Camera Obscura/Kennismaking met mensen en dieren
| ← Een treurige inleiding | Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets) | Een juffertje en een mijnheer → |
| Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn. |
[ 139 ]
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontfangst van dit "reukoffer," hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor my in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtigen octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden my een buitengewoon gestommel hooren deed.
"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende; "drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier suffisant donker, hoor! Ik ben een kuiken als ik zien kan!"
Het is niet met zulk eene vrijmoedige luidruchtigheid dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de professeurs van onbekende lycéën die tijdstroomen aanbieden, of de doorgevallen kruideniers die uit hunne verbrande pakhuizen niet anders hebben gered dan eene mooie party zeeuwsche chocolaad van duizend A's, of de goedkoope portraiteurs en silhouettenmakers die de eer hebben gehad uw besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk eene vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze by de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of bloôheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zy geen fransch of duitsch of luikerwaalsch spreken om uwe hospita te overbluffen, dan nemen zy de beleefdste, beschaafdste, en tevredenste houding der wareld jegens haar aan; en wat den trap betreft, zy veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik my by voorraad een vreemd gezicht te zullen zien.
De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van was byzonder vrolijk en joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warme luchtstreek. Hy had levendige grijsblaauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn hair waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van OVIDIUS, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hy droeg een groenen overrok, dien hy oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hy een fraai bamboes met barnsteenen knop. [ 140 ]
"KEGGE!" riep hy my toe, toen ik verbaasd opstond om hem te groeten. KEGGE! de vader van WILLIAM. Ik ben gekomen om u, het museum, en de burcht te zien, en als je dan meê naar mijn huis wilt gaan, zul je me drommels veel plaisir doen."
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden WILLIAM dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden vader, deed my aan. Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend voor my te zien.
"Ja," zei de heer KEGGE, zijn horloge uithalende; het was jammer van den jongen, hè! 't Moet een goeie karel geworden zijn. 't Spijt me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hy er by: "Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?"
"Hier schuins over woonde WILLIAM; dáár, waar nu die steiger staat."
"Ei zoo, dan was je na buren! Ja 't is jammer, jammer, jammer! Sakkerloot, is dat het portret van WALTER SCOTT? Lees je engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een compleete editie van WALTER SCOTT kunnen krijgen? Maar ze moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half verscheurd." En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeestenspel toe. Kan ik de academie ook zien? Wat hebje al zoo meer?"
Op dien regenachtigen octoberdag zag men HILDEBRAND met een vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het museum van natuurlijke, en daarna de doode Farao's in het museum van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjens die nooit geleefd hebben der Anatomie, en daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, op de senaatskamer, "van SCALIGER met den purperen mantel af" tot op BORGER met den houten mantel toe; waarvan er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid daar te stellen, bezochten wy daarop de burcht die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, ADA, en die Rederijkerskamer waarvan zoo vele geniën lid waren. Ten slotte zagen wy ook nog den sineeschen en japanneeschen inboedel by den heer SIEBOLD, en rustten eindelijk uit in de societeit Minerva, toen nog geschraagd door "den dubbelen zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wy aten daarop aan de openlijke tafel in de Zon; en het was aldaar dat de heer KEGGE de algemeene verbazing en zelfs de volkomene verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayenne peper, die hy uit een opzettelijk daartoe omgedragen ivoren [ 141 ]kokertjen op zijne spijzen schudd'e; en door zijne volstrekte verachting van bloemkool en bordeaux wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met hem te deelen.
Na het diner vertrok ZEd, per diligence; evenwel niet dan na my de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken by hem zou komen doorbrengen; als wanneer hy my aan zou toonen hoe hy gewoon was menschen te ontfangen, en hoe goed zijn kelder was.
"Als je studeeren wilt," zei hy: ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van BULWER of zoo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"
Een paar weken daarna kreeg ik een brief van herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot westindische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quintessence van suiker ingelegd. De heer KEGGE melde my dat "zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjens gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om my te zien."
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaansche hazewindtjens, ten huize van den heer JAN ADAM KEGGE.
