Naar inhoud springen

Camera Obscura/Meisjeskwelling

Uit Wikisource
Ouderenvreugd Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets)

Meisjeskwelling

Vriendenhartelijkheid
Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn.
[ 239 ]
 

Meisjenskwelling.


KLAARTJEN DONZE zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw VERNOOY in de vensterbank, en maakte een schellekoord voor den aanstaanden verjaardag van haar vader, en hief tusschen beiden haar lief gezicht op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal teleurgesteld weder af en tot haar werk.

KLAARTJEN DONZE was eene frissche, vrolijke, prettige geldersche deerne, van nog geen achttien jaar. Zy had bruin haar, in vele lange krullen langs haar wangen nedervallende, en voor het overige in een zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwit voorhoofd, groote, blaauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag, blozende wangen, en een mondtjen zoo plaisirig geplooid, dat men niet wist wat men er liever van krijgen zou: een kus of een zoet woordtjen.

KLAARTJEN DONZE was buiten opgevoed; had als kind alle jaren het eerste groen gezien; kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den kuifbal geslagen, en, zoo lang zy een pantalon droeg, op een hit gereden. Zy kende alle soorten van boomen onderscheidenlijk, en wist daarenboven wat ze waard waren. Zy kreeg alle jaren te paschen een potlammetjen en hield op den zolder van een schuur meer dan twintig duiven, die uit haar hand aten. Zy groette de knapen van het dorp niet als mannen of "vrienden," maar als JANNEN, HENKEN, KOERTEN, of hoe zy heeten mochten. Zy zag niet op tegen een beetjen sneeuw of een beetjen vorst, en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen.

KLAARTJEN DONZE was sints eenige dagen by haar oom en tante VERNOOY te Rotterdam gelogeerd. Zy was nog nooit in Holland geweest, en had zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrij wat tegengevallen, en ook wist zy niet dat keien en klinkers zóó vuil konden wezen, als die van Rotterdam by slecht weer doorgaans zijn, wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve rotterdamsche zelve) als of het waterchocolaad geregend heeft. Een paar malen was zy uit geweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels; de Boomtjens en de vrolijke Wijnhaven met hare schijnbaar door elkaar gewarde schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvenhaven met zijne statige huizen, bevielen haar nog al; maar het Nieuwe Werk vond zy de moeite niet waard eene wandeling genoemd te worden, en de plantaadje telde zy onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde haar het ruime watergezicht op [ 240 ]het Hoofd; maar oom VERNOOY, die het haar deed genieten, vond het er te winderig, en moest er den rug aan toekeeren, terwijl zy met een lachend gezicht den wind liet begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen het luifel, en de punt van haar shawl achter haar opdreef. Voor het overige liep zy met meer gerustheid achter de paarden in haars vaders stal, of onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte van óverrijwagens, die zy altijd meende dat het opzettelijk op hare voeten gemunt hadden. Meer dan akelig vond zy het, wanneer (als in de Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor hare voeten opende, of smeerige pakhuisknechts met rollende vaten haar gedurig noopten haar toe, vlucht te nemen tot een of anderen stoep, en als er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten, dat van onderen scheen genoemd te worden.

Haar oom en tante meenden het zeer wel met KLAARTJEN, en waren allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren gevraagd hadden, by gelegenheid dat zy hare ouders in den verleden zomer op een klein toertjen naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar zy namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. KLAARTJEN had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de hollandsche en fransche acteurs uit den Haag beurtelings het tooneel betraden, en niet minder dan drie concertzalen; dien ten gevolge had zy zich voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen zouden bydragen en haar op een gantsch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer VERNOOY was de goedhartigste koopman die ooit op twee beenen liep, en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam woord uit zijn mond; hy was altijd even joviaal en opgeruimd; maar des avonds als hy zijn kantoor sloot, toog hy naar de societeit Amicitia en maakte daar zijn vaste partijtjen; daarop kwam hy met slaan van tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hy uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets gekomen.

Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve KLARE niet ter neer geslagen. Zy bleef haar eigene vrolijkheid behouden, ofschoon zy nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.

Nu zat zy in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich over het aantal malen dat een lantarenvulder door de volksmenigte in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks twaalf ure, en het koffygoed stond op tafel.

