Camera Obscura/Oudervreugd
| ← Studentenangst | Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets) | Meisjeskwelling → |
| Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn. |
Ouderenvreugd.
Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op zijn gelaat begroette de heer WITSE zijne gade aan het ontbijt.
"Morgen komt onze candidaat thuis," zeide de heer WITSE.
"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.
"Onze student," andwoordde de heer WITSE. "Maar hy is nu candidaat. Hy schrijft my dat hy zijn examen gisteren gedaan heeft. Het zal wel goed geweest zijn, daar ben ik niet bang voor."
"Wy beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw WITSE, water op de thee schenkende. Is het niet buitengewoon gaauw, dat hy dat examen gedaan heeft?"
"Zeker liefste, zeer zeker. Hy is pas vijf jaren te Leiden, en je [ 236 ]moet denken, hy heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen..."
"Zijn propaedeutisch, niet waar?" viel mevrouw WITSE met deftigheid in, trotsch dat zy het moeielijke woord zoo goed had leeren uitspreken.
"Juist, mijn kind! Dat is een ding, daar de meesten luchtig over heen loopen. Maar hy heeft er zijn werk byzonder van gemaakt. Hoor eens, hy kost ons daar ginder een handvol geld, maar de medicijnen, heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hy moet niets verzuimen."
"Maar hoe lang zou hy er nu nog wezen moeten, nu hy candidaat is?"
"Wel, ik weet het niet. Hy wilde er graag de chirurgie en de obstetrie by leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar hy dan ook geschikt voor is!"
"Zoo, zou je dat denken?" vroeg mevrouw WITSE, het mes, waar zy zich een boteram meê maakte, halfweg in het brood latende steken, en haar man strak aanziende.
"Alles is mogelijk, liefste! " andwoordde haar echtvriend, den brief nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne wezenstrekken.
"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder, terwijl zy hare oogen zedig nedersloeg, en met eene byzondere oplettendheid haar boteram in reepjens sneed.
"Wat meenje?" vroeg de heer WITSE, die hetzelfde meende als zijne egade.
"Wel! " andwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote naauwkeurigheid beschouwende, om zoo 't een of ander te worden."
"Wat een of ander, moedertjen?" vroeg de echtgenoot lachende, en van verlangen brandende het groote woord dat hyzelf niet uit dorst spreken, van de lippen van zijne wederhelft te hooren.
"Wel," andwoordde mevrouw WITSE; hoe oud was de jonge hoe-hiet-ie-ook-weer zoo wat, toen hy professor wierd?"
"Tut, tut, tut!" andwoordde de heer WITSE, terwijl zijne oogen van genoegen schitterden, en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog; "je moet zoo hoog niet vliegen, moedertjen. Als hy maar een knap doctor wordt, dat is heel wel."
"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zy zich zoo onvoorzichtig had uitgelaten. "Het hoeft ook niet; ik zal heel te vreden zijn als hy maar gelukkig is in de praktijk. Wy mogen ook niet alles vergen."
"Wel neen!" zei de heer WITSE.
"En daarenboven" — ging mevrouw voort — "wie weet of het goed voor hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst studeeren!"
"Dat moet hy zeker, vrouwlief!" was het andwoord; maar dat was voor onzen GERRIT het minste." [ 237 ]
"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van GERRIT; maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen dat ik er nooit aan denk."
"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" andwoordde GERRITS vader.
"Neen!" zei GERRITS moeder; dat nu juist niet."
"Het is meer gebeurd," zei WITSE, zonder eigenlijk te weten wat dit beduidde.
"o Ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben," zei mevrouw.
"Men kan zich niet meer appliceeren dan GERRIT," hernam WITSE.
"En hy zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te onderwijzen!" ging zy voort.
"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in 't oog houden," voegde hy er by.
"Het zou een groot geluk wezen!" merkte zy aan.
"Dat zou het zeker," verklaarde hy; "maar je kunt er niet op aan: Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die prijsvraag."
