Naar inhoud springen

Camera Obscura/Het hofje. De Heer Van der Hoogen af

Uit Wikisource
[ 201 ]
 

Het hofjen. De heer van der Hoogen af.


Het was heerlijk weder, en ik had niet veel lust my terstond naar huis te begeven: ik verkoos liever nog eerst een stadscingel langs te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert heeft men eene zekere voorliefde [ 202 ]voor stadscingels. Verfrischt door de heldere lucht en den koelen wind, kwam ik de poort wederom binnen, en begaf my naar huis. Het ongeluk scheen SUZETTE NOIRET te vervolgen.

Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik SAARTJEN tegen. Zy liep zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende zag ik, dat zy er zeer verschrikt en ontdaan uitzág, en bitter weende.

"Wat scheelt er aan. SAARTJEN?"

Ach!" riep zy uit, "laat my gaauw voortgaan. Juffrouw NOIRET ligt op sterven!"

"Wat! " zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan SUZETTE denkende, en ik heb haar gisteren nog gesproken! "

"Dat kan ook wel zijn, " andwoordde zy; "gisteren was ze nog heel wel. Maar van daag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was in de kerk, en moeder was thuis by de kleintjens. SUZETTE heeft oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw NOIRET misschien nu al dood is; zy is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, en de doctor heeft haar opgegeven. Wat zal de arme SUZETTE beginnen?"

Zy snikte luid.

Ik ging met haar naar het hofjen.

De zoogenaamde Moeder van die inrichting, eene deftige gewezen keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik je nou maar raad er dadelijk werk van te maken, want anders is een ander je al weêr voor; je gaat nou maar immediaat naar de heeren, en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is...."

"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.

"Dan mot je je beurt wachten," zei de Moeder. Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen. Hoe is 't met juffrouw NOIRET? " vroeg ik aan de Moeder, als of ik van dit gesprek niets begrepen had.

"Afgeloopen!" zei de Moeder, haar hoofd schuddende. Och ja, ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zal nou net een klein ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorby, en ze knikte nog teugen me; ik loof zelf dat ik nog aan haar raam getikt heb, en nog gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, moeder! Neen toch niet, dat was by TRIJNTJEN. Och ja, dat zeg ik, een mensch kan der gaauw uit zijn!"

Wy gingen voort. Een der bestjens, die op het hofjen woonden, stond met een zwart duifjenskiepjen aan de pomp; zy zag naar ons om, toen we haar voorbygingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd. [ 203 ]

"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd, en ging voort met water op haar aardappeltjens te pompen.

Wy traden het huisjen van juffrouw NOIRET binnen. Door een klein portaaltjen, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wy in het eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude vrouwtjens vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertjen, met matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zy te gelijk haar potjen kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene voor het vertrek vrij groote hangoortafel, een matten stoel of vier, en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met roode landschapjens stond geschikt, geflankeerd door een rond en een vierkant verlakt presenteertrommeltjen, op hun kant gelegd. In een hoek van dit vertrekjen stond de ladder, waarmee men naar het zoldertjen opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjensvrouwtjens werd uitgereikt, en die benevens eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potjen boter, dit hofjen tot het voordeeligste hofjen maakte van de vele hofjens, waarop de stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig huisraad dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto bijbel, en een fransch gezangboek, in welk laatste de goede vrouw nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de bladen tot een bewijs waar zy gebleven was. Voorts was die tafel nu overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjens, en zoo voorts, die men in het oogenblik van confusie gebruikt had. Een sterke geur van Hoffmansdroppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw NOIRET het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.

Aan het hoofdeneinde van het bed, waarvan de gordijnen waren toegeschoven, zat SUZETTE doodsbleek en met het hoofd in de hand. De goede juffrouw DE GROOT stond voor haar met een vol glas water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.

SUZETTE hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zy ons strak aan. Zy reikte my de hand:

"Ik heb mijn wensch," zeide zy; "het wàs by dag."

SAARTJEN hield zich schuw op een afstand, en was geheel verward. Zy snikte hevig, en viel op een stoel by de tafel neder. Juffrouw DE GROOT poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.

