Naar inhoud springen

Camera Obscura/Een concert

Uit Wikisource
De Grootmoeder Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets)

Een Concert

Ochtendbezoek en Avondwandeling
Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn.
[ 177 ]
 

Een Concert.


De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er by, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van juffrouw HENRIETTE KEGGE, de mooie dochter van den rijken west-indiër, was gekomen.

De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer VAN DER HOOGEN was er zelf heengegaan om er hem te ontfangen; ja, hy was zelfs eenigzins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastenmakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, by het strijken, een der pooten op ' s mans likdoren hadden doen nederkomen, dat hem alleraffreust!" zeer had gedaan. [ 178 ]

Papa had aan het diner zich een paar malen onderwonden op te merken dat zijne dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval niet was: maar zy wilde ' t volstrekt niet bekennen, en zou er eindelijk zelfs boos om geworden zijn. Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven kwam de schoone HENRIETTE beneden. Zy droeg een zeer lagen japon van gros de naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; verder droeg zy geene versierselen hoegenaamd.

Mama KEGGE was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder eene groote toque met een paradijsvogel; een gouden halsketting die het dubbel kon wegen van dengenen dien zy altijd droeg, en waarmede zy geloof ik ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon was vooral niet minder dan vúúrrood.

De kleine HANNAH was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat zy ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zy geen van beiden konden opwinden, en waarop slechts een van beiden zoo wat half en half kijken kon hoe laat het was, scheen my toe niet overnoodzakelijk te wezen. Trouwens, indien zy er maar gelukkig meê geweest waren, ik had hun die uurwerken qua speelgoed gaarne gegund. Maar zy waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.

"Benje er niet heel blij meê? vroeg ik aan den oudste.

"Wel neen we!" andwoordde de jongste.

Mijnheer KEGGE wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar HENRIETTE stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.

De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De mouwtjens van den bruinen rok, dien hy droeg, waren nog korter dan van zijn groenen; de overgeslagene manchettes nog polieter en nog meer gesteven; zijne handschoenen nog geeler; zijn vest vertoonde in rood en zwart een schitterend dessein op een reusachtige schaal; hy zett'e zijn lorgnet in den hoek van zijn oog, om een overzicht van HENRIETTE te nemen.

"Om voor te knielen! " riep hy uit. ""Allercharmantst! Mevrouw KEGGE, je hebt eer van je dochter!"

En daarop huppelde hy weder heen om de familie in de zaal op te wachten, en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden, want het zou "criant" vol zijn!

HENRIETTE liep heen en weer door de kamer, en sprak nu en dan met den papegaai om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin eenigzins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwar[ 179 ]tier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wy reden ter muzijkzaal.

De charmante stond in den gang ons op te wachten, en bood zijn arm aan mevrouw KEGGE aan; ik volgde met HENRIETTE, en het luid gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muzijk voorafgaat, liet zich hooren. De komst van de familie KEGGE maakte eenige opschudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden, en die door den heer KEGGE, naarmate hy hen passeerde, zeer luidkeels gegroet werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te bar voor een publieke plaats.

"VAN DER HOOGEN! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat vooraan. HENRIETTE moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze spelen zal. Hier dunkt me. Op deze drie stoelen! HENRIETTE op den hoek, mama in 't midden, en de kleine kleuters dáár."

Toen keek hy triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerksel deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adelijke heeren, die rondom stonden, maken zoude.

Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie juffrouw KEGGE: een aantal hoofdtjens van dames die in een zeer druk gesprek gewikkeld waren, draaide zich van tijd tot tijd naar haar om, zonder evenwel den schijn te willen hebben, er werk van te maken haar te zien. Sommigen keken verbaasd van de toque van mevrouw, anderen lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer, een paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.

"Is de freule NAGEL hier ook?" vroeg HENRIETTE, haar donkeren boa een weinigjen latende zakken; want in de laatste dagen had zy veel aan de hooggeborene gedacht.

