Camera Obscura/Ochtendbezoek en avondwandeling
| Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn. |
[ 189 ]
Ochtendbezoek en Avondwandeling.
Des anderen daags 's voormiddags werd de goede DE GROOT aangediend, en trad de kamer binnen, verzelschapt van zijn lieve dochter, die eene groote gunstelinge van den heer KEGGE was, en in het huishouden groote diensten bewees. Dien middag zou zy met ons dineeren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hy meteen zijne dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartjen. Hy sprak met de grootste opgewondenheid over den avond van gisteren:
"Nooit in zijn leven had hy zoo iets moois gezien of gehoord. Dat was een rijkdom! Dat waren stukken muzijk! Hy wist niet hoe het mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als nicht HENRIETTE; en toen hy haar zoo had zien zitten, misschien was het zonde geweest, maar hy had gedacht, dat zy zoo mooi was als een engel uit den hemel."
HENRIET glimlachte, en vergat, om het streelende der vergelijking, dat zy die voor dit maal uit den mond vernam van een koekebakker. Zy begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw DE GROOT te vragen, en haar spijt te betuigen dat zy niet op de verguldparty had kunnen komen; zy zou juffrouw DE GROOT nog eens in persoon haar excuses komen maken.
"Neen maar, juffrouw.... ik wil zeggen nicht HENRIETTE!" zei de goede man, dat behoeft in 't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom zijn; maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef KEGGE wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat moet u toch vooral niet denken!"
„Nu neef DE GROOT..." zei HENRIETTE vriendelijk... en wie weet hoe lief zy zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, want de charmante trad binnen, en maakte wat ik zijn "compliments de coutume" noemde.
"Wel, juffrouw HENRIETTE! is de nachtrust goed geweest, na de fatigue van gisteren? Ik heb geen oog kunnen toedoen; ik was nog zoo geënthusiasmeerd van de muzijk. Het was een charmante avond; de heele wareld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is er van vervuld!"
"Vleier! " zei HENRIETTE; maar ik weet, liet zy er op een goedigen toon op volgen, ik weet dat gy het goed meent."
En zy reikte hem de hand.
Hy nam die met vervoering aan, en trok haar naar de vensterbank.
"Wie is die man?" vroeg hy, den goeden DE GROOT van het hoofd tot de voeten opnemende.
"De vader van SAARTJEN," andwoordde HENRIETTE bedeesd.
"o Ho!" zei de heer VAN DER HOOGEN, die dat ook zeer wel wist, hem den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende, bezag [ 190 ]by den ruiker bloemen, die in een sierlijken porceleinen vaas op een guéridon voor het raam stond.
"Wat een schoon bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hy aan.
"Papa is zoo lief geweest het my meê te brengen. Het heeft zijn beste dagen al gehad."
"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante. Hy stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker, en toen hy die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.
De heer KEGGE was ondertusschen druk bezig met neef DE GROOT, die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem verbaasd lastig maakten; en hoewel mevrouw KEGGE hem gedurig verzekerde, dat het de liefste diertjens van de wareld waren, die nooit iemand leed deden, bevielen hem de gedurig luider uitvallen en het gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was slechts kort; hy groette mijnheer en mevrouw KEGGE allerhartelijkst; "juffrouw, ik wil zeggen, nicht HENRIETTE," zeer eerbiedig, en maakte ook eene buiging voor VAN DER HOOGEN, die hem met een hooghartig "goeden dag" betaalde.
VAN DER HOOGEN ging daarop mijnheer en mevrouw KEGGE bezighouden, en HENRIETTE trad op den bloemenruiker toe, haalde er het biljet uit, en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte het volkomen; zy vermoedde dit, en kreeg een kleur. De papagaai werd daarop haar toeverlaat. Zy hield hem een stukjen beschuit voor:
"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"
"Pas op, pas op!" riep de papagaai, die blijkbaar in de war was.
VAN DER HOOGEN vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig merkwaardigs; grootmama liet naar SAARTJEN vragen; zy bleef een uurtjen boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.
"Gy hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt," fluisterde zy my in.
Ik had gelegenheid in den loop van den voormiddag de lieve blonde eens zoo goed als alleen te spreken; en spoedig maakte ik daarvan gebruik om het gesprek op haar vriendin NOIRET te brengen. Zy verhaalde my van SUZETTE's onvergelijkelijke gehechtheid aan haar moeder; van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zy zoo veel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen schamel kamertjen, en van alles wat zy om den wil harer moeder had uit te staan. Ook deelde zy my mede dat er een knappe jongen in de stad was, een schrijver op een der stads bureaux, die een dollen zin in SUZETTE had, en dat zy geloofde, dat hy SUZETTE ook niet ten eenen male onverschillig liet; maar dat zy het voor zichzelve niet wilde bekennen omdat zy meende dat de inwilliging van een dergelijk gevoel, eene misdaad was tegen haar moeder. Dat zy daarom den jongeling altijd op een afstand hield, en hem soms wel wat erg behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zy zich dat dezer dagen byzonder verweet, nu zy vernomen had dat [ 191 ]hy, er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven, en toch geen mogelijkheid ziende om haar vooreerst onafhankelijk te kunnen onderhouden, het plan had opgevat om zijn geluk in de West te gaan beproeven.
