Naar inhoud springen

Camera Obscura/Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, en voorts iets droevigs

Uit Wikisource
[ 165 ]
 

Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens
zijn; en voorts iets droevigs.


De verguldparty zou uiterlijk ten half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik my op weg naar de woning van den koekebakker DE GROOT, of zoo als HENRIETTE altijd zeide, van de "DE GROOTEN." Zy was vrij verre van het huis van den heer KEGGE gelegen, en ik ging op de voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer KEGGE af.

Plotseling bevond ik my in eene donkere steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die my toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggende stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekebakker en zijne vazallen, die in hun witte linnen pakjens dergelijke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke HENRIETTE versmaad had verder te volmaken. Ik stond een o0genblik stil, en verlustigde my in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zy de lekkernyen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zoo als maltentige menschen beweeren, ziek zouden maken. [ 166 ]

"Nou, wat weergâ, jongen! laat mijn ook reis kaiken!" zei de een, en ondersteunde zijne begeerte met eene hevige beweging der ellebogen.

"Doppie, JAN! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker een Jan Klaassen!"

"Ben je mal, jongen!" riep een derde; "'t is een waif!"

"Nou as dat een waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien dat PIET in den kelder valt."

"Hou je elleboog voor je, GERRITJEN; ik waarsckou je, hoor!"

"Pas op, PIETJEN! of je holsblok gaat de bakkery in."

"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtjen?"

"Wat doet die dikke nou weer? Hy doet meel an zen knuisten!"

"Wel nou, mot et deeg dan aan zen vingers blaiven hangen? Jy bent ook een mooie..."

"Wacht een beetjen! Dat's een kokkert, — die kost wel een daalder, hoor!"

"Hoor je hem! je zoudt er wel kommen met een daalder."

"Een daalder op je oogen."

Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit atelier. Op den hoek van ' t huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van den zoeten inval stond afgebeeld, en daaronder "H. P. DE GROOT. ALLE ZOORTEN VAN KOEK EN KLEYN GOED." Ik was dus te recht. Ik trad den winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwenstemmen, in eene belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretjen daar op uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de party aan den gang was, en ik my nogmaals luidkeels moest aanmelden voor er iemand opdaagde.

De glazen deur ging open, en het mooie SAARTJEN verscheen, met een hooge kleur, als iemand, die uit een zeer druk gesprek, of uit eene zeer warme kamer komt.

"U alleen, mijnheer HILDEBRAND?"

"In plaats van uw nichtjen KEGGE, lieve juffrouw! ik kom haar by u verschoonen."

"Maar u zult toch binnenkomen?"

"Een oogenblikjen."

SAARTJEN opende de deur op nieuw om my in te laten, en ik overzag de schare.

Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw MIETJEN DEKKER, de dochter van een deftigen kleedermaker; en aan hare zijde, met een grooten doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, KEETJEN DE RIET uit den kruidenierswinkel. En daarnaast PILTJEN HUPSTRA, wier vader het gewichtig ampt [ 167 ]van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozenrood tissuutjen door een ringetjen gehaald. Dan had men er TRUITJEN en TOOSJEN, de twee telgen van den heer OPPER, voornaam metselaar, waarvan de eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen, en de andere een dito met een houten pluim droeg; maar die in dezen huisselijken kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel van eene blaauwe en eene roode céphalide; in de stellige overtuiging dat er in dit ondermaansche geen bevalliger of modieuser damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere GRIETJEN VAN BUREN, die de oudste van de gevraagde party was en een à tweeëndertig jaren tellen mocht; zy leefde in otio cum dignitate van eene kleine lijfrente haar door eene oude vrijster gemaakt, by wie zy iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest; zy droeg een mutsjen met een smal kantjen, en een tourtjen aan twee kleine trosjens rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik BARTJEN BLOM, wier vader een deftige spekslagery had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar middelsten vinger droeg, omdat zy zich ongelukkig aan gemelden vinger had verwond, by welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling SUZETTE NOIRET, dochter eener weduwe, die op een hofjen woonde, en van de fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde in het bruin met het blonde SAARTJEN, waarnaast zy gezeten was; en eindelijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder DE GROOT zelve, eene dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed, en dragende eene muts met eene groote hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zy op den vijfden december dragen zou. De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie by juffrouw DE GROOT, die gehoopt had met nicht HENRIETTE te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zoo als zy zeiden, schoon ik my overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van GRIETJEN VAN BUREN ontwikkelde, met de betuiging, "dat het jammer voor juffrouw KIGGE was; zoo reis vergulden dat was altijd nog reis aardig."

