Naar inhoud springen

Camera Obscura/Een juffertje en een mijnheer

Uit Wikisource
[ 150 ]
 

Een juffertjen en een mijnheer.


Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid dan ingeleid, onder het gejuich van: "SAARTJEN met een mof! SAARTJEN met een mof!"

Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van HENRIETTE. De gestalte uit het licht in den donkere komende, kon waarschijnlijk geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen vertrokken weder, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: "SAARTJEN met een mof! SAARTJEN met een mof!"

"Kind!" zei HENRIETTE tot de binnengekomene: Wat kom je ontzachelijk vroeg; mama slaapt nog."

"Wat zeg je, HARRIOT?" riep mama, met een schorre stem wakker wordende: Wat wil je, kind? is er iets? heb je nog geen licht op?"

"Nicht {SAARTJEN is daar al!" was het andwoord. "De kinderen zeggen," voegde zy er lachend by, "de kinderen zeggen: met een mof!"

De gestalte kwam, op het geluid af, naderby, en vroeg met een heel lieve stem naar de gezondheid van nicht KEGGE, en nicht HENRIETTE.

"Och!" zei de laatste, je bent er toch niet ver af: bel reis om het licht, wil je?"

Nichtjen gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam binnen, en ik ontwaarde by zijn schijnsel een jong meisjen, misschien van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van HENRIETTE. Eene allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetjen gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruin lakenschen mantel; een gegaufreerd kraagjen sloot stemmigjens om een allerblanksten hals; en toen zy haar eenvoudig kastoor hoedtjen afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zy bloosde op het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zy verwacht had. Ik haastte my haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook van de mof in wier gezelschap zy was aangekondigd. Zy bloosde nog sterker over deze gedienstigheid en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.

HENRIETTE nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, [ 151 ]nieuwmodiesch handmofjen van marter of chienchila, met lichtblaauwe of kersenroode zijde gevoerd, en naauwelijks groot genoeg voor twee kleine handtjens, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekjen; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche langharige Vossenhuid, waarby een dito halsbekleedsel behoorde, waarmeê onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen, waarin wy daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.


"Wat een allerliefst mofjen!" zei HENRIET, met het harde hair over hare zachte wangen strijkende; "wat doe jy nu met een mof, SAARTJEN?"

"'t Is een oud ding," zei SAARTJEN met een lief lachjen: de kinderen hebben er ook al zoo'n plaisir in gehad. 't Is nog van mijn grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht HENRIETTE. Hoe vaart neef?"

"Papa is heel wel," andwoordde de schoone. En als om het te bewijzen trad de heer KEGGE zelf binnen, vatt'e SAARTJEN met een fikschen greep om het midden, en gaf haar een zoen dat het klapte.

"Wel SAAR! daar doe je wel aan! riep hy uit." Kom je nog reis thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben opgedaan? Pas maar op, hoor? het is een meisjensgek."

Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patient niet veel anders doen kan dan pijnlijk glimlachen.

"En wat hoor ik van je mof? ROB zegt dat je een mof hebt. Laat reis kijken. Die is nog van je moeder, SAAR! Lieve schepsel! Ik ben een citroen als dat niet precies het hair is van een wild varken. Hoor reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van my hebben. "

"Och neen! neef KEGGE," zei het lieve meisjen verlegen; ik zou haar toch niet anders dan ' s avonds dragen."

"En waarom niet, als ik ze je geef?"

"Omdat het me... niet past, neef KEGGE."

"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"

"Toch niet, neef KEGGE! heusch, ik had het liever niet, — ik mag geen bont dragen, — en ik ben er nog veel te jong voor."

"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhair; 't is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."

Deze laatste aardigheid deed den heer KEGGE machtig genoegelijk aan, en wy zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de kopjens van blaauw porcelein waren behoeft niet te worden opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke familie KEGGE gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer verwonderd te staan, en het verveelt my er hem langer opmerkzaam op te maken. Die lust heeft moois van dien aart met bewondering en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men zou zeggen dat die [ 152 ]heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen, die zy beschrijven.


