUK VIII. Strafrechtelijke bepalingen.[bewerken]

Artikel 32[bewerken]

  1. Hij die een aangifte, als bedoeld in artikel 19, voor zich zelven of voor een ander opzettelijk onjuist of onvolledig doet, wordt, indien daaruit nadeel voor het Rijk kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of een geldboet van ten hoogste tienduizend gulden.
  2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de aangever, zoolang het openbaar ministerie niet is verwittigd, uit eigen beweging alsnog een juiste en volledige aangifte doet.

Artikel 33[bewerken]

  1. Hij die een aangifte, als bedoeld in artikel 19, voor zich zelven of voor een ander ten gevolge van zijn schuld onjuist of onvolledig doet, wordt, indien daaruit nadeel voor het Rijk kan ontstaan, gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.
  2. Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de aangever uit eigen beweging alsnog een juiste en volledige aangifte doet.

Artikel 34[bewerken]

Hij die aan den inspecteur, aan den raad van beroep, aan een door den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën aangewezen ambtenaar of aan een door den voorzitter van den raad van beroep aangewezen persoon opzettelijk een valsch of vervalscht boek of ander geschrift overlegt of ter inzage aanbiedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden.

Artikel 35[bewerken]

Hij die niet voldoet aan een verplichting, opgelegd bij of krachtens dit besluit, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden.

Artikel 36[bewerken]

  1. Indien een bij dit besluit strafbaar gesteld feit wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de leden van het bestuur.
  2. Geen straf wordt uitgesproken tegen den bestuurder, van wien blijkt, dat het feit buiten zijn toedoen is begaan.

Artikel 37[bewerken]

De bij dit besluit strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, behalve de feiten, strafbaar volgens de artikelen 33 en 35, die als overtredingen worden beschouwd.

Artikel 38[bewerken]

  1. Met het opsporen van de bij dit besluit strafbaar gestelde feiten zijn mede belast de ambtenaren van 's Rijks belastingdienst.
  2. Het proces-verbaal, opgemaakt ter zake van een feit, strafbaar volgens de artikelen 33 en 35, wordt den bekeurde in afschrift medegedeeld.

Artikel 39[bewerken]

  1. De feiten, strafbaar volgens de artikelen 33 en 35, worden vanwege den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën vervolgd op de wijze, als bedoeld in den zesden titel van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering.
  2. De verdachte kan door of vanwege den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën tot transactie worden toegelaten, onverminderd zijn recht om een overeenkomstig artikel 74, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht de vervolging te voorkomen.

HOOFDSTUK IX. Overgangs- en slotbepalingen.[bewerken]

Artikel 40[bewerken]

  1. Waar in dit besluit wordt gesproken van "de inspecteur" met betrekking tot een werkgever, is daarmede bedoeld de inspecteur der directe belastingen of die der registratie, onder wiens inspectie de door dien werkgever aangelegde loonbelastingkaarten worden gehouden.
  2. Waar in dit besluit wordt gesproken van "de inspecteur" met betrekking tot een werknemer, is daarmede bedoeld de inspecteur der directe belastingen of die der registratie, onder wiens inspectie de werknemer woont.

Artikel 41[bewerken]

  1. De loonsbelasting wordt voor de eerste maal geheven van loonen over loontijdvakken, welke na 31 December 1940 eindigen.
  2. De loonbelasting wordt voor de eerste maal geheven van in het eerste lid van artikel 10 bedoelde belooningen, welke na 31 December 1940 worden betaald.

Artikel 42[bewerken]

  1. Volgens nadere vooschriften van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën zal op de aanslagen in de belastingen naar het inkomen over het belastingjaar 1940/1941 een gedeeltelijke ontheffing worden verleend om dubbele belasting van het loon (door de loonbelasting en door de over het belastingjaar 1940/1941 geheven belastingen naar het inkomen) te voorkomen.
  2. Het in het vorige lid genoemde loon wordt geacht in de belastingen naar het inkomen over het belastingjaar 1940/1941 te worden getroffen, indien en voor zoover in den aanslag over dat jaar opbrengst van in dienstbetrekking verrichten arbeid is begrepen.

Artikel 43[bewerken]

  1. Dit besluit treedt in werking op den dag zijner afkondiging.
  2. Het wordt aangehaald als "Besluit op de Loonbelasting 1940".

's-Gravenhage, 5 December 1940.

De Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën:

L.J.A. Trip