"Nog niet," andwoordde hy, zijn lorgnet uit zijn oog latende vallen, als of het een groote traan geweest ware. "Nog niet, maar zy komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite by den baron." "VAN DER HOOGEN!" zei ze, "ik languisseer naar morgen avond! Ei zie, daar komt zy juist. Zy zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"

De dame, die hy daarop als de freule CONSTANCE uitduidde, werd binnengeleid door een oudachtig edelman, met een byna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangrijk voorkomen byzett'en. Zy zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur hair was van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigzins gebogen neus, en maakte daarmeê de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte pinkers, [ 180 ]die er iets buitengewoon zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd, en de zuiverheid harer donkere wenkbraauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad hebben, indien niet de vriendelijkheid van haar doordringend oog dit had weggenomen. Zy was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, behalven dat zy niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en eene kleine mantille van zware witte zijde met zwanendonzen rand rustte met veel kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw die gezegd werd ziek te zijn naar de marabouts van juffrouw KEGGE en te smachten naar een concertavond.

Zy koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer VAN DER HOOGEN deze omstandigheid in 't vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zy hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hy die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hy de freule NAGEL (en hy moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waarvan hy zoo hoog had opgegeven. De freule beandwoordde zijne diepe buiging met eene stijve groete, die hem op een allerakeligsten afstand hield, en voor zoo ver ik bemerken konde kwam er in de weinige woorden, die zy hem ten andwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van VAN DER HOOGEN, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op HENRIETTE opmerkzaam maakte, maar zy was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer VAN DER HOOGEN was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hy was werkend lid, wendde zy haar schoon hoofd even om en wierp een blik op HENRIETTE, die my juist influisterde dat de freule NAGEL zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine HANNAH had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was byzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zy vond "dat er dol uitzag, met die bayadère van gitten."

Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zy met die opkomst eenigzins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames- concert zijne krachten samenspant om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respective lessenaren, en begon dat vervaarlijk, snerpend en krassend kattenmuzijk daar te stellen, hetwelk ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt te moeten voorafgaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare oogen en alles vervoerende tailles!) naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. [ 181 ]Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten staafjen en de symfonie begon. Natuurlijk de zooveelste van BEETHOVEN. Wel mocht GOETHE[1] zeggen, dat de gedaante van den muzikant het muzikaal genot altijd verstoort, en dat de ware muzijk alleen voor 't oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt, blaast, of zingt, qualitate quâ, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker leelijker, dan een gantsche menigte manspersonen met dassen, rokken, en somtijds épauletten, manspersonen met zwart hair, blond hair, grijs hair, rood hair, en in 't geheel geen hair, en met allerlei soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien vermoeien en afwerken, achter een gelijk getal houten en koperen instrumenten, tot dat ze bont en blaauw in 't gezicht worden, alleen om een effect daar te stellen, zoo weinig evenredig, zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig analoog aan de middelen. Eene geestige vrouw zeide my eens, dat zy honger kreeg van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet van het open nedergezweef van een vijfentwintig strijkstokken, en van al de bewegingen met wangen, armen en handen die een vol orkest maakt. Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wy moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de toilettes en van onze mooie oogen?

Ondertusschen zou ik GOETHE tegen moeten spreken, indien hy beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muzijk te maken heeft; want ik moet mijn lezers de gewichtige bekentenis doen, dat ik de muzijk, in het afgetrokkene, waarlijk zie; en ik twijfel niet of zy zelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen, als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen en kurkentrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muzijkstuk voor mijn gevoel in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hy in een eeuw leeft waarin hy al zulke dingen behoort te begrijpen; en indien hy kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hy aan de Hesuchisten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zy haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.

Drie der gewone onderdeelen van de symfonie waren afgespeeld, toen ik my zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn introductiekaartjen gebruik had gemaakt, maar te verstandig was by deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geene no[ 182 ]titie van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen hun neefschap luide uit, en laten zich door niets omkoopen.

"Moet nu nicht KEGGE er niet an?" fluisterde hy my met een vergenoegd gezicht in 't oor.

"Wel neen!" andwoordde ik, nog in lange niet."

"Ik verzeker u van wel!" hernam hy; "of dat rooie papiertjen moet jokken. Kijk, zei hy: ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."

De goede DE GROOT had een der onderdeelen van de symfonie voor een obligaat op den horen genomen. Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hy betuigde dan ook al gedacht te hebben: "Wat merk ik dien horen weinig!"