"Ik hoop," zei juffrouw DE GROOT, "in de aanstaande week, de kleine neefjens en nichtjens der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo wat klein grut."

"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte juffrouw VAN BUREN aan, haar penceel indoopende en een lange streek goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.

"'t Ziet er wel prettig uit," zei ikzelf; ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de party zijn?" [ 168 ]

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vrolijkheid te weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende. Tot de edele kunst van vergulden, ook wel met eene by alle koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd, zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penceel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht hetwelk jagers de pluim en gewone menschen den staart noemen, en in dit byzonder geval dient om het opgelegde goud _aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve SAARTJEN, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder DE GROOT, die ook de thee schonk, boekjens bladgoud in breeder en smaller reepen knipte om ieder daarvan behoorlijk te voorzien; terwijl de tafel met kopjens met water bezaaid was, en ieder der genoodigden met een penceel en een konijnenpluimtjen was uitgerust. Men voorzag ook my hiervan, en by ieder materiaal of instrument dat ik in handen nam, proestte men het uit van 't lachen, en ging een kreet van verbazing op.

"'t Is zonde!" betuigde MIETJEN DE DEKKER.

"Heb ik van mijn leven?" informeerde KEETJEN DE RIET.

"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van de roode céphalide.

"Meheer doet het heusch!" verklaarde die van de blaauwe.

"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei GRIETJE VAN BUREN.

"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar juffrouw DE GROOT?" vroeg BARTJEN BLOM, die het goed met my scheen te meenen.

Maar SUZETTE NOIRET en SAARTJEN wezen my te recht en deden 't my voor.

Nu moeten mijne lezers, die misschien laag op de schoone kunst van koekvergulden neêrzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepjen voor den grond, en een ruitjen op zijn lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierentwintig stuivers netjens te vergulden, tot de plooitjens van de kraag, en de ruitjens van den breizak toe; een EVA by den boom op te sieren, geen enkel appeltjen (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjens afte zetten, zoo als juffrouw VAN BUREN deed; en een koets met paarden als juffrouw DE RIET, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders! Het is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u dat koekvergulden en [ 169 ]koekvergulden twee is, en dat er byvoorbeeld een hemelsbreed onder scheid was tusschen den vrijer dien TOOSJEN en den vrijer dien TRUITJEN had uitgemonsterd, zoodat TOOSJEN zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe TRUITJEN dien parapluie zoo natuurlijk kreeg, waarop de vrijer van TRUITJEN dan ook rondging, en het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde. Ik voor my kan u als eerlijk man betuigen dat my, nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, dien juffrouw NOIRET onder handen had, had beproefd, en my van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten, dat my, zeg ik, eene koude rilling door de leden ging, toen er eene groote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbygestane verandwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water die men op de plaats penceelt waarop men het goud wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroêr? Spoedig was men het er over eens dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der kritiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. MIETJEN DEKKER met de bloedkoralen, KELTJEN DE RIET, en PIETJEN HUPSTRA hadden het heel druk met juffrouw DE GROOT over "fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant," drie onder mekaar van "in den bloei van 't leven", en twee van "door een ongelukkig toeval." Voorts spraken zy veel van "pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koortsen." Zy roerden ook het teder onderwerp van "vomatieven, en opperaties," en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van BARTJEN BLOM.

"Zy moest er toch niet te luchtig over denken. De een zei, zy moest er den meester by halen, maar de ander beweerde dat zy er den meester niet by moest halen, en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest die den duim van den neef van haar zusters man verknoeid had; de een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er by was; de andere ried zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg. En BARTJEN BLOM dacht er over hoe zy deze verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte GRIETJEN VAN BUREN zich van den boventoon meester, en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule TROES, van wie zy hare lijfrente had. Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouën gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen, als ze ze geschild had; en dan telde ze na of der — hoe veel is 't ook weer? viermaal vierentwintig? — als ' t viermaal vijfentwintig was, dan was 't net honderd, dat's vier [ 170 ]minder, dat's zesennegentig, of der zesennegentig vierdepartjens waren, en als ze dan op tafel kwamen nog eens." Waarop die van de blaauwe en roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. BARTJEN BLOM vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die ze by den weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anecdotes van befaamde engelsche gierigaarts te verhalen, die by al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zoodat men my zeer aardig begon te vinden, maar tusschenbeiden ook aanmerkte dat ik er maar wat van maakte."