Toen ze eindelijk wat bedaarde, wilde zy de doode zien. SUZETTE schoof het gordijn half open, en ik zag eene mooie oude vrouw in hare kalme ruste. Het heldere zonlicht, dat door het venster binnendrong, wierp een schuinschen straal op een gezicht, dat meer en meer van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en weggezakt; [ 204 ]eenige weinige grijze hairen kwamen onder het mutsjen uit, en vonkelden als zilver, in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen plechtig gevouwen op haar borst. SAARTJEN knielde by haar bed; blozende jeugd by het beeld des doods. Zy legde haar lief handtjen op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Zy had nog nooit een lijk gezien. Toen vermande zy zich weder, en streek met hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zy in een hevig jammeren los:

"o Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één oogenblikjen levend gezien, lieve juffrouw NOIRET! een enkel woordtjen van u gehoord!"

"Dat hebben wy geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare oogen met haar voorschoot afvegende.

"Neen," zei SUZETTE met een hartdoordringende stem, geen van allen."

SAARTJEN schoof het gordijn weder toe.

"Arme SUZETTE!" riep zy uit, haar om den hals vallende, "wat zult gy beginnen!" en zy snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot zich nam, en zeide, dat zy zich een weinig matigen moest, want dat zy SUZETTE nog naarder maken zoude.

"Ik wenschte dat ik zoo schreien kon, juffrouw DE GROOT! " zei de ongelukkige bedaard, en weder nam zy hare vorige houding aan, met het hoofd in de hand.

De doove buurvrouw kwam binnen. Het was eene lange, schrale vrouw, die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zy had mede een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang chitsen jak, een groot wit schort, en een kalminken rok. Zy zett'e een klein schoteltjen met een bord toegedekt op de tafel.

"Is buurvrouw ziek?" vroeg zy op dien kennelijk doffen toon, aan dooven eigen.

"Ja!" zei juffrouw DE GROOT, luid sprekende; "buurvrouw is heel erg!"

Juffrouw DE GROOT had echter niet luid genoeg gesproken.

"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltjen opnemende, ging zy naar het bed. Je mot wat gebruiken, buur; kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjens voor je."

Zy wilde het gordijn openschuiven. Juffrouw DE GROOT hield haar by den kalminken rok terug.

"Neen!" schreeuwde zy zoo hard zy kon, buurvrouw zal niet meer eten. Buurvrouw is overleden!"

"o Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, als of zy het volmaakt verstaan had, slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat wist ik niet. Ik zag den doctor binnengaan, vervolgde zy tot my, en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw eindelijk?" [ 205 ]Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw niets meer schortte.

"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw SAMEI, want zoo heette de doove, die ik verlies, en altijd aan denzelfden kant, in dit huisjen. De eerste was ENGELTJEN BOVENIS; die was drieënzeventig, en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u? De andere was juffrouw DE RUITER, die de koffykan over der been liet vallen, zoodat ze der nooit van opekomen is; en dut is nou de derde; ' t was een goeje vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetjen eenzelverig. Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertjen, daar placht ze anders nog wel van te houën."

De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat en geheele houding de innigste, de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule CONSTANCE.

Er zijn schepselen in de wareld, die de bestemming om ongelukkigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule CONSTANCE.

Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, trad zy binnen, en groette ons. Zy ontdeed zich daarop terstond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers, haar in deze sobere woning zonder dien opschik te zien. Toen trad zy op SUZETTE toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De jonkvrouw greep haar by de linker.

"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw NOIRET," begon zy, met een zachte en hartdoordringende stem; ik kom eens met u schreien; gy weet dat ik ook geen moeder meer heb."

Het valt lichter van eene tedere en liefelijke ontroering, dan van eene groote en verpletterende smart te weenen. SUZETTE barstte in tranen uit, en kuste de handen der freule; ook aan de lange zwarte pinkers van deze hingen heldere droppels. SAARTJEN drong zich tegen de beide vrouwen aan, en in haar oog blonken door de tranen henen, de tederste aandoening en de diepste eerbied voor de troosteres. Dat was eene lieve, eene hartbrekende groep. Lijden, medelijden, en lijdenstroost, in eene zachte en liefderijke omhelzing vereenigd. Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, als zy een oogenblikjen willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.

"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw DE GROOT, en een traan viel op de tang, waarmede zy, op den in de verwarring half uitgedoofden haard, het vuur poogde te herstellen.

"Wie is de dame? vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.

Ik poogde het haar te beduiden; maar het was my niet mogelijk. [ 206 ]

"Ik kan je niet verstaan!" zeide zy; maar dat weet ik wel, dat het lang duren zal, eer de rijkdom by PLEUNTJEN SAMET'S laatste leger komt om te huilen; maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw NOIRET van geen lage komof was."

Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar eigen cel. De doctor kwam om naar SUZETTE te zien, en voor haar te zorgen nu de eerste schok voorby was. Zijn gelaat luisterde op als hy CONSTANCE zag.

"De freule reeds hier?" zeide hy; het kon niet beter. Gy moet dadelijk gegaan zijn, freule NAGEL! — Ik beveel u deze patiente aan,"voegde hy er by; voor bedroefden zijt gy de beste doctor die ik ken."

Hy schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet welke andere ellende te gaan aanschouwen!

Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk te sollen. Het is een stuk van liefhebbery. Al is iemand zijne betrekkingen ook nog zoo lief, naauwelijks heeft hy den adem uitgeblazen; ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven genomen omtrent het wezenlijk doodzijn van den dierbare, of het lijk moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak in plaats te geven. En ik heb by lijken gestaan, die aldus waren afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun stoel had gevonden.

De Moeder van het hofjen kwam dan ook met een allergewichtigst gezicht binnen, en moeder DE GROOT op zijde nemende, hield zy haar voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw NOIRET te ontweiden. "Juffrouw DE GROOT kon daartoe over haar beschikken; zy was er niet akelig van. Ook wist zy heel goed waar het doodgoed van juffrouw NOIRET lag."

Juffrouw DE GROOT beweerde evenwel dat het geen haast had, maar de Moeder van 't hofjen stond er toch op, dat het vóór de nacht geschiedde; want het was maar om het bed, weetje; en dan, juffrouw NOIRET had zoo'n kostelijke sprei, altijd by winterdag, en die had ze zeker nu ook al weer op 't bed?" En zy ging kijken of het zoo was ….

"Het is de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw DE GROOT; "als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."

"'t Is wel," zei juffrouw DE GROOT, en de Moeder vertrok, om door het venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw NOIRET af te leggen, en over haar kostelijke sprei.

"Wat had de Moeder? " vroeg SUZETTE, weemoedig opziende, toen zy vertrokken was.

"Niets, lieve!" zei juffrouw DE GROOT: "ik zal voor alles zorgen. Bekommer u over niets." [ 207 ]

"Men moet moeder met rust laten," hernam SUZETTE; niets aan haar veranderen..., voor dat ze..." Meer vermocht zy niet.

Weder liet zy het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte, dat zy haar weenen liet.

SAARTJEN kon niet langer blijven; het huishouden vereischte hare terugkomst. Ik vertrok met haar. SUZETTE reikte ons beurtelings de hand. SAARTJEN kon geen woord uitbrengen; en HILDEBRAND was zoo sprakeloos als SAARTJEN.


Wy kwamen in den Zoeten Inval. Dt oude DE GROOT was in de ziel bewogen. Ik bleef nog langen tijd by die goede menschen over het ongeluk van juffrouw NOIRET praten. SAARTJEN vertelde my heel veel van de doode, en hoe zy hare dochter lief had, en hoe die dochter haar aankleefde; en gaf duizend kleine trekken van de tederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.

Zie; moeder NOIRET was zoo goed als op haar stoel doodgebleven, als zy haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds in het eerste oogenblik hare spraak verlamd: maar zy had die niet noodig gehad, om SUZETTE iets te vergeven vóór zy henenging; en haar zegen zy gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!


Wy spraken ook over den jongeling, wien de vertwijfeling aan eene vereeniging met SUZETTE naar de West-Indien dreef. Ik verlangde zijn naam te weten. SAARTJEN deelde my meê dat zy hem den vorigen avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vast stond, zoodat hy het ook nu aan haar ouders had geopenbaard, en nog eenige omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik ор de kamer van VAN DER HOOGEN mijns ondanks beluisterd had.


Ik kwam te huis.

"Zoo lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de heer KEGGE my toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wy zitten pal op u te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatjen! Lag er maar sneeuw, dan konden we ten minsten narren. Jongens! mijn pantervel! hoe zouden de adelijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang geweest ben."

Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofjen.

KEGGE kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hy zeide:

"Drommels! dat was een naar akkevietjen voor je. Het zal daar een al[ 208 ]gemeen gegrijn gegeven hebben. HANNAH, my dear! daar moet wat aan gedaan worden, hoor! ' t Is duivelsch jammer voor dat meisjen. Stuur haar het een of 't ander."