De man met den horen verscheen op zijn beurt, geheel in ' t zwart, en met lange hairlokken, blinkende van pomade. Hy maakte een stroeve buiging en zette een gezicht als of hy ons allen verachtte. Dit stond hem evenwel leelijk, want hy verdiende dien avond een goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor geld en goede ontfangst ten minsten een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan den oorschelp, en riepen Ssss Sst.., als de jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer KEGGE was in dit Sst.., roepen zeer overvloedig, en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hy zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde ook van alle mogelijke "groote hanzinnen en adelijke dames."

De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn horen vol, tot algemeene verrukking der aanwezigen, die van een horen hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veel beduidend aangezicht beweerden dat het POT DE VIN niet was, eene blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn horen op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hy als een jichtige fagot, dan weder had hy al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weer het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hy op hetgeen hy waarlijk was, een klephoren; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zou gezworen hebben dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte my gedurende het spel machtig met het [ 183 ]gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd, en allerliefste knipoogjens aan alle de leden rondzond, die te gelijker tijd moesten beduiden hoe heerlijk hy het vond en vragen of zy het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht by my, met zwarte hairen en bleeke wangen, die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel, en de maat met zijn teenen sloeg, en dan weer een hoe-is-het-mogelijk gezicht zette en een verschrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hy dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar billiartte, en hoe'n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe de duizendkunstenaar enkel speelde omdat hy ' t niet laten kon, en welk een duizendwondertjen van een mooi snuifdoosjen de duizendkunstenaar van een princes had gekregen; en hoe hy zelf in eigen persoon op de repetitie van den duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had dat die eigen horen daar hy op speelde, hem duizend gulden had gekost.

Nu had er eene machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet hoeveel lessenaars werden achteruit geschoven. De kastelein van de concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waschkaarsen op den piano, en de heer VAN DER HOOGEN maakte hem open, plaatste de muzijk er op, en schoof de tabourette er onder van daan. Al de heeren verlieten het orkest — uitgenomen de contrabassist, een oud man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen in de zij plaatste — en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop daalde de heer VAN DER HOOGEN af, om, door HENRIETTE af te halen, provisioneel aan zijne bestemming te voldoen. Zy zag zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den horen juist niet veel gehad te hebben. De heer VAN DER HOOGEN nam haar by de pink en leidde haar op. Zy maakte een compliment, zeer gracieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot de diepe neiging en het verleidelijk gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop onder een luid handgeklap, en een onstuimig voorwaarts dringen der heeren, plaats voor het instrument, trok hare handschoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.

De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging harer pols, maar langzamerhand herstelde zy zich; haar natuurlijke kleur kwam weder, en zy speelde als of zy te huis was met de haar eigene verwonderlijke vlugheid.

"Indedaad, het was wonderlijk dat menschenvingers dat doen konden!" fluisterde DE GROOT my in, nadat hy een weinigjen van den schrik bekomen was, die het optreden van HENRIETTE den goeden man gekost had, "'t Is als of ze aan draadtjens zitten. Alles leeft wat er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo [ 184 ]niets was. En ze slaat er goed op, ook! Dat's verraderlijk," zeide hy, als zy na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, zonder om te zien plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat gaauw; 't is als of je een goot hoort loopen."

De heer VAN DER HOOGEN stond, met een hoek van ten hoogsten honderd en dertig graden, naar den piano gebogen, en maakte zich verdienstelijk met het omslaan der bladen, maar toen hy aan de laatste bladzijde was, nam hy voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand op den piano leunende, en de andere in de zijde zettende, terwijl hy zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of zy ook nog, in ' t voorbygaan, een hart of tien veroveren mochten!

Het stuk was uit. HENRIETTE stond op, en dankte met een stuursch gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weder tot haar plaats en deelde in haar triomf. De oude KEGGE had tranen in de oogen, en de charmante drukte hem de hand. Het was onbegrijpelijk charmant geweest!" HENRIETTE liet zich door mevrouw KEGGE den boa weder op den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop begon zy een gesprek met de kleine HANNAH, zoodat de geheele wareld verbaasd stond over eene jonge dame "die zoo voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusjen."

De drukke finale der symfonie waarin machtig veel gepaukt, en machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.

Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op het programma dan eene korte pauze, en zulks is niet te verwonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheid, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht, en behaagzucht hier byeen zijn.

Indien men eene wage had op welker eene schaal men alle deze vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover op de andere het muzikaal gevoel — ja, leg er het muzikaal gehoor maar by! deze laatste zou ongetwijfeld omhoog rijzen.

En gewichtig voorzeker was dat oogenblik waarop deze koopbeurs van beleefdheden en praatjens aanging, en het hoffelijk gedrang begon. Als de blonde en bruine hoofden, de vederen en de bloemen zich ophieven, de starren op de voorhoofden haren loop begonnen, en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "pulcrarum matrum filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vrolijke lachjens opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een glimlach, de ander met [ 185 ]een sentimenteel gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een boos, de andere onnoozel, en de derde kippig keek uit verlegenheid; waarvan de een om te beginnen zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de andere in het wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van dezen moest berusten in een naauw vest, en gene een filtre meende te bezitten in de gedaante van pomade à l'oeillet; daar de talisman van een derde in zijne handschoenen berustte, terwijl een enkele begreep dat hy het meest zoude intéresseeren door met een knorrig gezicht en een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.

Ik deed mijn best om HENRIETTE te genaken, die in een kring van heeren stond, welke zy ten deele kende, ten deele nimmer geluid had hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn compliment, en liet my daarop van hoeken tot kanten dringen, waarby ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat my voor dien avond belangrijk voorkwam.

"Ze zullen die juffrouw KEGGE, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op hol maken! merkte eene mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."

En zy sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, als of zy er van afzag den geheelen avond iets meer in het midden te brengen.

"O, ik vind dat ze er allerintéressantst uit kan zien," sprak een jonge dame, in andwoord op het zeggen van een heer van middelbare jaren, dat juffrouw KEGGE heel mooi was; "maar van avond, dunkt my, heeft zy haar beau jour niet."

"Kent u die familie KEGGE?" vroeg eene andere aan een jong heer, en zy legde duizend pond nadruk op den naam.

"Vraag excuus! " was het andwoord, "ik weet niet anders dan dat de menschen rijk zijn... maar, "ging hy zachter voort, ze zijn volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of zoo wat, en haar vader...die heeft fortuin gemaakt in de West."

"Ik vind ook wel, dat men haar dat aan kan zien," sprak een derde, die dit gesprek had gehoord, schoon zy er met den rug naar toe had gestaan, zelve eene fysionomie vertoonende, die alles behalve ongemeen was.

"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen kant, uit den mond van een jong meisjen van dertig, die zeer fledsch uit de hare keek.

De freule VAN NAGEL scheen zeer tevreden over het spel, maar liet zich over de speelster volstrekt niet uit.

Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middel[ 186 ]baren leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Alle de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich, de eene voor, de andere na, by haar brengen. De jonge dames deden haar best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarby behoorend lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zy gaf een soort van pleeggehoor. Meermalen poogde zy te gaan zitten, maar juist op het oogenblik dat zy er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand, om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de goede gratie, waarmede zy zich terstond weer tot den nieuwaangekomene wendde, en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed beandwoordde. Hare dochter, een meisjen dat nog geen zestien jaren mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Hetgeen beider beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene, het volkomen vriendelijke en vrolijke dat haar eigen was, en niet anders voortkomen kon, dan uit eene lieve, harmonische stemming des gemoeds, en eene heldere tevredenheid des harten. Voor my was het een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen komen als laagheid, en welwillendheid als huichelary. Waarlijk, die echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste, en ik wenschte wel dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten der wellevendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik dat van haar gemaakt is door intriganten en hypocriten, neemt niet weg dat zy een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.

Ik vernam naderhand dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde; die niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.

Den stroom volgende werd ik nog voorby vele paartjens gesleept, die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen, die zich verstoutten, hun geheel onbekende dames noodelooze diensten te doen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen waren, en shawls over haar stoel te hangen, die zy nog niet noodig hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjens die iedereen uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor haar stoel, te midden van een jong geslachte, inmobilis in mobili, en her[ 187 ]innerde zich de dagen dat ook zy mobieler was; of verbeeldde zich dat zy ook nog mobieler ziju konde indien zy maar wilde; of verheugde zich dat nu haar kinderen waren, zoo als zy geweest was; of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.

Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffykamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden vond men van alles. De muzijk, het ijsvermaak, en het tabakrooken, neemt allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rookers; daar waren er die pijpen, daar waren er die sigaren, daar waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht: anderen deden het alleen omdat de rook der anderen hun dan minder hinderde. Daar waren er die het niet laten konden, en daar waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de kleine KEGGETJENS drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk ook ieder een sigaartjen in den mond, ter zake waarvan hun vader lachte dat hy schaterde.

"Die juffrouw KEGGE speelt admirabel, niet waar!" zei een beschaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met een waldhoren gezien had.

"Ze speelt verdraaid vlug!" andwoordde die van den waldhoren.

"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit blies.

"Smaak?" riep een klein heertjen, die zich juist aan een heet glas punsch brandde, met een pieperig stemmetjen, "smaak, geen zier smaak! al den duivel vlugheid, kunstjens, brille."

"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den mond van een werkend lid.

"Ja, en een weergasche mooie meid ook," andwoordde een honorair lid.

"Foei, oude snoeper, waar kijkje na! " zei de eerste spreker.

Zoo gaat het, wanneer gy op concerten speelt. Waarom laat gy het niet liever?


De tweede afdeeling bood niets byzonder opmerkenswaardigs aan. Een welgemaakt officier der zware ruitery trad in burgerkleeding met een wit vest op, en zong een paar coquette romances, die beurtelings zeer laag en zeer hoog liepen, en met een afwisselend kwaadaardig en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon en de inhoud zoo min overeenkwamen met zijn zware knevels, als met de op- en neder-gesten, die hy met het tusschen zijn beide handen uitgespannen blad papier maakte. Voorts hadden wy nog een obligaat op de violoncel van een duitscher, met een plat hoofd en een gouden bril; en het concert eindigde, [ 188 ]zoo als een deugdzaam concert behoort te eindigen, met eene ouverture.

De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door een gevoeligen tocht gezuiverd. De boas en pélerines werden opgehaald. De céphaliden werden om die kopjens, die er lief mee uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden; en de jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone naar haar rijtuig te geleiden, met het stellige voornemen om die nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren die vrouwen hadden, waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren die paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang zou moeten wachten; de jonge meisjens speet het dat het hare zoo vroeg kwam; en enkele opgewondene jonge heeren spraken er van dat het aardig zou wezen, de concertzaal in een balzaal te veranderen, en hingen eene verleidelijke schildery van deze zaligheid op.

VAN DER HOOGEN was weder in ons midden, en stond zoo dicht mogelijk tegen den linkerarm van HENRIETTE aangedrongen. Zy was allerliefst jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot misbaar "de koets van mijnheer KEGGE!" aankondigde, draaide zy zich eensklaps om, en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn arm aan. Van dien oogenblik aan haatte my de charmante. Zegevierende zag HENRIETTE om. Mijnheer KEGGE, die haast maakte, volgde met mevrouw; VAN DER HOOGEN moest zich dus met de kleine HANNAH behelpen, naar welke hy zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wy by het verlaten der zaal heentogen. Een charmante spitsroede.

Wy kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het dessert dook de heer KEGGE zelf in zijn wijnkelder, en bracht zulk eene menigte van allerlei merken boven, dat het hart my van angst in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de party was, stelde een toast op de schoone pianiste in, en las daarby een fransch extemporeetjen van zijn eigen maaksel voor, waarin hy op eene charmante wijze over alle de regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide hy dat HENRIET een mooi meisjen met bruine oogen, een engel, en eene godin der muzijk was, en daarby kwamen eenige aanmerkingen omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wy waren allen geheel bewondering, en mevrouw KEGGE niet het minst, hetgeen ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte, daar HEd, van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer KEGGE dronk den dichter, en de dichter dronk den heer KEGGE; en de heer KEGGE liet de kurken van champagneflesschen tegen den zolder springen; en de heer VAN DER HOOGEN sloeg met de platte hand op champagneglazen, dat de wijn op nieuw begon te schuimen; en dit alles was ter eere van juffrouw HENRIETTE KEGGE.

  1. Wilhelm Meister's Lehrjahre.