Juffrouw NOIRET was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om haar mond, die my deed onderstellen dat zy niet gelukkig was.

SAARTJEN was allerliefst, en schoon het geheele gezelschap in beschaving vooruit, echter ook hier volkomen op haar plaats en zeer eenvoudig. Zy liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te voorzien; en GRIETJEN VAN BUREN begon haar veelbeteekenende oogen toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat ze haar met my plaagde, tot groot genoegen van alle de anderen. Evenwel kreeg BARTJEN BLOM ook haar beurt, daar men haar laatst by het uitgaan der kerk zoo vriendelijk had zien groeten tegen een zekeren KEES; maar zy wendde de scherts af, door haar op die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met den zelfden KEES in 't paardenspel geweest was, en die van de blaauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar zuster en KEES, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt;" waarop die van de roode zeide, dat die van de blaauwe wel zwijgen mocht; waarop GRIETJEN VAN BUREN aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop BARTJEN BLOM uitriep: "Nu, nu, GRIETJEN! ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!" waarop GRIETJEN verklaarde, dat BARTJEN een ondeugd was. Ik merkte op dat SUZETTE NOIRET door niemand geplaagd werd.

Om een uur of half acht kwam er een groote ketel met anijsmelk binnen, die door al de dames "deli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wy zaten op te luisteren, eens even uit de bakkery opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vrolijke man, die er heel veel plaisir in had, toen BARTJEN BLOM hem knipoogend vertelde, dat TOOSJEN en TRUITJEN OPPER vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop TOOSJEN aanmerkte dat zy, BARTJEN, wel zwijgen mocht, daar zyzelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld, waarop de koekebakker dreigde, [ 171 ]dat geen van de dames de deur uit zouden komen, voor hyzelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vrolijkheid tot uitgelatenheid. DE GROOT stopte een klein houten pijpjen dat hy in de hand had, en daalde weder ter bakkerye.

Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de ooren. De een was een broer van PIETJEN HUPSTRA, en schreef op 't stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen OPPER, en voor 't kastenmaken bestemd; en de derde, een broêr van KEETJEN DE RIET, ondermeester op een hollandsche school; het doel van hunne verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne bescherming zouden willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zei juffrouw DE GROOT dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd "als de heeren er by kwamen," en er werd besloten dat men nog gaauw een pandspelletjen doen zou. Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zoo veel onschuldige vreugde by malkaar gezien als toen de oude juffrouw DE GROOT een drommedaris wilde laten vliegen. BARTJEN BLOM werd met "den vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester DE RIET beweerde dat hy niet vloog, maar fladderde. Hoe dit zij, hy verbeurde pand, en al de heeren verbeurden pand, en SAARTJEN verbeurde pand, en wy verbeurden altemaal pand.

Toen werd GRIETJEN VAN BUREN verkoren om al de panden te doen terugkoopen, en werden de bloedkoralen armbanden, en de bloedkoralen speld van MIETJEN DE DEKKER, met en benevens het tissuutjen van KEETJEN DE RIET, en een "lodereindoosjen" van haarzelve, en een vingerling van de oude juffrouw DE GROOT, en een pennemes van den ondermeester DE RIET, en een menagère van BARTJEN BLOM, en een horlogesleutel van den kastenmaker OPPER, en een huissleutel van den klerk HUPSTRA, en een beurs van myzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in haarEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, waarvan ik dit pand in handen heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wy tot het terugbekomen onzer kleinodiën moesten ten uitvoer brengen, als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het byenkorfjen, en anderen, waarby machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps niet toen TOOSJEN OPPER iets heel moeielijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat BARTJEN BLOMS pand voor den dag [ 172 ]zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldenkoker bleek te zijn; of toen de heer HUPSTRA in het spaansch speksnijden, dat hy nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw NOIRET had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den jongen OPPER het lot te beurt viel haar den zoen te geven! In een woord, het was aller-aller-prettigst, en de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte my duizendmaal meer onder deze goede vrolijke menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuis gebleven onder den sublimen piano van juffrouw KEGGE, en den charmanten viool van den charmanten VAN DER HOOGEN.