De kamer, waarin ik my bevond, leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuislijk 'aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een breede, veeloctavige pianoforte stond opengeslagen, en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een guitaar. Een gladhouten muzijkkastjen stond open, en een der spaansche hazewindtjens vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op den piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltjen stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, renkflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, cigarenbusjens, en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustte op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau onder een reusachtigen spiegel daartegenover zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels, met spitsche bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntjen stond er half geopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaarvergulde standertkandelaars. Het vloertapijt was van gloeiend rood geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblaauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huishoudkamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een [ 142 ]sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een grooten parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon, en schitterende armbanden. Een derde schildery stelde een groep voor van vier der kinderen, waarby aan de schoone brunette vooral niet was te kort gedaan; de beeltenis van WILLIAM, die de oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo ruim en zoo makkelijk, dat zy er als in verzonk.
Toen ik binnentrad zat mama met het windhondtjen Azor, dat met minder muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondtjen Mimi, op haar schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had neergelegd, om zich met een grooten witten cacatou met geele kuif te onderhouden.
Mevrouw KEGGE was eer klein dan groot van gestalte; aanmerkelijk jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter, en wat zy ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk verre van eene schoonheid in de oogen van een europeaan. Haar toilet was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen eenigzins slordig; maar waar is het dat er veel werd goedgemaakt door eene zonnige ferronière op mevrouw KEGGE's voorhoofd, en een zware gouden ketting op mevrouw KEGGE's voormaligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air gaven van by mevrouw KEGGE's tegenwoordige kleedy volstrekt niet te willen passen. Zy scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigjen verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde en het karakter dat zy had op te houden.
Haar dochter kwam haar te hulp. Eene goede uitvinding van sommige moeders: dochters te hebben. Zy hief zich, om my te groeten, eenigzins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht my een stoel gaf, veel dichter by haar dan by haar mama, en betuigde haar genoegen mijnheer HILDEBRAND te zien. "Papa had er zich zoo veel van voorgesteld, mijnheer HILDEBRAND eens te bezitten. Niet lang zeker zou hy zich laten wachten; maar eene dringende commissie had hem uitgeroepen."
Inderdaad het was een schoon meisjen, die dochter van den heer KEGGE. Zy had den fijnen neus en den mond van WILLIAM, maar veel schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen; als zy ze opsloeg, blonken zy vurig en onvertsaagd, en toch, als zy ze neersloeg, hadden zy iets byzonder zachts en kwijnends. Heur hair hing in menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs haar eenigzins bleeke maar mollige wangen. Ik wist dat zy drie jaar jonger was dan WILLIAM, die nu ongeveer twintig jaren zou geteld hebben; maar, naar den aart der tropische menschengeslachten, was zy ten volle ontwikkeld. Een [ 143 ]weelderig negligé van wit batist en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte; en zy had geen anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine zachte handekens. De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de gapingen aan, door allervriendelijkst met den cacatou te converseeren, en hem kleine stukjens beschuit uit hare hand te laten oppikken, by welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone vingeren. Men gevoelt dat ik het begunstigde dier zeer prees.
"O hy praatte zoo aardig. Zy was nu begonnen hem haar naam te leeren uitspreken. Coco, hoe heet de vrouw?"
En zy aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco geweest te zijn.
De lieve naam kwam echter zoo min van 's mans hoormachtige lippen, als ik in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang vleiens kwam er: "Kopjen kraauwen."
Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand gaf den onwilligen met den gouden naaldenkoker een gevoeligen slag op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinksch gebogen kruin en kleine pasjens, naar het verwijderdste gedeelte van zijn kruk retireerde, en toen in die houding zitten bleef met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.
"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de vertoornde schoone; "maar ik vind het zeer onaangenaam."
Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan de portretten te hulp te roepen, als mijnheer KEGGE zelf te huis kwam.
"Onsterfelijke vriend!" riep hy my toe, als waren wy ons geheele leven door de tederste banden van vriendschap, waarvan ooit in een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld," en, als het rijm medebrengt "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? Witte port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddelijk de liqueuren komen. Hoe zit je daar zoo te druilen. Lorre?"
