Camera Obscura/De grootmoeder
| ← Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts iets droevigs | Camera Obscura (1864) door Hildebrand (Nicolaas Beets) | Een Concert → |
| Uitgegeven in Haarlem door De erven F. Bonn. |
De Grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met rood lederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot het meubilair van haar eigen kamer behoorde, by het vuur. Een kleine tafel was daarby aangeschoven, en daarop lag een engelsche octavo Bijbel, waarin zy ijverig las. Zy hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend naar haar op. Werkelijk volgde hy met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zy van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg. Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zy nooit dan by het middagmaal verscheen, en na afloop daarvan onmiddelijk weer vertrok. Was het alleen dáárom dat zy mijne belangstelling prikkelde, of was het om haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen; de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zy sprak; en de verknochtheid van haren schoonen, langen hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk dat zy een gesprek met my zou aanknoopen.
Zy scheen mijne binnenkomst niet bemerkt te hebben, en terwijl ik my nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van PAULUS oplezen: For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope; for what a man seeth, why doth he yet hope for. But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it (Rom. VIII. 24, 25).
Zy schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjens herhaalde zy de woorden: then do we with patience wait for it. Plotseling bemerkte zy dat ik my in het vertrek bevond.
"Gy zult my vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zy; mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
"Gy leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw! andwoordde ik; de drukte zal u misschien hinderen.
"o Neen!" hernam zy, met eene luide stem; "ik ben sterk genoeg. [ 175 ]Mijn hoofd is zéér sterk; ons menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek" zeide zy op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
Zy zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met de bruine hand. Daarop hief zy zich weer een weinig in haar stoel op.
"Gy zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer HILDEBRAND," hernam zy; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is van dien aart dat.... Zeg my eens, heeft men al eens met u over den lieven WILLIAM gesproken?"
"Het spijt my, mevrouw! dat ik u ontkennend moet andwoorden. Neen! men heeft met my nog geen woord over WILLIAM gewisseld."
"Heb ik het niet gedacht!" riep zy uit, hare handen in elkander slaande en een diepen zucht lozende, die in een droevigen glimlach overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
Zy zag treurig haar hond aan, die, als verstond hy hare klachten, zijne voorpooten op haar schoot legde, en zijn kop tot haar aangezicht ophief, om haar te streelen.
"En toch is hy nog geen drie jaren dood, Diaan!" zeide zy, den poot van den hond aanvattende; "de lieve BILL is nog geen drie jaren dood. Ik wil wedden, voegde zy er met nadruk by, dat de hond hem nog niet vergeten heeft." Eenige oogenblikken zat zy in een gepeins, waarin ik haar niet durfde storen.
"Hy was mijn oogappel!" barstte zy uit, "mijn lieveling, mijn uitverkorene, mijn schat!" En toen bedaarder: "hy was een lieve jongen, een heele lieve jongen; niet waar, mijnheer HILDEBRAND?"
"Dat was hy," zeide ik.
"En toen hy wegging, ging de grootmoeder voort, was het my als of het my werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan hield hem by zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? BILL had niet moeten weggaan. Hy had moeten blijven, moeten oud worden, in de plaats van de vrouw. —"En als hy dan had moeten sterven, dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft het nu gedaan?.."
Wat deed het my goed aan het hart haar te kunnen zeggen, dat ik het zelf was.
"Indedaad?" vroeg zy met een zachten lach. "Ik benijd u." En zy zag my aan met een langen en strakken blik.
"Dezen zakdoek," ging zy na eenige oogenblikken zwijgens voort, op den foulard wijzende, dien zy om den hals droeg, "liet hy by het afscheid liggen. Hy ging de deur uit, maar kwam nog weer terug om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem [ 176 ]in zijne tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"
Zy sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde my de brieven die zy van WILLIAM ontfangen had en in dat boek bewaarde. Zy nam er eenen op, en tuurde een poosjen op het adres.
"Hy schreef een mooie hand; deed hy niet?" zeide zy, en reikte my den brief toe.
Ik las het adres. Het luidde: Aan mevrouw E. MARRISON. E. M.! Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien hy my op zijn sterfbed gegeven had. E. M. Ik had aan dien ring een gantschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, jeugdig meisjen gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor WILLIAM geopend had! Maar hoe veel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind. Schoon ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam hem van mijn vinger.
"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hy my op zijn sterfbed. Hy beval ze my aan als iets dat hem zeer dierbaar was."
Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
"Mijn eigen ring! " riep zy uit. Ja, ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hy hem altijd gedragen?"
"Tot weinige uren voor zijn dood!"
"En zeide hy dat hy hem zeer dierbaar was? De lieveling! Heeft hy zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook by zijn grootmoeder? Zie je wel, Diaan!" zeide zy tot den hond, "het is het ringetjen van de vrouw, dat de lieve BILL gedragen heeft. Hy heeft ons niet vergeten. Diaan! en wy hem niet — ofschoon dan ook.... Ach, mijnheer!" ging zy voort, "mijne dochter was in ' t eerst zoo hevig bedroefd: maar zy gevoelt niet diep; zy was de laatste, de eenig overgeblevene, maar niet de gevoeligste mijner kinderen. Ook had zy zoo veel kinderen over. Maar ik, ik had mijn hart op WILLIAM gezet: hy droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven WILLIAM. Hy was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teder, zoo aanhalig voor my. Het was een lieve jongen! Wat doen wy hier zonder hem, Diaan?"
Weder volgde er een korte pauze.
"KEGGE is een goed mensch!" ging zy voort. Hy is goed, hy is hartelijk, hy is week. Maar hy is vol valsche schaamte; hy wil nooit met een traan gezien worden. Hy verdrijft zijn beter gevoel door luidruchtigheid. Toen hy HANNAH trouwde was zy een speelsch kind, dat met zes jonge honden door de plantaadje liep. Hy heeft haar niet ontwikkeld, niet geleid; zy ziet hem naar de oogen, zy richt in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zy niet anders zijn dan hy [ 177 ]zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen KEGGE, en daarom leef ik liever alleen. Hy verstaat my niet; en dan! dat er nooit, nooit een woord over den lieven WILLIAM gesproken wordt! Maar wy spreken van hem, niet waar. Diaan!" en zy streelde hem zachtkens over den kop; wy spreken van hem. Hy was zoo goed voor den hond, en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen BILL nog met hem spelen!..."
Zy nam den ring weder op.
"Ik zal hem u weêrgeven, als gy weggaat," zeide zy, "maar laat my hem nog een paar dagen houden."
"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gy hebt er de grootste en tederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
"Mijn geheele leven!" andwoordde zy; ik wenschte wel dat dat niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een engelschman, maar mijn moeder eene westindische van ouder tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is my hier te laf, de zon te flaauw! Zoo gy wist wat het my gekost had de West te verlaten. Maar mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken my hierheen. Ook wilde men my niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis waar ik WILLIAM voor my had gezien, ik moest afscheid nemen van de plekjens waar ik hem had zien spelen, waar hy op zijn klein paardtjen voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen zien; ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond...."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in zijne oogen:
"En wat zal er dan van Diaan worden?"