Naar inhoud springen

Camera Obscura/Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij wel weet dat het hem in 't geheel niet past, maar dat hij voor ditmaal niet helpen kan

Uit Wikisource
[ 195 ]
 

Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijsselijk verlegen is, omdat hy er zelf den mooien rol in speelt, iets dat hy wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hy toch voor ditmaal niet helpen kan.


HILDEBRAND, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op, en liep met een gewichtig gezicht en groote stappen de kamer op en neer, eene beweging die hy altijd aanneemt, als hy over iets belangrijks of als hy over niets denken wil. Somtijds zag hy veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder betrachtte hy zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hy een groot gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in de tuin af en aan vlogen, en elkander [ 196 ]niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjens brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.

Hy kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien byzonderen zondag morgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde veel van de godsdienst te houden, "want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappy worden?" maar hy kon het geteem van de dominé's in deze stad niet aanhooren; voor mevrouw tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk; en wat HENRIETTE betrof, zy ging wel, maar zag er geen noodzaak in er een slender van te maken."

HILDEBRAND nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hy herinnerde zich, niet zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hy in zich gevoelde, het zeggen van FÉNELON, in het treurspel van dien naam:

"Dit is mijn eerste plicht, men dien de menschlijkheid.
En zing daarna den lof der hemelmajesteit!"

Hy had zich den vorigen avond geïnformeerd waar de kamers van den heer VAN DER HOOGEN te vinden waren. Hy moest ze in een der middelbare straten van de stad boven een beddewinkel zoeken. De heer HILDEBRAND stapte er heen, in de vaste overtuiging den heer VAN DER HOOGEN thuis te zullen vinden.

Daar hy zich evenwel te binnen bracht dat de heer VAN DER HOOGEN, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds om tien ure in den morgen aan dat bureau verschijnen moest, en dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het hem niet onwaarschijnlijk voor dat gemelde heer VAN DER HOOGEN des zondags een weinigjen zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarby voegde zich misschien heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het dienen der menschlijkheid in dezen medebracht, nog een oogenblikjen uit te stellen.

Nu gebeurde het dat HILDEBRAND op zijn weg naar den beddewinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hy gevoelde lust om ten minsten nog een gedeelte van de godsdienstoefening by te wonen.

HILDEBRAND is geen voorstander van het te laat verschijnen in het huis des Heeren. Hy begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet by bekennen dat het iets byzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straten in eene hoofdkerk te verplaatsen, waar een groote schare reeds met ontdekten hoofde ter nederzit, en onder het [ 197 ]statig intoneeren van het orgel zijn lofzang als uit eener harte opheft. De aanblik eener gemeente vereenigd, ten minsten uiterlijk vereenigd, in de dienst van God, heeft reeds op zichzelve eene aandoenlijke stichtelijkheid; en wy zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: laat ons de onderlinge byeenkomsten niet nalaten."

't Hijgend hert.

Zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den tweeënveertigsten psalm:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.

o Gy, die meent dat te huis een "goede" preek te lezen — gy leest gewis altijd goede preeken, en kunt niet dan "slechte hooren"? — o Gy, die meent dat te huis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er by, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers, om in de binnenkameren te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gy dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoo vele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord der vertroosting aanhooren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser aanroepen, te weeg brengt?

Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf na-spel liet verloren gaan.

Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel, en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk aan; hy deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht biddend gebed: een oprecht gebed des rechtvaardigen vermag veel, zegt JACOBUS. Toen noodigde hy de gemeente andermaal tot het gezang; en nu werd er uit den cersten psalm aangeheven:

De Heer toch slaat der volken wegen gâ.
En wendt alom het oog van zijn genâ
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden.
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die ceuwig zal bestaan.
Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.

Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar. "De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der godloozen zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde HILDEBRAND zich naar VAN DER HOOGEN. [ 198 ]"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; "den trap op, de eerste deur aan uw linkerhand."

