Naar inhoud springen

Camera Obscura/Een grote Hans en een adelijk heer

Uit Wikisource

[ 210 ]

Een Groote Hans en Adelijke Heer. Besluit.


Maandagmorgen ten één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg is het om twaalf ure middag te noemen; op dien dag en dat uur, stond ik op het bordes van het huis des heeren WILLEM ADOLF, baron VAN NAGEL, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad waarin al het boven vermelde moet zijn voorgevallen.

Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten, den roem nalatende, die meerder was dan hun adelbrief, den roem van beminnelijke menschen.

Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur, liet my in eene ruime zijkamer, en vertrok niet eer om my te gaan aandienen, dan nadat hy my, geheel op de manier van een welopgevoed man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.

De kamer had een eenigzins ouderwetsch, plechtig, maar toch comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men by iemand van goeden smaak was. Het behangsel was rood trijpt, en desgelijks de canapés en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waar onder, op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schildery, het portret van een man, met de witte kraag en den met ruig bont omzoomden tabbaart der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende, ofschoon het hair spierwit was; en in neus en mond was een sterke gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der NAGELS niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal aangenamer aandeed dan de kleurige pracht by de KEGGE'S.

De heer VAN NAGEL liet wel wat lang wachten, maar toen hy ook binnentrad was hy geheel gekleed. Hy heette my terstond te gaan zitten, en vroeg met het welwillendste gelaat der wareld, wie ik was, en wat ik hem had meê te deelen. Ik maakte my bekend.

"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen moet behandeld worden?"

"Ik zou zeggen van neen," andwoordde ik.

"Wees dan zoo goed my te volgen," zeide de heer NAGEL, die mijnen naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik in het belang van de moederlooze SUZETTE kwam.

Hy ging my voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in dit saizoen door een groot chineesch verlakt kamerschut was beperkt. Die kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van zichzelve stemmen kan. Er was eene liefelijke eenstemmigheid tusschen [ 211 ]het lichte behangsel en de zware sleepende damasten gordijnen, die allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm by den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat, op het vrouwenportret dat boven den piano (zeldzaam voorrecht!) op het rechte licht hong, en tusschen dat gelaat en de edele en teffens zoo zachtmoedige trekken van den baron en van de jonkvrouw VAN NAGEL.

Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik my by hem interesseeren kwam voor een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking by de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl), gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem noodlottig voornemen had opgevat, om naar de West te gaan, en dat ik dat voornemen door tusschenkomst van zijnEd, hoopte te verijdelen.

"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hy glimlachende; "nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"

Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren REINDERT DE MAETE sprak.

"Een oppassende jongen! merkte de heer VAN NAGEL aan, zonder my evenwel in de rede te vallen.

"Van zekeren REINDERT DE MAETE," zeide ik, wien men, en wel voornamelijk een zekere mijnheer BOUT, die aan het hoofd schijnt te staan van het bureau, waarop hy klerk is..." (De heer VAN NAGEL zag zijne dochter veelbeteekenend aan) de West-Indiën zoo schoon en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hy, vol ambitie, en gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er naar toe te gaan. Ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering had plaats gehad, daar de heer BOUT reeds voor hem, en met zijne toestemming, een engagement met zijnen (BOUTS) broeder, die in Suriname een plantaadje scheen te hebben, had aangegaan, dat hem als eerlijk man verplichtte, met de eerste gelegenheid te vertrekken...."

"En nu is uw verlangen, zei de heer VAN NAGEL, met voorkomende goedwilligheid, dat ik den jongen DE MAETE zijn ontslag weiger."

"Hetzelfde," andwoordde ik.

"Welnu!" zeide hy, hy zal het niet hebben, mijnheer HILDEBRAND! Hy zal het niet hebben, CONSTANCE! Wy laten onze kinderen niet weggaan, op eene recommandatie van den heer BOUT. Hebt gy ooit van een broer van den heer BOUT gehoord, die in de West zou zijn?"

"Nooit, papa! " andwoordde de freule.

Welnu, mijnheer! " hernam de baron, "wy kennen mijnheer BOUT, en wy kennen den jongen DE MAETE. Wy zullen alles in orde brengen. Kent gy die beide heeren?"

"Den heer BOUT zag ik een oogenblik. DE MAETE heb ik nooit gezien." [ 212 ]

"Zoo, zoo," andwoordde de heer VAN NAGEL; "nu, wees gerust. Ik zal de zaak onderzoeken. DE MAETE zal niet naar de West-Indiën gaan. Eene vraag, zoo het niet onbescheiden is; waarom interesseert gy u zoo zeer voor iemand, dien gy in 't geheel niet schijnt te kennen?"

Die vraag maakte my verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht wezen, waarmede de baron op mijn andwoord wachtte.

"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is eene dame in het spel, een jong meisjen, dat belang stelt in den jongen DE MAETE, maar dat evenmin van den stap onderricht is dien ik heden doe, als de jonge DE MAETE zelf."