Toen de thee was afgeloopen, en de pendule byna op acht uren stond, liet de heer KEGGE zich een met zwarten zeehond gevoerden overjas van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, zeide hy. Hy stak daarna op hetgeen hy met een kieschen term een stinkstok noemde, en ging uit, om alweder een noodige commissie te doen. Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen, van een zeven- à achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat overigens zeer vervallen was. Hy droeg het hair eenigzins lang, zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze persoon was gekleed in een zeer naauwen groenen rok met zeer kleine vergulde knoopjens en zeer naauwe en korte mouwtjens, een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd zijden vest. Een zwart satijnen strop, in welks slippen een zeer lange, zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertjen daaraan vast, stroogeele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn kleeding. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een byna onzichtbaar elastiek koordtjen een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt was om, zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel van het oog te blijven staan.

Toen deze heer binnenkwam ging hy eerst de kamer door, volstrekt in dezelfde houding alsof hy moederziel alleen ware geweest, en zonder ter linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken: men zou gezegd hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hy tot mevrouw KEGGE genaderd was, stond hy stokstil, en liet zijn hoofd op de borst vallen als eene geknakte bieze; vervolgens ging hy op HENRIETTE af, en herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat; eindelijk bracht hy ze ten derde male ten uitvoer voor de vereenigde personaadjen van SAARTJEN en my.

HENRIETTE stelde ons aan elkander voor als mijnheer VAN DER HOOGEN en mijnheer HILDEBRAND.

Mijnheer VAN DER HOOGEN plaatste zich daarop op den hem aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterhand ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestjen, zoo dat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hy met eene krakende stem tot mevrouw: [ 153 ]

"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondtjens. Gisteren dineerde ik by den heer VAN NAGEL; nu, u weet wel dat freule CONSTANCE ook een aardig hondtjen heeft..."

"Ik weet het heel goed; het is een King Richard, " zei HENRIETTE, "een allerliefst dier."

"Niet waar, allerliefst en allercharmantst: maar toch het haalt niet by Azor en Mimi."

"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw met zichtbaar welgevallen.

"o Mevrouw!" andwoordde de heer VAN DER HOOGEN, geheel opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen; freule CONSTANCE! zei ik, uw hondtjen is charmant, maar de hondtjens van mevrouw KEGGE zijn charmanter."

Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw KEGGE niet gezien; met een soort van geestdrift stak zy Azor en Mimi, die by haar op een tabouret lagen, ieder een klompjen suiker toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.

De heer VAN DER HOOGEN richtte zich daarop tot HENRIETTE:

"Ik kan u zeggen, juffrouw HENRIETTE, dat de freule CONSTANCE jaloersch is van uw marabouts; zy heeft er u laatst meê in de kerk gezien. Gisteren zei ze: VAN DER HOOGEN, je kent immers de familie KEGGE? Ik andwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de marabouts van de freule. Het zijn allercharmantste marabouts; daarop volgde een heel gesprek over u."

"Waarlijk?" vroeg HENRIETTE, hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. "Foei VAN DER HOOGEN! je houdt me een beetjen voor den gek."

"Dat is ondeugend van je," andwoordde VAN DER HOOGEN, insgelijks glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!" Daarop trok hy zijn gezicht in een ernstigen plooi en vervolgde:

"Waarlijk, juffrouw HENRIETTE, het is jammer, heel jammer, datje die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule CONSTANCE is waarlijk allercharmantst.""

"Ik weet niet, VAN DER HOOGEN! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tusschen u en die freule CONSTANCE!" merkte HENRIETTE aan; en zy lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met de meest mogelijke coquetterie in de oogen.

De heer VAN DER HOOGEN had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hy had kunnen blozen. Maar zijn blos was — wie weet waar?

"Al weer foei!" hernam hy; "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw HENRIETTE!" En hy lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert onwaar is. "

Hy liet eene korte geheimzinnige pauze volgen; toen vervolgde hy: [ 154 ]

"Ik mag de freule CONSTANCE heel gaarne; zy is waarlijk allercharmantst, maar... ik heb geen plans, in 't geheel geen plans. En wilje weten waarom zy my juist gisteren zoo beviel?"

"Welnu?"

"Omdat zy zich zoo aan u intéresseerde." En hy sloeg de oogen liefelijk neder.

"Indedaad, ondeugd!" plaagde HENRIETTE; je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het zijn kon!"

"Zy vond uw voorkomen zoo byzonder lief en intéressant," zei VAN DER HOOGEN; "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot mevrouw KEGGE keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met alles wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te dwingen haar woord te houden."