Mevrouw VERNOOY kwam binnen. Zy was eene dikke dame van een veertig jaar met een rozenrood gezicht en eene belangrijke onderkin, en die als zy sprak eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zy droeg eene heele blonde tour onder haar muts, en was gekleed in een schotsch[ 241 ]merinoschen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette zy haar sleutelmandtjen op tafel neer, en begon koffy te zetten.

"Nu, KLAARTJEN," zeide zy, terwijl zy water opgoot, "er is goed nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."

"Tegen overmorgen, tante!" zei KLAARTJEN, het schelkoord op de vensterbank neerwerpende en een vrolijk gezicht toonende.

"Ja," andwoordde mevrouw VERNOOY; "raad eens, wat?"

"We gaan naar de comedie?"

"Neen, kind! er is vrijdag geen comedie."

"Naar het concert?"

"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden komen, voegde zy er by: "we gaan uit dineeren."

"Uit dineeren," hernam KLAARTJEN, een weinig nedergeslagen; "en by wie?"

"Ja, dat is het punt! by wie?"

"Dat kan ik onmogelijk raden."

"Nu; ik zal 't je dan maar zeggen; by de familie WITSE. GERRIT is overgekomen.... Nu, KLAARTJEN, bloos maar zoo niet."

"Lieve tante, ik bloos in 't geheel niet," zei KLAARTJEN, opstaande en in den spiegel kijkende; ik heb immers dien man nooit in mijn leven gezien! "

"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met een lachjen: "en hy interesseert je wel."

KLAARTJEN liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op. Indedaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid genoeg van den jongen WITSE vernomen had. Mevrouw VERNOOY was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt, maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zy had volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotterny had uitgelokt dat zy er wel gehad, maar ze even als SATURNUS, heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar zy twee meiden hield, die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zy had niets te doen. Van lectuur hield zy juist niet byzonder veel, behalven als zy ziek was, iets dat haar zeer zelden gebeurde; en daar zy zich toch gaarne ergens meê vermaakte, had zy er hare zinnen op gezet te bestudeeren, welke menschen in Rotterdam en elders al zoo geschikt waren om te zamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze berekeningen tot geen degelijk resultaat, maar nu een mooi nichtjen te logeeren hebbende, kon zy niet nalaten haar in dit opzicht zoo speculativen geest met deze bezig te houden, met het vast voornemen de slotsom harer overdenkingen indien mogelijk te verwezenlijken. Na lang rondzoeken, reeds voor dat KLAARTJEN gekomen was, en na haar in gedachten meer dan tienmaal telkens met [ 242 ]een anderen bruidegom voor het altaar te hebben gebracht, was zy eindelijk stil blijven staan by het denkbeeld dat de jonge student WITSE een geschikte party voor haar nichtjen zijn zoude. Deze was een jaar of vier ouder dan zy; zijne ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand in de gantsche erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer en mevrouw VERNOOY. Toen zy dit huwelijk alzoo by haarzelve had vastgesteld, kon zy zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor KLAARTJEN denken ten zij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken stand voltrokken en vervolgens door haar lievelingspreêker ingezegend was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van haar Ed, geloof te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zy twijfelde er dan ook geen oogenblik aan of GERRIT zou tijdens het verblijf van KLAARTJEN wel eens overkomen, en pijnigde zich met te willen uitspeuren hoe deze overkomst des noods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig aan de woorden van haar grooten tijdgenoot NAPOLEON BUONAPARTE (van wien zy, in 't voorbygaan gezegd, nog niet volkomen geloofde dat hy volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bevriest als de vurige geestdrift van anderen, was zy begonnen om dagelijks op zeer ongepaste oogenblikken, uit eene opene rede, den roem van den jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen die zy uit den mond van mijnheer en mevrouw WITSE had opgevangen; en daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van GERRITS knapheid nederkwamen, en inhielden hoe werkzaam GERRIT was, en hoe verstandig GERRIT zich te Leiden onder de jongelui gedroeg, en hoe gezien GERRIT by zijn professoren was, en hoe GERRIT in alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige KLARA natuurlijk geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een ondragelijken pedant, een soort van wezen 't welk in hare oogen wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden; weshalve zy zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch te vragen, by zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of hy moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haar vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw WITSE had de dwaasheid gehad, zonder GERRITS weten, daar by zelfs niet vermoedde dat zijn goede mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van een paar versjens, die GERRIT op zijn twaalfde jaar gemaakt had, en die natuurlijk middelmatig waren, maar zoo als verzen van kinderen meestal, in zulk een hoog ernstigen toon geschreven, en zoo vol van dood en eeuwigheid, dat KLAARTJEN, aan wie zy getoond waren, er in haar hart vreeslijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet tot den graad van vrolijkheid op, waarop hare tante gerekend had. [ 243 ]