"/ Hy heeft knorren gehad, papa," andwoordde de dochter, omdat hy andere woorden spreekt, dan die ik hem geleerd heb."
"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes poes! kopjen kraauwen! gekskap!..."
"Papa, ik had het waarlijk liever niet."
"Nu, nu, HARRIOT, my dear! Ik zal ' t niet weer doen. Maar wat zeg je van onzen gast, mijnheer HILDEBRAND? en wat zegt mijnheer HILDEBRAND van mijn dochter?..."
Wy waren beiden verlegen, en hadden niets van elkander te zeggen. [ 144 ]
"Allemaal gekheid!" riep de heer KEGGE: "je zult wel familiaar worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar HENRIETTE en HILDEBRAND alstjeblieft."
Juffrouw HENRIETTE KEGGE stond op, om met zeer veel ijver op den piano een boek te zoeken.
De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zett'e te dien einde een onmetelijk groote, vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord Liqueurs in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffre-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen, hoe veel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer KEGGE evenwel te oordeelen, geloof ik, dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er met hun bybehoorend gezelschap van glazen in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hy my welkom.
"Hoor reis, onsterfelijke," ging de heer KEGGE voort, dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zulje al de kinderen zien, niet waar, HANNAH? Dan ken je hier de taal en de spraak zoo wat. Je moet maar denken, wy in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adelijke heeren en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel, ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."
HENRIETTE verliet de kamer.
"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat ' s één geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, drinkt goed — dat zijn de wetten van het huis. Waar is HENRIET?"
"Naar haar kamer," andwoordde mevrouw KEGGE. "Zy kleedt zich Voor het diner."
"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"
Er werd gebeld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinren verschenen.
Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zy waren er, helaas! niet leelijker om. Zy droegen blaauwlakensche pakjens met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met witte kousjens. Daarna kwam een meisjen van zeven jaar met lange zwarte hairvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf in een schotschbont blousetjen; weder een meisjen, van een jaar of drie, met bloote voetjens, in gekleurde laarsjens; en eindelijk, op den arm eener min, een kind, dat niets meer aan had dan het witte jurkjen dat men zag, en het witte hemdtjen dat men niet zag, — verontrust u niet, lieve hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit — met een [ 145 ]gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.
"Nu heb je ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der minne nemende, en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst schaterde van lachen, en met de bloote beentjens spartelde en trappelde, dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad. WILLIAM, dien je gekend hebt; HENRIET die je gezien hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud geworden, en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier heb je ROB, en daar heb je ADAM, mijn petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hy zoo klein was; tusschen hem en dit meisjen is er weer eentjen dood; dat werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; dit meisjen heet HANNAH, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding, niet waar? en die kleine jongen heet JAN; niet waar, boer? hier hebben we SOFIETJEN, en het kleintjen heet KITTY."
Na deze optelling zijner kinderen, schonk hy ze allen een glas malaga in, en liet zelfs de kleine KITTY daarvan proeven, die een leelijk gezicht zett'e, een uitwerksel dat den oorsprong van haar leven zeer vrolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van ROB, en ROB met den staart van Azor; ADAM prikte zijn zuster HANNAH zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den cacatou, die zichtbaar bang voor hem was. JAN en SOFIE begonnen een twistgeding ter zake van het hazewindtjen Mimi. De heer KEGGE gaf zijn jongsten spruit weer aan de min over.
"Zie zoo, minne! " zeide hy: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, jongens! Veel plaisir!"
En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur en stoof henen.
"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte de heer KEGGE, die dezen naam voor my gekozen scheen te hebben, ga dan mee als je wilt; dan kan je met een de bibliotheek zien."
Hy bracht my naar een achterbovenkamer die ор den tuin uitzag. Nog nooit zou ik te midden van zoo veel weelde hebben geslapen. Een lit d'ange, een canapé, eene chaise longue daarenboven, eene pendule, eene psyché, een waschtafel van satijnhout, met de kleinste minutiae tot het toilet betrekkelijk meer dan voorzien.
"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zeide de heer KEGGE, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de bel; als je wat noodig hebt, dan rammel je maar dat het huis dreunt."