"Dat behoeft niet meer!" zei HENRIETTE glimlachende: " Alles is bepaald; ik speel vrijdag."

"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule CONSTANCE verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik..."

"Ik ben nog niet gedécideerd, andwoordde HENRIETTE: "wil de heer VAN DER HOOGEN my eens helpen kiezen? Zullen wy den piano eens open maken?"

"Gaarne, dol gaarne."

"Maar gy moet reflecties maken ………"

"Onmogelijk! onmogelijk!" riep VAN DER HOOGEN. Daarop sprong hy van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hy hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hy een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijne sneeuwitte handtjens en nagels coupés à l'anglaise, en hielp HENRIETTE de muzijk uitzoeken.

Onderdies fluisterde hy half hoorbaar: "Dat juffertjen DE GROOT heeft toch een allercharmantst gezichtjen!"

"Wat onbeduidend, " andwoordde HENRIETTE.

"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak VAN DER HOOGEN.

"SAARTJEN," hernam HENRIETTE, het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetjen gezelschap houden wilt."

"Graag, nicht HENRIETTE!" andwoordde SAARTJEN; «ik ga terstond." Ongaarne zag ik de lieve blaauwe oogen vertrekken.

HENRIETTE begon te spelen, en de heer VAN DER HOOGEN sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hy er somtijds zoo lang meê talmde, dat HENRIETTE, bevreesd dat hy het niet by tijds doen zoude, zelve haar hand uitstak, waarop hy zich dan haastte die hand te ontmoeten, en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't geheel was de houding der jongelieden voor den piano zeer vertrouwelijk.

Intusschen zaten aan een klein tafeltjen de jonge heeren ROB en [ 155 ]ADAM écarté te spelen om een kwartjen, en verminkte de kleine HANNAH (want deze drie kinderen schenen op te blijven ) de platen van een kostbaar boek tot mislukte knipsels.

Ik had nu geene andere conversatie dan mevrouw, die my vooreerst ophelderde dat de gebeurtenis, die al wat in de stad smaak had verrukken zou, geen andere was, dan dat HENRIETTE aanstaanden vrijdag op het damesconcert een obligaat op den piano zou uitvoeren. De heer VAN DER HOOGEN had haar zoo lang gebeden, en de directie van het concert had er mijnheer KEGGE zoo om lastig gevallen, en HENRIETTE speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren. Na deze mededeelingen begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in Holland beviel. Zy klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig, en altijd by hun kinderen; de kinderen hadden zoo veel kleêren aan 't lijf, en de huizen waren zoo tochtig! Maar zy zelve was gelukkig altijd gezond, en de kinderen, en KEGGE ook, en ook de hondtjens.

De heer KEGGE kwam thuis en vertelde zoo veel nieuws dat het blijkbaar was dat hy naar de societeit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De heer KEGGE Voegde zich by den piano. SAARTJEN kwam weder beneden, en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik hield my daarop met haar bezig door de platen te bezien eener prachtuitgaaf van LAFONTAINE. Zy wist zoo goed welke fabels door iedere plaat werden voorgesteld, en sprak het fransch zoo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertjen, dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone brunette en haar tweejarig pensionnaat verwachten durfde.

Er werd nog een heele poos muzijk gemaakt, en mevrouw KEGGE sluimerde met haar hondtjens in, en werd niet wakker voor dat de charmante heer VAN DER HOOGEN weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de borst had laten vallen, en betuigd dat hy, heer VAN DER HOOGEN, de eer had haar dienaar te wezen. Hy maakte dezelfde plichtpleging voor de dames, en begon nu aan den heer KEGGE.

"Apropos ― zeide hy — goed dat ik er om denk. Er presenteert zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten, voor iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsjen als blank officier; honorable betrekking."

"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer KEGGE aan, schoon 't by ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in [ 156 ]verachting. Maar 't is dwaas, want zoo in Suriname als in Demerary zijn de meeste directeurs het zelf geweest."

HENRIETTE werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen kon de charmante heer VAN DER HOOGEN niet uit deze bekentenis opmaken! Maar de charmante heer VAN DER HOOGEN dacht misschien aan zijn eigen vader, die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder te Amsterdam was, en met wien hy dien ten gevolge niets meer uitstaande had dan dat hy nu en dan een wissel op hem trok.