"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde SAARTJEN er by, met een traan in de mooie oogen, wen dan verwijt zy zich weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan aan hare oude moeder."
HENRIETTE was dien geheelen dag byzonder aangenaam en liefelijk voor my; zy had allerhande zoete oplettendheden aan tafel; prees my verscheidene malen in het aangezicht; en gaf my zelfs by het doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
In het schemeruur bracht ik SAARTJEN thuis; en het lustte my, daarna eene kleine stadswandeling te maken, in dat in de stad drukke uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan, en de dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten jongen heer, en de oudste juffrouw; by welke gelegenheden de heer er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de oudste juffrouw, terwijl de jonge heer een van tweën of een akelig "stuursch minsch," of "een heertjen" is. Ik heb dit uit mijne vroege jeugd overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken, en ook ditmaal stond ik nu eens stil by een in het donker vooral zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarby het zwarte gelaat van den smid fantastisch verlicht wordt; dan weder boeide my het wreedaardig schouwspel eener slachtery, waar de knechts in hunne bloederige wollen kousen tot over de kniën reikende, en met een ouden hoed over hunne blaauwe slaapmutsen, zichzelven bylichtten met een brandend kaarsjen, op gemelden hoed vastgekleefd, dat een tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige belangen zy verzorgden. De stadslantarens waren nog niet opgestoken, en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water valt, als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
Het gebeurde dat ik op zulk een donkere gracht voortschrijdende, zonder precies te weten waar ik my bevond, op eenigen afstand twee personen ontwaarde, waarvan de een even veel neiging had om den ander te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste terug te houden. Naderby komende, zag ik dat gemelde personen tot verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte vrouwenstem, maar schor van zenuwach[ 192 ]tigheid, duidelijk zeggen: "laat me los, mijnheer! of ik schreeuw."
Het leek my toe, dat de mijnheer tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was. Althands hy liet de persoon die gesproken had oogenblikkelijk los, en verdween in eene zijstraat. Ik had de stem herkend.
"Zijt gy het, juffrouw NOIRET? Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen," sprak ik haar toe. Het arme meisjen kon niet andwoorden; zy beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
"Het is verschrikkelijk," snikte zy: "o indien gy zoo goed wilt wezen; het is ijsselijk...."
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar de kleine komenywinkel, waar zy haar kamertjen had. In het voorhuis zonk zy op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit de komenywinkel kwam naar voren loopen, met een baklamp in de hand.
"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw! wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gaauw in 't kantoortjen, juffrouw! ik ga de kaars opsteken."
Zy ging heen om den blaker van juffrouw NOIRET te halen, en ik bracht haar in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertjen, dat zy my als 't kantoortjen had aangewezen, en dat dien naam te recht verdiende, daar er niets in stond dan een kleinen hangoortafel, vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held VAN SPEYK.
"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de komenyvrouw uit, toen zy den blaker van SUZETTE aangestoken, en haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddelijk daarop uitgeblazen had. Ik liet haar een glas water halen. SUZETTE dronk er een teugjen van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zy niet spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige hospita al weêr, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het et disperaat op haar zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en een rooie schrikpoeier halen?"
"De juffrouw is aangerand," zei ik; "er loopt kwaad volk. Ik was er by tijds by; men wilde haar afzetten."
"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, het is een ijsselijkheid dat er geen werk is. En mijn KOBUS is ook nog by den weg; dien kennen ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet by 'em het dan zen zulver orlozie, en daar is een stevige koperen kast om; dat's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet pruisisch was hier in de stad. Der is nog reis een winter geweest dat et zoo erg was. [ 193 ]Et was in de tijd dat ik op allen dag liep van me derde. Maar toen brakken ze in by de lui, en kwammen voor de lui der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zal meheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en ze draaiden het driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: die waakt, die waakt; die slaapt, die slaapt! en in die omstandigheid, zal ik maar zeggen, daar je dan in verkeerde, daar bleef je ook in. Anranden! 't is wat moois in een kristenland! Gelukkig nog juffrouw dat ze je die japon niet of hebben angerand; dat zou een leelijkert wezen!".
En zy nam SUZETTE een toegespeld pak af, dat zy nog altijd stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten tabouretten.
"Breng het boven, moedertjen," zei ik, en laat ons even alleen, want ik hoop dat de juffrouw my den persoon zal kunnen beschrijven; dan zal ik hem aan de policie aangeven."