"Maar hy had toch het accessit," zei de moeder.
"Hy had de medaille moeten hebben," zei de vader.
"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles aan het geluk begon toe te schrijven.
"Het zou goed klinken, zei de vader: "professor WITSE!""
"Och kom, WITSE!" zei de moeder, wier beurt het nu was om nederig te zijn; "vlei er je toch niet meê!"
"Dat doe ik niet!" andwoordde haar echtvriend; "ik zeg maar dat het mooi klinken zou."
Er volgde eene stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad, en mevrouw zette een boordtjen van een kous op; maar hun beider gedachten waren by het professoraat van GERRIT, waarvan zy zich elk voor zichzelven overtuigd hielden, indien maar, in dit ondermaansche, ware verdiensten op haar rechten prijs werden geschat.
Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete overdenking verdiept. Daarop brak de heer WITSE het stilzwijgen.
"We moeten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt me?" zeide hy.
"Dat heb ik ook al gedacht," andwoordde zijn eenstemmige dierbare.
"Een dineetjen zou wel aardig zijn."
"Ja; wie al zoo? de VERNOOIEN, dunkt je niet?"
"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de VAN HOELS vóóral! Vrijdag is nog al een goede dag."
"Maar we moeten volstrekt mevrouw STORK hebben."
"Die kent GERRIT in het geheel niet, merkte WITSE aan.
"Goed!" andwoordde zijn gemalin. "Voor mijn rekening; zy zal hem wel bevallen; 't is een allerintéressantste vrouw. Weetje wel dat [ 238 ]er by VERNOOY een nichtjen gelogeerd is? Dat is ook een vreemdtjen. Nu, hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook by. De jonge HATELING?"
"Ik weet niet of GERRIT wel heel HATELING-achtig is," merkte mijnheer WITSE aan.
"He, waarom zou GERRIT niet HATELING-achtig zijn?" vroeg mevrouw; "'t is een heel aangenaam jong mensch, en ik vind het zoo'n knap uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken: HATELING-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt GERRIT nu eigenlijk? Sedert hy op de academie is, gaat hy met niemand van de rotterdamsche jongelui meer om."
"My is 't wel," zei de heer WITSE. "En zouden we WAGESTERT ook niet vragen?"
"Wel zeker! WAGESTERT," andwoordde zijn egade; "dan zijn we secuur dat het een vrolijk diner wezen zal."
Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van GERRIT was opgemaakt, was er echter by de keuze der gasten weinig op zijn genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit ouderenpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den oppassenden zoon een genoegelijken dag te bezorgen.
De heer WITSE ging dien dag reeds vroeg uit om verseheidene bezoeken af te leggen, en hy deed zulks met den brief van GERRIT in den zak, en gaf aan alle huizen waar hy kwam breed op van de ongehoorde kundigheden van zijn zoon GERRIT. Daar zijn verscheidene wegen om een zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer WITSE had sedert lang dezen ingeslagen.
Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer WITSE was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand, en notaris van beroep. Hy had een zeer goed en helder verstand en ook veel verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen dat hy zijn zoon als kind bedorven of over 't paard getild had, want hiertoe was hy te beredeneerd geweest; hy had den jongen GERRIT eene zeer goede opvoeding gegeven, en wel onder den duim gehouden. Maar zoo ras hy als student was ingeschreven, had hy de onbepaaldste hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde niets te zijn, in vergelijking van een zoon, die ja zich altijd zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar en onderscheidend inzicht aankwam. De beste zijde van 's mans overtuiging in dezen was, dat zy hem zeer liberaal denken deed over alles wat de studiën en bekwaamheden van GERRIT kon uitbreiden en in de hand werken; GERRITS bibliotheek [ 239 ]was een van de beste die ooit een medisch student bezeten had, en dat hy, na zijnen graad verworven te hebben, Berlijn en Parijs zien zou, leed geen twijfel.