Wy gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche litteratuur, op de keurigste wijze gebonden, byeen was.
"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al makke[ 146 ]lijk. In deze lade zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, en nu completeert HENRIET het zoo wat. Ik kan me met die snarenpijpery niet altijd ophouden. HENRIET heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in ' t land gekomen, en hebben haar thuis gehaald; ze was te groot; en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al, en als je in twee jaren geen fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat lange schoolgaan — allemaal gekheid. Ik laat geen van mijn kinderen meer schoolgaan, ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjens betreft: mijn vrouw verstaat geen woord fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? dien heb ik zelf op mijn suikerplantaadje geschoten. De deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen."
Wy gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer KEGGE my al de kamers van het geheele huis, de tuin, den stal en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken; waaruit het my meer en meer bleek dat de heer JAN ADAM KEGGE zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijne kinderen, en zichzelven. Hy scheen er volkomen van overtuigd te zijn dat hy een onuitputtelijk fortuin had en dat hy "een perfecte goeie karel" was: tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adelijke heeren," en volkomen gerechtigd om alle wareldsche zorgen en convenances met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"
Toen wy alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal. HENRIETTE verscheen er in een japon van blaauwe zijde, die haar niet volkomen zoo goed stond als haar witte negligé. Ik had de eer tusschen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over my, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. By het couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf met wijn, zoo goed als by het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig, en toen wy allen gezeten waren, kwam er een kleine magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw KEGGE. Zy kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze hairen deden vermoeden; valsch hair droeg zy niet. Zy was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange hond, die zoodra zy plaats genomen had zich by haar stoel nederzette, en zijn kop in haar schoot lei, waarop zy hare bruine hand rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama, doch ik twijfelde soms of dit niet maar een naam was haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigzins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer KEGGE vertelde dat hy den koop van [ 147 ]dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zy nu voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."
"Kom, kom!" riep hy toen, "geen hoofdschuddingen! dat 's allemaal gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig uit de stad zijn, en de groote hanzen en adelijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg[1] op een zilveren veld, en een groote planterskroon er boven op van suikerriet en koffyboonen."
"Ik zou er maar J. A. K. op laten zeten, " żei de oude dame droogjens: je kunt immers de letters met zoo veel krullen maken als je wilt."
Ik beschrijf u het diner niet met al zijne opscherpende tomato- en andere sausen, cayenne, zoya, kruidenazijn, atjarbamboe, engelsche pickles en wat dies meer zij, noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van den heer KEGGE, dien hy door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer KEGGE verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te zullen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien by den koning van Engeland, zoo drinken zou! Mevrouw at veel, en HENRIETTE weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zy de tafel, en droeg zorg dat men de gerechten in behoorlijke orde at, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De hazewindtjens van mevrouw waren allerbescheidenst stil, omdat zy ontzag hadden voor den langen hond der oude dame, maar de kinderen, die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeslijke drukte. Na den eten bood de zwarte knecht koffy aan, en moest ik eene schotsche liqueur proeven, die als vuur in de keel was.
De oude dame was na den afloop van het diner terstond opgestaan en vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de eetzaal gebleven, waar de kleine HANNAH den pot met morellen tot zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en hare broertjens nog eens bediende, op mamaas vriendelijk verzoek, zich aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets andwoordende dan dat het zoo lekker was.
"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de blibliotheek ga," zei de heer KEGGE; "dit is mijn studieüurtjen!" En met een weinig bedwongen geeuw verliet hy de kamer. [ 148 ]Mevrouw zett'e zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd, en bereidde zich insgelijks tot de sièsta.
De schoone brunette en ik bleven dns zoo goed als alleen in de schemering, alleen verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend kolenvuur. Zy zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te verheugen, dat zy na den eten zulk aangenaam gezelschap had.
Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een éénzaam schemeruurtjen ook zijn waarde heeft. Zy hield er niet van. Zy hield van veel licht; veel discours; veel menschen; en helaas, "voegde zy er by," er is hier volstrekt geen conversatie."