"Het zal zeker een heel feest zijn, ging deze waardige dame voort, om KLAARTJEN tot grootere verrukking te nopen; "GERRIT is gepromoveerd."

"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer VERNOOY in, die juist binnentrad; zóó ver is het nog niet."

"Ja wel!" zei mevrouw VERNOOY, die voor iedere afdinging bang was; "ja wel, schathef; hy is gepromoveerd."

"Waarlijk niet," andwoordde hy, zich in zijn armstoel vlijende, maar hy heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. WITSE heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft; maar hoe het examen heette, dat ben ik vergeten; zoo veel is zeker: den eenen dag heeft hy een heel lijk geanatomiseerd, en den anderen dag heeft hij... enfin! heeft hy weer wat anders gedaan; maar alles even knap."

"Bah," zei KLAARTJEN; "een lijk."

"Hy heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw VERNOOY.

"De hoogste wat?" vroeg haar man.

"De hoogste..., och, hoe hiet het ook weer; ik meen het hoogste, weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zoo veel als primus op 't latijnsche school. Hy was alle jaren primus. Weetje wat primus is, KLAAR?"

"Neen, tante!" zei KLAARTJEN, die het zeer wel wist, maar met een allereenvoudigst gezicht.

"Primus is" andwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon, "als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op de latijnsche school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de fransche kerk, en dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"

"Neen, tantelief.

"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw VERNOOY en haar echtgenoot te gelijk. Waarlijk niet."

"Gunst, weetje dat niet," ging de tante voort; het is een bedankje voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw WITSE mee, als het prijsuitdeeling was, maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens, GERRIT deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hy op moest komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei; hoe was 't ook weer?"

"Ja," zei VERNOOY, "hoe was 't ook weer; acide WITSE..."

"Et excipe pryzia; ją, KLAAR, ik ken ook me latijn. Weetje nog wel van op één na de laatste keer. VERNOOY?"

"Wel zeker!" andwoordde deze met rustigheid, ofschoon al de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward dooreen schemerden.

"Hy was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort; "o het stond zoo grappig, één zoo'n lange jongen onder al die kleinen. Maar hy was ook de eenigste die een rok aan had. En die nieuwe handschoenen, weetje wel, VERNOOY?" [ 244 ]

„ Ja," zei VERNOOY met een lief lachjen, dat hy niet wist thuis te brengen; met die nieuwe handschoenen."

"Ze droegen toen vervolgde zijn wederhelft, van die heele geele handschoenen; dat herinner je je nog wel, KLAAR! patte de canard, weetje? Nu, die had hy ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n eerst fatjen! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke platte toppen, je weet wel!"

"Ja, zulke lange platte toppen," lachte VERNOOY. "Ja, wat gebeurde er ook weer met die handschoenen?"

Dit was gewaagd. De heer VERNOOY bouwde op de enkele, hoezeer wel eenigzins opgevijzelde vermelding van een paar eendenpootgeele handschoenen de vermetele onderstelling, dat zy waarlijk een historischen rol hadden gespeeld, terwijl zy niets dan een lijdelijk sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad, voor den jongen heer WITSE.

"Hoe meenje dat, VERNOOY?" vroeg zijne gade met bevreemding; "er gebeurde niets mee, voor zoo veel ik weet."

"Ja wel!" andwoordde de gemaal, bloedrood wordende, en zijn kopjen uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen; "ja wel, er gebeurde iets met die handschoenen. Liet hy ze niet zoo gek vallen of zoo; ja, daar staat me iets van voor."