"Ik dacht het haast," zei de heer VAN NAGEL, glimlachende. "Nu, de zaak is er niet erger om, geloof ik."

Ik maakte eenige beweging om heen te gaan.

"Wacht nog een oogenblik," zeide hy, en zou voortgegaan zijn, maar de knecht kwam binnen en diende den heer VAN DER HOOGEN aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig onderdrukt.

"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan, dat ik en besogne ben."

"Mijne dochter," voer hy daarop tot my voort, heeft u gisteren, geloof ik, ergens ontmoet?"

"Wy waren beiden in het huis eener treurende."

Gy kent die juffrouw NOIRET?"

"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten van lieden uit den kring tot welken zy nu behoort."

"Zy maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer VAN NAGEL voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden meisjen, en zy heeft ondersteuning noodig. Weet gy iets meer van hare familie dan wy?"

Ik deelde hem al mede wat ik wist, en voegde er by, hoe SUZETTE om haar allerliefst karakter algemeen bemind was by degenen die met haar omgingen.

"Dat zei de doctor ook? niet waar, CONSTANCE?" andwoordde de beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer! voor uwe inlichtingen. Gy studeert te Leiden?" liet hy spoedig volgen, toen hy zag dat ik weder mine maakte om te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik. Ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet in eens weggaan. Ik heb ook te Leiden mijn graad verkregen." En daarop begon hy my eenige herinneringen uit zijn studententijd mede te deelen.

"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hy ten slotte, maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw en lieve dochter, dat ik dat toestem; en daarenboven, het is nog aangenamer zich in de wareld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik hoop dat gy het ondervinden zult." [ 213 ]Na nog eenige algemeene gesprekken, waaraan ook de jonkvrouw deel nam, verliet ik deze woning, die my als een verblijfplaats van zielsrust, verstand en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan mijn gestarnte, dat my, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene daken, en met zoo vele lieve en goede menschen in aanraking gebracht had, om my in de overtuiging te versterken, dat beminnelijkheid en voortreffelijke deugden niet het eigendom van byzondere standen der maatschappy zijn, maar aan allen gelijkelijk kunnen toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is, die ter dege weet wat en wie hy is, wat hy vermag en wat hy wil, zonder zijn heil te zoeken in datgene wat buiten zijn bereik ligt, zich verzekerd houdende, dat hy in het geruste midden van zijn kring ruim zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.

Mijn kleine rol was afgespeeld; mijn werk riep my, en ik kondigde mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne kamer in de sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltjen om te zien of de Breêstraat nog breed was.




Maar nu zullen diegenen mijner lezers, die het geduld gehad hebben deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot die schrijvers, die er een genoegen in scheppen hunne lezers met teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt my toe met die beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zoo veel mogelijk te voldoen.

HENRIETTE KEGGE is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der rijdende artillerie, dien zy, vrees ik, een weinigjen op het uiterlijk genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan haar verstand en gaven een goede richting te geven, en zelfs een zeer gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie, mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit is de groote hanzen en adelijke heeren naar de kroon te steken, ze in 't geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer by hen in aanzien komt.

Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet, mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest zij of Mimi!

De heer VAN DER HOOGEN heeft zich in het beheer van zekere, aan [ 214 ]zijne verandwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen, dat hy het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hôtel in den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den beddemaker en zijne egade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig sommetjen aan verschotten aan ZEd, te kort kwamen.

De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel, en tegen St. Nicolaas-avond zijn er nog immer prettige verguldpartyen. SAARTJEN is de verloofde van een hupsch jong mensch, die eene niet onbelangrijke affaire in manufacturen drijft. Ik recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht; het zal een lust zijn om by haar te koopen.

SUZETTE NOIRET werd, onder den titel van kamenier, een zeer bevoorrecht persoon by de freule CONSTANCE. DE MAETE, door den baron in byzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie opgeklommen, en bekleedt nu den post van den heer BOUT, die aan de gevolgen van zijne ongeregelde levenswijs is overleden. Hy is de gelukkige echtgenoot van de mooie SUZETTE, en ik heb een brief van de jonge lieden, waarin zy zich veel inbeelden van verplichtingen aan den heer HILDEBRAND."

De baron leeft nog steeds met zijne dochter in dezelfde kalme en liefelijke stemming. Zy beiden stichten zoo veel nut en doen zoo veel goed als zy kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den tijd te gemoet, waarin de heer VAN NAGEL, die al zachtjens aan vrij oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.

En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar uitersten wil is zy op het kerkhof by de Marepoort te Leiden, in het graf, waarin ook haar lieveling rust, bygezet. Haar hond heeft haar niet lang overleefd. En ik ontfing uit haren naam een pakjen, waarin het ringetjen met den zakdoek, en in het engelsch deze woorden:

"Gedenk aan den lieven WILLIAM en aan zijne grootmoeder,

E. MARRISON."