Naar inhoud springen

Camera Obscura/Een treurige inleiding

Uit Wikisource
[ 135 ]

DE FAMILIE KEGGE[1]


Eene treurige inleiding.


Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bygewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar zy zich onderling het gezag beonder dien kampstrijd twisten, tot dat de lijder — meestal helaas — bezwijken moet. Voor my rijst menige angstige herinnering aan hare verschijnselen op. Ik zie nog de lijders, met die gebroken oogen, die zwarte lippen, die drooge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zy staan my voor den geest, zoo als zy nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hunne visioenen, en dan zich met eene kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, in hun bed ophieven, om daarna weder in een te krimpen als in dierlijken angst. Zy staan my voor den geest ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere verpoozingen, die den dood voorbeduiden. — Nog zie ik al dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven, dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik den kamfer en den muskus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht, het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen, "of dit nu niet de krisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zy zich met in hun oog goede teekenen vleien, den doctor een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang.... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had aangekondigd. Maar ook, Gode zij dank! er komen zoete herinneringen van herstelling by my op; by my, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling [ 136 ]der gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die honger, dat eerste opzitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas wijn dat werd toegestaan. O, gezond te zijn is een ontschatbaar bezit; maar uit eene ziekte te herstellen is een zalig genot!

In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het is de gewoonte onder studenten, in zulk een geval elkander een bezoek te brengen. De jongeling beviel my. Hy was van een openhartig, aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hy zeer teder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hy in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hy niet weder zou zien dan na zijne bevordering, waarom hy zich ook zoo veel mogelijk met zijne studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hy my lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze ancienniteit te veel verschilden, my niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch een enkele maal; en scheen hem dat dubbel aangenaam te zijn, omdat hy met my vrijuit spreken durfde over datgene, wat hem zoo na aan 't harte lag, en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.

By een dier bezoeken klaagde hy my sterk over een zekere vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat WILLIAM KEGGE, zoo heette hy, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt het nimmer aan gezelschap, en er sterft er misschien menigeen aan te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit, waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling, als hy toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost in de veêren zoekt dan eene nijvere huismoeder, zoo was dit toch erger dan ik my had voorgesteld. WILLIAM was echter zeer monter en opgewekt. Ik merkte dadelijk dat hy koorts had. Twee zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen kaart in een party hombre, die dien namiddag in de Paauw gespeeld was, waardoor zyhem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig kaarten, in allerlei samenvoeging voor te stellen, gewisselijk eene aangename tijdpasseering voor een zieke, maar toch wel wat vermoeiend. Ik gaf de beide ziekentroosters een wenk om dit gesprek liever te staken, en had wel gaarne hen beide zien vertrekkem. Ik ried daarop den patient zich stil te houden; draaide de pit van de lamp wat neêr, en liet het open bedgordijn vallen. [ 137 ]

Ik verzocht hem een doctor te nemen; maar hy wilde er niet van hooren; een der vrienden zou by hem blijven tot dat hy sliep, en men zou den anderen dag afwachten.

Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman by my.

"Het was niemendal goed met menheer! hy was in 't midden van de nacht wakker geworden; had haar thee laten zetten, en was, wat zy volstrekt niet van haar menheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarby had hy haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze der tranemontanen haast was kwijt geraakt, en de schrik haar nog in de beenen zat. Zy geloofde dat het niet goed was geweest dat menheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend,"" enz, enz. Ik kleedde my en ging hem terstond zien.

Hy had nog koorts, en nu veel heviger; was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hy wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hy was, en liet oogenblikkelijk een doctor halen.

De doctor kwam, en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekenkamer ingericht; de patient met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen; het was een oud vrijer, die nooit zieken had bygewoond, en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en bekrompen van gevoel. Hy liet my het bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en te gelijk hartelijke vrouw. Zy deed haar best; de doctor deed zijn best; een paar jongelingen, die ik uit de menigte die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met my al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van angsten en tobben droegen wy den armen WILLIAM KEGGE naar het graf.

Eene studentenbegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor den dood! Zy weten het wel, maar zy moeten het zien, om er zich van te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien àllen doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien àllen even zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het MEMENTO MORI zien konden dat vooruit gedragen wordt. Ook moesten de nooders van de liefhebbery afzien om met den langen trein te pronken, en hen die hem uitmaken te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de stad! Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode gedragen, of indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie afkomstig zijn. Voor WILLIAM had men geen twaalf landgenooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden [ 138 ]droegen hem. Hy had nog zoo kort aan de hoogeschool verkeerd ……! Er was misschien onder dezen zelfs niet een enkele, voor wien hy zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. Althands hy had in de laatste nacht van zijn leven, in een oogenblik waarop hy volkomen by zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de letters E. M.

"Bewaar dat" — had hy met flaauwe maar nadrukkelijke stem gezegd — "het was my heel dierbaar."

Meer had hy er niet bygevoegd.

De voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke WILLIAM behoord had, hield eene korte toespraak by het open graf. Toen wierpen wy, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen, zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen tegen kersttijd de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van WILLIAM KEGGE waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsvermogen moest byeenroepen om zich voor te stellen, hoe die WILLIAM KEGGE er by zijn leven had uitgezien.

Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, was hy zoo verlegen met de zaak dat ik eindelijk op my nam den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het doodsbericht en zijne verandwoording omtrent de zaken van den jongen overledene zoo ras mogelijk volgen zoude. Ik vervulde dien moeielijken plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide ontfing ik van den vader van KEGGE een brief vol van wel wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in andwoord.

Twee jaren later kwam de familie KEGGE zelve in Nederland, en zette zich (zoo als ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik kreeg hier het eerst kennis van door een kistjen havanah-cigaren, per diligence ontfangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen, inhoud:

"Een klein reukoffer van dankbaarheid, by onze komst in het moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is gekomen, en gy zult hartelijk welkom worden geheeten door

JAN ADAM KEGGE.
  1. Hier volgen de sedert de 3e uitgave (1851) bygevoegde nieuwe stukken.