"Beskrijven; ja, dat gaat zoo ver as 't voeten het," andwoordde de klappei; "en weetje wat KOBUS zeit? ze krijgen er de verkeerden door te pakken. Laastleden varkemarkt hebben ze nog een jong gezel, een die hier, zel ik maar zeggen, vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd op varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hy mocht zoo by die poffertjeskraam staan te kijken, na die groote koperen schuttels en zoo; daar komt er een diender na 'em toe; die leest op een pampiertje; en toen kijkt hy hem an. Nou die jonge wist van den prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen 'em: jongen, zeit ie, ga jy reis effen meê. Ik dank je vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje, zeit ie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou dat waren niet anders as van die duimskroeffies, as meheer wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch meê vastskroeven, zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou die mocht die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezegd, zoo gedaan; daar holp geen lievemoederen an; hy most en hy zou meê. Maar toen hy vijf dagen had zitten brommen — hy was toch maar al die tijd uit zijn werk, zie je — daar komt die zelfde diender in zijn hok, zel ik maar zeggen, of waar dat ie dan zat, en zeit, dat ie maar stilletjens vort zou gaan. Maar hy zei, neen, zeidie, dat gaat zoo niet. Want hy wou der verhaal op hebben, zie je, menheer! Maar dat weten we wel, dat gaat zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven niet veel ofdoet; maar daarom zei KOBUS altijd, in die winter toen 'et nog reis zoo erg was: as ik er eentjen te pakken kreeg, ik zou 'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw NOIRET alleen te blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zy in tranen uit.
"Dit heeft hy my in de hand gestopt!" riep zy uit; "verbrand het in de kaars." [ 194 ]
En zy wierp een violetkleurig briefjen op tafel, dat zy in hare zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zy met eenen innigen afschuw: „Foei mijnheer VAN DER HOOGEN!"
Ik nam het briefjen op.
"Mag ik het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan my te pas komen." Ik herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak het in mijn portefeuille.
Toen SUZETTE wat bedaard was, deelde zy my mede, hoe zy sedert eenigen tijd overal vervolgd werd door VAN DER HOOGEN. Hy was immer op haar weg. By het gaan van haar kamer naar het hofjen, en by het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hy een paar malen het hofjen zelf tot zijne middagwandeling gekozen, en onbeschaamd by haar moeder ingekeken, en tegen haar, SUZETTE, geglimlacht. Zoo erg als van avond had hy het evenwel nog nooit gemaakt. Zy was uitgegaan om freule NAGEL een japon te passen, zonder hem nogthands te ontmoeten. De freule had haar by het heengaan, met hare gewone vriendelijkheid, als SUZETTE zei, de bescherming van haar lakkei aangeboden; maar zy had het afgeslagen, omdat zy niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen was de avond op eens gevallen, en zy was nog geen twintig schreden van het huis van den heer VAN NAGEL, of zy hoorde reeds den stap van VAN DER HOOGEN achter haar, terwijl hy haar door zonderlinge geluiden op zijne nabyheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te zien had zy hare schreden versneld; in haren angst had zy gemeend hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te gaan; hy was haar ook dáár gevolgd. Toen zy op de donkere gracht was gekomen, had hy haar om het middel gegrepen, en haar eenige woorden toegesproken, die zy evenwel door den schrik niet verstaan had. Hy had haar daarop het briefjen in de hand gedrukt, dat zy zich zeker werktuigelijk had laten welgevallen. Daarop had hy haar willen kussen, en had zy de woorden uitgesproken, die ik gehoord had.
Na deze mededeeling, en nadat zy geheel van den schrik zeide bekomen te zijn, ofschoon zy nog altoos bleek zag, verzocht zy my dat ik haar verlaten zoude. Zy wilde zich door een der kinderen van haar hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.
Ik vertrok.
Op straat verdiepte ik my in ernstige overleggingen hoe my na dit alles te gedragen. VAN DER HOOGEN had my sedert onze eerste ontmoeting niet willen bevallen; en ik had, op gelaat en manieren af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hy het hof aan HIENRIETTE maakte, had ik terstond gemerkt, en met leede oogen aangezien. Ik vreesde dat indien niet louter haar geld, dan misschien haar geld gecumuleerd met haar schoonheid den fat aanlokten; dien ik daarenboven voor een mauvais sujet hield, die haar ongelukkig zoude maken. On[ 195 ]danks alle hare kuren was HENRIETTE hiertoe te goed, en in gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in verstand verbeteren, en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot welker vereischten zy toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. VAN DER HOOGEN had my, zoo als de lezer zich herinneren zal, met een woord gezegd, dat hy ook te Leiden had "geresideerd," en daar ik het geluk had in de sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen, had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren niet gunstig voor den charmanten uitgevallen, en pleitten evenmin voor zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als amptenaar.
Ondertusschen was hy dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren, zich aan hare behaagzucht overgaf, en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zy eenige neiging had. Daarenboven kon men VAN DER HOOGEN eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tusschen hen beiden eene stille liefdeshistorie geworden; dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor my boven allen twijfel verheven. Ondertusschen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw NOIRET aan my vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw NOIRET voor alle verdere lagen te beschermen, en HENRIETTE, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te brengen, aan welks rand zy in zulk slecht gezelschap zich bevond. Wat ik eindelijk besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.