Naar inhoud springen

Camera Obscura/Studentenangst

Uit Wikisource
Gerrit Witse Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets)

Studentenangst

Ouderenvreugd
Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn.

[ 229 ]

GERRIT WITSE.


Studenten-angst.


De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten, de Breêstraat, welke naar aanwijzen van oude oirkonden en van de adressen van brieven van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende, volgens ORLERS, langs eene breede straete, een schoon breed water, met hooge en groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelycken te wandelen is." Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd, en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks museum voor natuurlijke historie, de academische bibliotheek, en de hoogeschool zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoedig te hebben besloten, de verfraaiïng en opsiering der stad voortaan aan den smaak der respective inwoners over te laten, even als het gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappy tot Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op van een oud klooster, met moderne vensters, door eene nieuwmodische barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Indedaad wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan den voortgang van kunsten en wetenschappen en de oneindige vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen in zegening houden. Welk eene in 't oog vallende omkeering bracht de loop der tijden hier te weeg! Ter zelfder plaatse waar de schuchtere nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar traden, voor [ 230 ]hetwelk zy eenmaal met een blijmoedig en kalm hart de wareld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden in latere tijden de rampzalige groenen, in vertwijfeling aan alle aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rei der gesluierden, van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen choorzang aanhief, zou later eene zwartgetabberde rei de zitplaatsen bezetten en een gedegend doctorandus, ex auctoritate rectoris magnifici, tegen de gantsche wareld de stoute stelling volhouden, dat artikel honderd en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel honderd en zooveel, of wel dat men onbillijk is indien men alle kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebbery van tandenkrijgen toeschrijft, of anders dat een ooggetuige beter een historie schrijven kan dan iemand die by hooren zeggen leeft, en somtijds ook wel dat men hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in het nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thands nog kunnen volhouden, indien ik niet te vreezen had voor onnaauwkeurigheden, die Leidens vele oudheidkundigen my nimmer vergeven zouden. In het kort: alles wat men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd, behalve het latijn, dat veeleer verouderd is, en, tot den echten toon van CICERO teruggebracht, zijne klassiekste vormen met wonderbare smijdigheid leenen blijft en zal blijven leenen tot in het laatste der dagen, aan iedere wetenschap der wareld, het zij de romeinen daar eenig begrip van hebben gehad ofte niet.

Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat dat naast het eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt men, door eene hooge poort, welks posten met vele convocatiebriefjens beplakt zijn, een breeden gang binnen, waar men op het stille uur (het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruimen steenen wenteltrap op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en de deur openende die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich in een klein vertrek, met witte muren en een houten vloer, waarin men een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroesten kachel en toebehooren gewaar wordt.

Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het zweetkamertjen, en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort van vagevuur, waarin elk die de zaligheid van een examen ofpromotie wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet alvorens hy tot het genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In dat kleine kamertjen, o mijne lezers! hebben alle de groote mannen die aan de leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de wareld met hunne doctrinae praestantia te verbazen en te verrukken; in [ 231 ]dit kamertjen hebben zy allen, incredibile dictu, zich eenige oogenblikken klein gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen, uwe party met volzin op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die het hem niet vergeven had dat hy zoo slecht college had gehouden, en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets gelaten, als hy bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten dan hy zelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft, eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een andere dialoog van PLATO op zou slaan dan die waarin hy het beste thuis was. En daar heeft ook HILDEBRAND, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd zou kunnen worden!

Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patient het binnentreedt met een witten das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en gevolgd wordt van eenige vrienden en negligé, met cloaks, rottingen, petten, en honden. De patient gaat op de tafel zitten, en de vrienden loopen heen en weer. De patient fluistert, en de vrienden spreken luid. De patient beweert dat hy er in zit, en de vrienden beweeren dat hy gek is. De patient verlangt naar het oogenblik om binnen te komen, maar hy geeft voor dat hy hoopt nog lang buiten te blijven. De vrienden wedden dat hy den eersten graad zal krijgen, en hy wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patient heeft op dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van hooggeleerde voert, en beschouwt de faculteit als een raad van louter goden; de vrienden beweeren dat het gewone menschen zijn. De patient houdt het er wel degelijk voor dat zy van het crimineele beginsel uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten; en de vrienden beweeren dat zy alleen in de wareld gekomen zijn om een jong mensch er door te sleepen. De patient herinnert zich heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen; en de vrienden halen alle mogelijke anecdoten op van sluwe vossen, die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben, of een aardigheid gezegd by het krijgen van simpliciter. In 't kort, de patient doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hy morgen of overmorgen of over een maand een ander patient in de bange ure by moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles wat zy totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zy op hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertjen de ootmoedigste oogenblikken huns levens te slijten.