De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heeren verdeeld, en ik nam op my juffrouw NOIRET, die my zeer interesseerde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en ons cen hartelijk afscheid, de drie bollebuizen drukten my allen zeer voelbaar de hand, en ik was zeer te vreden met de vriendschap die ik zoo onverwacht had aangeknoopt.

Juffrouw NOIRET was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. "Het was zoo ver!"

Ik andwoordde zoo als betaamde, dat hoe langer ik haar byzijn genoot, het my des te aangenamer zijn zou.

"Ach! " zeide zy, "mijn byzijn, mijnheer! is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde my onder al die vrolijke menschen. Zat ik er niet treurig by?"

"Gy waart zeker niet zoo luidruchtig als de overigen. Maar toch..."

"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vrolijk was!" viel zy my in de rede. "Het zou my spijten. Ik hield my zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders. Mijn hart was by mijn moeder," voegde zy er haastig by.

"Is uw moeder ziek, of..."

"Zy is oud, mijnheer! heel oud. Was zy niet wel geweest, gy zoudt my daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich by vriendelijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zy een oude moeder heeft? Ook had zy van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zy volstrekt dat ik gaan zou."

SUZETTE zuchtte.

"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik? Gy zijt, dunkt my, nog zoo heel jong."

"Ik ben drieëntwintig, mijnheer, andwoordde zy, met openhartigheid, en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zy heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voor dat ik geboren werd. Zy had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste; en nu kan zy niet wel zonder my... en ik niet wel zonder haar." [ 173 ]

"En uw vader..."

"Mijn vader was de zoon van een zwitsersch predikant, mijnheer!

"Maar zijn vader kon hem niet laten studeeren. Hy had een kleine post by het accijnskantoor, en liet mijne moeder in behoeftige omstandigheden achter. Maar wy werken beide. Nu heeft zy sedert drie jaren het hofjen, en dat is een groot geluk. En toch..."

"Ik geloof," zeide ik, "dat wy voor de poort van het hofjen staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen bel trekken?"

"Helaas, geen van beiden!" zei SUZETTE, op een allerdroevigsten toon van stem, die de klank had als of haar een traan in de oogen schoot: geen van beiden. Mijn moeder woont wel op het hofjen, maar ik niet. "

"Waarom niet?" vroeg ik. Op het hofjen woont niemand onder de zestig jaar, ging SUZETTE voort; ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet wordt, en blijf er den heelen dag by mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Voor tienen moet ik er vandaan, en 's avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. o Wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goênacht zeggen!..."

En zy zag naar de geslotene poorte om.

"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisjen," ging zy voort; haar naaste buurvrouw is hartstikken doof; en als haar eens iets overkwam! dat, dat is mijn grootste zorg, dat pijnigt en vervolgt my altijd en overal!..."

"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt gy toch wel..."

"Als zy ernstig ziek wordt, dan schrijft de doctor van 't hofjen een verklaring dat zy niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisjen slapen. Maar ach, het ligt my op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwacht uit zal zijn, en als dat eens by nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het by dag moge zijn... Ik zou het niet overleven!" Wy gingen zwijgend verder.

"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw NOIRET, hare schoone oogen afvegende, als wy voor een kleinen komenywinkel stonden; "ik dank u voor uwe vriendelijkheid."

"Ik hoop," zeide ik, "dat gy uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten." Zy reikte my stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zy was. Wij scheidden.

Ik vond de familie KEGGE reeds byna aan het souper. VAN DER HOOGEN deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan HENRIETTE, die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette (het is een aangeboren kunst) in werking bracht. Men ver[ 174 ]meed in 't byzijn van ZH.WG. van de DE GROOTEN te spreken, en eerst toen hy vertrokken was, vroeg men my hoe ik my geamuseerd had. Ik gaf een gunstig andwoord, maar trad in geene byzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wareld de onschuldige vreugde der DE GROOTEN, DE RIETEN, DEKKERS, HUPSTRA's en zoo voorts, door eene juffrouw HENRIETTE KEGGE wilde hooren bespotten.