HILDEBRAND volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond half open, en hy bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet. De kamer was niet byzonder charmant; zy was slecht gestoffeerd en alles behalve netjes. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten van ROBERT MACQUAIRE, en eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich byzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoen en floretten, en de staart van een faisanten haan, dien VAN DER HOOGEN moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte invitatiekaartjens, waaronder sommigen van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groot flacon met reukwater, en lag een deeltjen van PAUL DE KOCK opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard dat echter in het laatste half uur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van den kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende dat de heer VAN DER HOOGEN waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. HILDEBRAND hoopte dat de hospita hem zou aandienen.

Weldra kwam er ook waarlijk iemand den trap oploopen, maar het kon de hospita niet wezen, want HILDEBRAND hoorde degelijke manslaarzen kraken. De bovenkomende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hy hoorde hem eene andere deur opendoen. Daarop vernam hy eene stem die uit de dekens scheen te komen, en wie daar?" riep.

"BOUT," was het andwoord van den binnengekomene. Lui beest, leg je nog al op je bed?"

"Hei, hei wat," andwoordde VAN DER HOOGEN; 't is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en daauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D..., ik heb koppijn, hoor! die wijn op de societeit is slecht."

Er volgde een gesprek waarvan ik niet alles verstond; maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zy het zwartjen noemden; en spoedig daarop werd het HILDEBRAND duidelijk, dat VAN DER HOOGEN zijn wedervaren met juffrouw NOIRET vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hy in een geweldig lachen uitborst.

"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien HILDEBRAND BOUT had hooren noemen, en die een zeer raauw en onaangenaam geluid sloeg; alles goed en wel! maar je bent toch een handtjegaauw. Waarom nu nog niet een beetjen gewacht, tot dat de jongen goed en wel in de West is?"

"BOUTJEN!" andwoordde VAN DER HOOGEN, die in dit gezelschap zijn [ 199 ]lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, "het zwartjen is zoo verd... mooi."

"Kinderachtig!" hernam de ander; een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vrindschap voor jou een half jaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je met je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan."

"Geen nood!" andwoordde VAN DER HOOGEN; "jongen, karel! ik heb haar zoo'n char..." (daar had hy zich haast versproken! ) verd..". mooi briefjen geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige tederheid. Je moest het lezen, karel. En zóó was ze niet, of ze heeft dat wel stilletjens aangenomen. En was die v.... karel niet gekomen.... Maar zeg reis, gaat hy stellig naar de West?"

"Hy is er zoo verliefd op, als hy eerst wanhopig was; 'k ben d...!" zei BOUT; "hy leeft in de stellige overtuiging dat hy binnen zes jaar op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer KEGGE. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? HENRIET, hiet ze zoo niet?"

"Patent, karel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk by je."

De heer BOUT kwam daarop naar voren, en HILDEBRAND zag een gelaat dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan de hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo byzonder pleegt te stuiten. Hy was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar, en hy droeg een dichtgeknoopten blaauwen jas, een zeer glimmend geborstelden hoed, en een dikke bamboesrotting. Hy stond verbaasd iemand in de voorkamer te ontmoeten. HILDEBRAND maakte zich bekend, en verklaarde dat hy gekomen was om den heer VAN DER HOOGEN te spreken.

"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg BOUT met gemaakte vriendelijkheid.

"Ik kom zoo op het oogenblik, " andwoordde HILDEBRAND.

De waardige vriend belde, en verordende ander theewater. De juffrouw gromde, dat het geen manier van doen was," en ging de trappen af met den theeketel. Vóór zy nog terug was verscheen VAN DER HOOGEN.

Hy zag er alles behalven aantrekkelijk uit, met zijne lange hairen ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten kamerjapon, op wollen kousen, en versleten pantoffels.

"Gy hier, mijnheer HIILDEBRAND?" zeide hy by het inkomen.

"Ik had een boodschap aan u," andwoordde de toegesprokene.

"Charmant, charmant!"

"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken," merkte de waardige BOUT aan; dan ga ik nog een kerkjen knappen; de kerk zal toch wel al aan zijn?" [ 200 ]

VAN DER HOOGEN lachte schreeuwend om deze geestigheid. Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk te spotten?!

BOUT vertrok.

"Je moet me eerst wat laten besterven," zei VAN DER HOOGEN geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat op de societeit geworden, en mijn keel is wat raauw van den chambertin."

"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer VAN DER HOOGEN!" zeide HIILDEBRAND, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den achtenswaardigen BOUT.