Tante had gedurende deze flaauwe herinnering altijd door ongeloovig het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat weet ik dan niet; maar ik weet wel dat het mooi was om hem te zien: ik kon er niets van verstaan, dat voelje. KLAAR, want het was alles latijn... of was het ook grieksch, VERNOOY?"

"Ja," zei VERNOOY, zijne wenkbraauwen veelbeduidend zamentrekkende: "als ik me wel bezin, geloof ik dat het grieksch was."

"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hy met zijne handen op de tafel, waaraan de… hoe hiet het ook weer? zaten."

"Curatoren," vulde VERNOOY aan.

"En dan lei hy zijn hand op zijn hart, en dan stak hy haar rechtop; want er kwam van den hemel in, en alles zóó netjens, zóó knap, en zóó gracieus..."

"En alles met handschoenen patte de canard?" vroeg het schalke KLAARTJEN.

"Alles met handschoenen patte de canard, " ging tante voort in haar goelijken ijver om haar nichtjen door alle mogelijke woorden, wenken, en tafereelen voor den jongen WITSE te intéresseeren; "het was een lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat hy 't het mooist van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."

"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde VERNOOY; "me dunkt toch..." [ 245 ]

"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie nog eene schaduw werpen zoude op de bevallige schildery, die zy van GERRIT als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er was heusch niets van. Ik weet wel dat we gelachen hebben om dien kleinen jongen, die zoodra hy het boek in zijn hand had, zich omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat."

"Dat zal het geweest zijn, zei de goedhartige echtgenoot, die blijde was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen, ik zie hem nog vóór me."

"Maar zeg, tante," vroeg de geldersche zoo naïef als zy kon, "mijnheer WITSE heeft nu toch geen prijs gekregen, wel?"

Wel neen, kind! aan de academie — wel foei. Of het zou een medaille moeten geweest zijn," liet zy spoedig volgen, om ook van deze wending party te kunnen trekken; "heb je daar ook van gehoord, VERNOOY?

"Neen," zei "VERNOOY, "neen, dat's 't geval niet men krijgt by zoo'n gelegenheid een graad."

"Nu juist een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik daareven gezocht. GERRIT is zeker van den hoogsten graad, niet waar?"

"Zeker, zeker," zei de heer VERNOOY; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft hy ook geschreven."

De lezer weet beter, maar VERNOOY, die gaarne iedereen en vooral zijn vrouw zoo veel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze byzonderheid, in de schatting der eenvoudige KLARE, den laatsten doodsteek gaf aan den persoon van GERRIT WITSE, dien zy zich nu onmogelijk anders voor kon stellen dan als een verwaanden wijsneus met de geele handschoenen van de promotie, spreekt van zelf, en wordt door een iegelijk gevoeld die aan neuswijze knapen en geele handschoenen een hekel heeft. Lang had zy zich goed gehouden; maar nu moest zy eens met blijkbare ironie spreken.

"Nu," zei KLAARTJEN, "ik verlang ijslijk om dat wonder van geleerdheid toch eens te zien."

"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," andwoordde haar tante, die het al weer ten besten opnam. "Daar bloosje al weer. Nu zulje me toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisjen. Wat zeg jy, VERNOOY, bloost ze niet razend?"

"Allerverschrikkelijkst, " andwoordde VERNOOY. En zeker het moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men bedenkt dat KLAARTJEN, in de schaduw van een overgordijn, met den rug naar het venster zat en dat wel naar een venster in de rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der oudste hoogstratenaars, de zon nog nimmer geschenen heeft. [ 246 ]
"KLAARTJEN," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen, dat hy niet met je hartjen strijken gaat, hoor!"

"Dat heeft geen nood, oom."

"Nu ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal, "zei tante; "bewaar het goed, kind!" En zy hoopte dat deze vermaning voor het jonge meisjen zoo veel zeggen zou als: "werp het den jongeling hals over kop voor de voeten."

In dat geval stond de kans zeer slecht, want KLAARTJENS tegenzin had zich hoe langer hoe vaster geworteld.

"Zoo'n wijs heer zal op my niet letten!" zei KLAARTJEN overluid, en ik ben ook tegen zoo veel geleerdheid niet opgewassen. "In stilte dacht zy: al was hy zoo wijs als SALOMO, hy zal er by my niet aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."

Zoo onschadelijk was de koppelliefhebbery van tante VERNOOY.