De persoon nogthands, dien ik mijne lezers wilde voorstellen, vol[ 232 ]deed in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hy dien, verzeld van slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hy had de zeldzame kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn examengeheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefjen ad valvas academicas niet aan te plakken; en degenen die er achter gekomen waren, dat hy gisteren zijne demonstratie (hy was medicus) had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.

Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon men volstrekt niet zeggen konde dat hy schoon was; en de witte das en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waarin hy verkeerde hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hy was van eene gewone grootte, maar de vriend, dien hy medebracht, kon geacht worden klein te zijn; een nadeel hetwelk hem niet belette er op dit oogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien, dan de examinandus. Zijne bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vrolijk gezicht en de vlugheid zijner bewegingen staken, wonderlijk af by den bedrukten ernst van hem, die in dit droevig kamertjen gekomen was om zich op de zenuwschokkende examenbel voor te bereiden.

De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op tafel neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hy genoot een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica.

"Vier minuten over tween. Toch nog te vroeg," zeide hy mistroostig.

"Wis en zeker te vroeg," zeide de kleine, "maar je hebt mijn raad ook niet gevolgd."

"En wat was je raad dan?" vroeg de ander afgetrokken, en naar den trap ziende; want hy hoorde daar op eenige beweging, en was nieuwsgierig of het prof. S. dan wel prof. M. zou zijn die het eerst verscheen.

"Mijn raad? lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot één ure, en geen enkel boek meer inzien."

"Neen, dat 's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding van dezen huidigen dag, daar hy met radelooze angst nu dit, dan dat dictaat had opgeslagen, van het eene boek den introitus nog eens had doorgelezen, en van het andere het register nog eens bestudeerd.

"Vervolgens hadt je moeten ontbijten; op je gemak weetje," ging de ander voort.

"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.

"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan raken," andwoordde de kleine.

"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.

"Ja, dat kan er naar wezen, zei die van den vloer. Je moet altijd denken dat het latijn is." [ 233 ]

"Dat's een geluk!" sprak die van den witten das; "ik wou niet dat het in 't hollandsch was; een stommigheid in 't hollandsch is zoo dubbel stom."

"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, maar je dient primo latijn te kennen, en ik voor my, heb me meer op me moedertaal toegeleid, weetje. Maar jy hebt nog al een aardig Cicerootjen in je mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet moeten aankleeden voor tweën."

"Daar heb je MACQUELIN al," zei de lijder.

"Je wou wel dat BROERS een operatie te doen had," zei de ziekentrooster.

"Mijnheer BROERS is al lang binnen," zei de pedel, en die brave kwam met een kwitantie van de college-gelden.

"GERRITJEN, GERRITJEN, wat zit je der in," ging de getuige voort.

"Wel een beetjen," andwoordde de gedaagde.

"Neen, niet een beetjen!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel, man! Maar as je my vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan moet ik zeggen: neen, kerel! want, weetje, je hebt toch maar slecht college gehouden, en dan dat je reis gezeid hebt dat de osteologie zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"

Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hy had geen genoegen.

"En daarenboven" ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het is bekend genoeg dat je een stommeling bent."

"Je steekt er den gek meê," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis, daar gaat de bel!"

Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot, en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen; maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan, en zett'e zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi.

Drie kwartier daarna werd er weder gebeld, en de jongeling moest buitenstaan. Bedaard trad hy met zijn satelliet de kamer uit; maar zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hy een voet hoog, en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hy was een ander man; er was licht in zijne oogen, en vrolijkheid om den mond.