"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw KEGGE goedhartig.

"Allemaal gekheid!" riep de heer KEGGE uit. " Ze heeft immers geen honger. Stuur haar een paar bankjens, dat zal beter welkom zijn; een dooie is een duur ding voor zulke menschen."

HENRIETTE had zich afgewend, en stond kwanswijs naar haar papegaai te kijken! Ook zy had vochtige oogen.

Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en gevoel! Gy waart toch veel te goed voor een VAN DER HOOGEN! En indien gy freule CONSTANCE tot moeder of tot zuster hadt, gy zoudt eene heele lieve HENRIETTE kunnen worden.


In het schemeruur poogde HENRIETTE, langs alle zijdelingsche wegen te weten te komen, hoe ik over haar en VAN DER HOOGEN dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik my voorgenomen had, my dezen dag nog volstrekt niet uit te laten.

Des avonds wachtte men VAN DER HOOGEN, die meest alle zondagavonden by de familie doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtjen te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef. HENRIETTE, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hy niet verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hy misschien eene andere uitnoodiging had, en dat zy 't ook heel goed vond, dat hy er geen gewoonte van maakte om nu ook alle zondagen te komen."

Wy brachten den avond door met platen en teekeningen te zien, waarvan de heer KEGGE een mooie verzameling had, die echter zonder smaak of oordeel gerangschikt was, en zeer zeker veel te duur betaald.

Tegen tien uren verscheen er een violetkleurig briefjen. HENRIETTE werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte, toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en toen deze het openbrak, zag zy hem strak naar de oogen. Toen de heer KEGGE het gelezen had, nam hy er zeer beleefd zijn mutsjen voor af:

"Ik ben een lijk" verklaarde hy, "als ik er iets van vat! En toen vervolgde hy met eene zekere plechtigheid: "Mevrouw KEGGE, geboren MARRISON, mejuffrouw KEGGE, en mijnheer HILDEBRAND; hoort, bid ik u, eens aan, wat dit geschrift behelst:


WelEdelgeboren Heer!


Dat is primo een leugen! [ 209 ]

Sedert gy in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam pogen te be

te be.... Wat? Sakkerloot, dat's een drommelsch woord:

te bezwalken en te belasteren, zie ik my genoodzaakt, van het genoegen af te zien, om hetzelve verder te frequenteeren.

Ik heb de eer te zijn

WelEdelgeboren Heer.

Uw Edelgeboren Dienstw. Dienaar,

P. G. VAN DER HOOGEN.
Surnumerair etc.

Van Huis. Zondagavond.


"Dat ziet op my," zeide ik, het woord opnemende." De heer VAN DER HOOGEN anticipeert op zijn vonnis. Ik ben nu wel genoodzaakt te zeggen wat ik denk. De heer VAN DER HOOGEN heeft zich aan my als een slecht voorwerp, en verachtelijk mensch doen kijken." Ik deelde daarop zoo veel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was, en verklaarde wat ik hem by mijn bezoek van heden had opgelegd.

"Gy ziet," zeide ik ten slotte, dat hy zijn toevlucht tot onbeschaamdheid neemt."

"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep KEGGE uit. Je hebt, dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer VAN DER HOOGEN! Ik ben een drilboor als zijn geele handschoentjens me ooit hebben aangestaan; en dan, dat hy altijd zijn mond vol had van groote hanzen! Het zal HENRIETTE nog al spijten."

HENRIETTE andwoordde niet veel; maar mevrouw KEGGE sprak met volmaakte miskenning van ' t punt in geschil, de gewone toevlucht van onverstandige vrouwen:

"Ik heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hy heeft my nooit iets misdaan. Ik kom er rond voor uit, dat het my spijt, dat hy niet meer komen zal."

"Allemaal gekheid!" hernam de heer KEGGE. "Het eenigste is dat er nu niemand is voor de muzijk met HENRIETTE. En gy spreekt ook van heengaan, onsterfelijke!" voegde hy er by, zich tot my wendende; dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskarel over den vloer, om meê te praten."

De heer KEGGE schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde hy zich tot zijne vrouw.

"Hoe oud zou WILLIAM nu al geweest zijn? " vroeg hy op wat zachter toon, dan waarop hy anders gewoon was zich te doen hooren.

"Eenentwintig," andwoordde mevrouw KEGGE.

Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoe veel smart dit enkele oogenblik in zich bevatte?