Ik verwonderde my over het verschijnsel van een stad met zoo veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
"Ach," andwoordde HENRIETTE: "men moet denken, de menschen zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coteries, waar men niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden omgaan, maar.., die conveniëeren ons weer minder."
Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezinnen die volstrekt niet geörienteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en standpunt; familien zonder familie die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd staan dat de eerste kringen hen niet met open armen ontfangen. Lieve menschen! van waar komt u deze aanmatiging? Moeten dan, mevrouw! omdat uw echtgenoot een ampt bekleedt dat hem tot het waterpas van zes zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten dat uw geboorte burgerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, rijke koopmansgade! dat de hooge kringen niet tot u zijn toegenaderd, naar mate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meerder paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patricier, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patricier, die doorluchtige edelman alle de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade voor zijn zoon begeeren? Weet gy dan niet dat indien die kringen welke gy zoo verlangend zijt in te treden, zich voor u openden, gy in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uw vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gy u rustig aansloot aan den stand waartoe gy behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gy zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gy niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de by gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk ik begrijp my hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zy zijn [ 149 ]volkomen tevreden met het verkeer met huns gelijken; zy schroomen avances te doen, die hen naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen dat zy nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien zy u en amitié namen, en gy verriedt eens uw nieuwelingschap of volkomene misplaatstheid in de caste waarin gy zijt toegelaten, zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of korter nog: zy zien niet in, waarom zy juist u in haren ommering zouden opnemen. Maar gyzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar vensters in te kijken, hoe zy haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren: gy die haar plaagt en tart door uw toilet kostbarer te maken dan het hare, die er beurtelings de navolging, de parodie, en de charge van uitstalt; die terwijl gy over den onchristelijken hoogmoed der groote dames klaagt, die de deur sluiten voor eene familie die niet tot haren stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familien die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt dat gy deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is zoo goed als en misschien beter dan een faisante hen, maar zy behoort daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zy dan den kippenloop veracht, mag zy alleen gaan zitten onder dezen of genen sparrenboom, en pikken zich in de veêren, en aan de voorbyzwemmende eenden wijsmaken dat haar nicht in den tienden graad ook een faisante hen is. Maar de kippen in den loop hebben te zamen ruim zoo veel genoegen als zy in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik eene andere vergelijking. Gy zijt als vledermuizen, by de vogelen niet gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, die haar waarlijk staan als of zy haar niet toekomen.
Het bleek my in dit schemeruur dat de schoone HENRIETTE zich met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; maar mijnheer, schoon alles brusqueerende wat groot en hoog was, sprak my veel te veel van adelijke heeren en groote hanzen, dan dat ik hem niet van eene heimelijke jaloezy verdacht zou hebben. In zijn trotsch belijden dat hy een parvenu was, was misschien even veel spijt als oprechtheid.
In den loop van ons gesprek verhaalde HENRIETTE my wonderen van het huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had. Een slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het kerkboek, een slaaf voor den flacon. Zy kwam ook op haar kostschool, en klaagde over de naare Madame, die door al de meisjens gehaat was, en de allerliefste CLEMENTINE zus en zoo, haar beste vriendin, waarmeê zy in alles sympathiseerde." Zy had een onbegrijpelijken zin om in den Haag te wonen, of een reis door Zwitserland te doen; by welke gelegenheid zy liefhebbery toonde om alle bergen te bestijgen, die gewoonlijk niet door dames bestegen worden. Zy vond het onuitstaanbaar dat de men[ 150 ]schen hier over het gordijntjen gluurden als zy een dame te paard zagen, en dat men zich nooit in deze stad met een heer in 't publiek kon vertoonen, of er werd gezegd dat men verloofd was; eene grieve welke ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren aanhalen, maar waarvan ik het ijsselijke zoo ijsselijk niet inzie.
- ↑ De keggen zijn misschien aan mijne lezers niet zoo bekend als by de timmerlieden. Het is een soort van wiggen waarvan de eene kant schuin afloopt, terwijl de andere kant horizontaal is; zy dienen om, met kracht hier of daar tusschen geslagen wordende, zware lichamen eenigzins op te lichten, waterpas te stellen, of twee lichamen sterk tegen elkander aan te drijven.