"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie KEGGE u eerdaags wordt ontzegd...."

De charmante werd, van bleek, vaal, en zag HILDEBRAND verbaasd aan; hy wist volstrekt niet hoe hy het met hem had.

HILDEBRAND maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem voort te gaan: De heer KEGGE zal eerdaags weten, wie gy zijt, mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hy zal kennis dragen van de lagen, die gy de onschuld legt, terwijl gy zijne dochter het hof maakt."

De heer VAN DER HOOGEN wist zijne verlegenheid niet beter te verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hy begon daarop aan zijn derde eitjen, en and woordde op een onverschilligen toon: Wie zegt dat ik zijne dochter het hof maak?"

"Ik!" andwoordde HILDEBRAND zonder te aarzelen; " ik, mijnheer! ik, die u deze gantsche week bespied heb; ik, die weet dat gy violette briefjes in haar bloemruiker stopt; ik, die ook weet dat gy by donkeren avond met violette briefjens over straat loopt, om ze argelooze meisjens in de hand te stoppen; ik, mijnheer! die ook weet welke slachtoffers de heer VAN DER HOOGEN elders heeft gemaakt, en die zorgen zal, zoo veel in my is, een dergelijk lot af te keeren van menschen, waarin ik belang stel."

De heer VAN DER HOOGEN deed zijn best om nog luider te lachen; wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:

"Een charmante klucht! en mijnheer HILDEBRAND is alzoo dénonciateur van dit alles?"

"Hy kan het worden!" ging HILDEBRAND voort, die nu eenmaal op gang was; als ik de stad verlaat zal ik den heer KEGGE waarschuwen. Maar eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart spelen, opdat gy weten zoudt uit welken hoek het u aankwam als men u by den heer KEGGE met stugheid ontfing, of misschien wel de deur wees!"

"De heer KEGGE zal laster van waarheid kunnen onderscheiden, " zeide de heer VAN DER HOOGEN, met eene geveinsde bedaardheid.

"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk", andwoordde HILDEBRAND, het briefjen aan juffrouw NOIRET toonende; "men kent uw hand; een biljet vol van [ 201 ]de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisjen, dat als zy ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou my niet moeielijk vallen uit uwe vroegere residentie meer dergelijke briefjens op te dagen. Maar dit eene is genoeg"

HILDEBRAND stak het paarsche papiertjen weder met bedaardheid in den rokzak. De heer VAN DER HOOGEN stond op. En wie zijt gy, mijnheer!, voer hy uit, maar lang niet op den toon die by zulk eene vraag gepast had.

"En wie zijt gy, mijnheer! om my op mijne eigene kamer de les te komen lezen? Ik houd u voor een...."

"Geene beleedigingen!" zei HILDEBRAND, insgelijks oprijzende, en hy voegde er by: Uw opstaan verschrikt my evenmin als deze floretten."

De heer VAN DER HOOGEN ging weer zitten.

"Gy spreekt van de les lezen!" ging HILDEBRAND Voort. " Uw naam en faam, uwe positie in de stad, het is alles in mijn hand. Ik ken uwe afkomst, mijnheer VAN DER HOOGEN, weinig strookende met de airs, die gy u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats; ook uw gedrag als amptenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"

"Gy wilt my ongelukkig maken," gromde de heer VAN DER HOOGEN tusschen de tanden.

"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander.

"Hoor hier: ik verklaar my in de eerste plaats voor den beschermer van juffrouw NOIRET; naar haar zult gy geen vinger meer uitsteken. Hlaar zult gy nooit, niet een enkel woord meer toespreken; zelfs niet groeten. Indien ik ooit verneem dat gy haar tot eenigen den minsten overlast zijt, zoo zal de geheele stad weten wie gy zijt: van den baron VAN NAGEL af tot uwe hospita toe. Voorts zult gy uwe visites by den heer KEGGE verminderen, en er afzien eenigen invloed op zijne dochter te willen uitoefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmee strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer KEGGE. Nu zal ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer VAN DER HOOGEN, denk er om!"

"Het is wel!" zeide hy binnen 's monds; en, als of deze 't helpen konden, stiet hy de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizementen.

HILDEBRAND vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hy den trap opkwam.