"Hoe is 't geweest?" vroeg hy aan zijn vertrouweling.

"Minnetjens," zei de ander.

"Leelijkert!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.

"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi wezen als je den tweeden graad haalt."

"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en zijn aangezicht betrok weer.

Weer ging de bel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren. [ 234 ]

"Maakje geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.

Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de uitspraak af. De decanus sprak verscheidene latijnsche volzinnen uit, maar hy hoorde ze zonder ze te verstaan; hy wachtte slechts op één woord; en dat woord kwam: summa cum laude.

"Heb ik het niet gezeid!" zei de vriend, die gezegd had dat hy zich geen illusies maken moest, als zy samen den trap afstormden, met vrij wat meer geweld dan zy dien waren opgestegen.

"Ik had er een heimelijke hoop op, zei de man die een fijne flesch verwed had, dat hy den tweeden zou hebben."

"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita toen de candidaat thuis kwam en de trappen op vloog, om zich te verkleeden en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef, om vervolgens hem in triomf naar de societeit te voeren; "ik heb de heele week al gedacht, menheer moet zeker een examen doen! — En meheer heit toch vast simma cum laudis?"

"Ja, juffrouw!" zei de ander, daar kon je wel zeker van zijn, ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was.""

"Nou, niet waar?" zei de juffrouw. 't Is een beste heer, en knap ook; maar weetje wat et is, hy het geen forducie op zijn zelvers; en as het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn; net as meheer POSSEL, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje, dat was ook zoo. As dat een examen doen most, ik en me man, we hebben menigmaal teugen mekaar gezeid, hy kan wel in een oortjens doossie; hy wist zijn dingen wel, daar niet van, maar de schrimpeljeuzigheid, weet u. Ik ben altijd maar blij as U by meheer komt, want hy is anders zoo'n vrolijk mensch, net as meheer ook; maar in die dagen is het dan onnoozel!"

De candidaat kwam beneden, en werd door de hospita "wel gefiliciteerd." Daarop toog het tweetal naar de societeit, en ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was zeer bemind. Alleen werd zijne vreugd verbitterd door een paar jongelui die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met informatien hoe die en hoe die vroeg, en of ze dat weten wilden, en daar diep intraden; op alle welke vragen de candidaat niets anders andwoordde dan dat het hun mee zou vallen.

De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn, en na den eten kwam er een drowski voor, en reed de candidaat met een vriend en nog een vriend naar den Deyl (het was in february), en dronk daar thee; en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertjen, en den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart ankertjen cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven vensterramen (het was nog altijd in february), vele cigaren te rooken en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er kurken van champagneflesschen, en zaten twee der vrienden hoogdeftig te redetwisten [ 235 ]over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen in eene vergelijking van de kantsche en hegeliaansche philosophie, waarvan geen van beiden iets af wist, en stelde een vijfde een toast in op de harmonie tusschen de faculteiten.

En 's nachts om twee uren waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertjen na, die met kleine oogen zat te luisteren naar een verhaal, dat de candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed: hoe hy hartstochtelijk verliefd was op een meisjen, dat hy verleden jaar, op een voetreisjen door Gelderland, op een terras van een klein buitentjen had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hy by juffrouw SCHREUDER toevallig een vrouwenportretjen had gezien dat op haar leek als twee droppelen waters; en hoe hy dat dadelijk gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van het zweetkamertjen hem zwoer dat hy het aan niemand vertellen zou, uit vreeze van anders alle geldersche meisjens die kleine buitentjens hadden en witte duiven hielden op de spraak te zullen brengen. Maar daarop nam hy het ernstig, en stelde een toast op de lieve dame in, en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend vertelde daarop dat ook hy dol verliefd was, maar dat hy ongelukkig in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was: waarop het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisjen in een kostschool, dat hy alle zondagen in de fransche kerk zag, en zijn tweede op een meisjen dat al in stilte geëngageerd was geweest, en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend tegen hem was," en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen daags 's morgens om acht ure werd de candidaat wakker, met het zalige gevoel dien dag geen examen te behoeven ondergaan.