Carl Wilhelm Siemens/Over brandstof/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Over brandstof [4]
Auteur(s) C.W. Siemens
Datum Zondag 19 juli 1874
Titel Over brandstof
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 9, 29, [1]
Opmerkingen Vervolg op Over brandstof [3]
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

OVER BRANDSTOF


DOOR


Dr. C. W. Siemens.


(Vervolg en Slot van No. 28).


      De bovenvermelde commissie vat haar bericht in de volgende stelling te zamen: »Het gewichigste besluit, dat uit het geheele onderzoek te trekken is, bestaat hierin, dat, hoewel het kolenverbruik in 1872 in een geringer verhouding is toegenomen dan in de onmiddellijk voorafgaande jaren, toch, indien eene daaraan beantwoordende vermeerdering van arbeidskracht kan verkregen worden, de toeneming in voortbrenging spoedig gelijken tred zal bewaren met die der laatste jaren.”
      Het is inderdaad eene zeer onbevredigende gevolgtrekking, waartoe een Parlements-Comité na een langdurig en kostbaar onderzoek geraakt, en het ergste daarbij is, dat zij in lijnrechte tegenpraak staat met de in hetzelfde bericht opgenomen tabel, waaruit blijkt, dat de trapsgewijze toeneming in voortbrenging sedert de laatste twee jaren in grootere mate dan vroeger heeft plaats gehad, daar zij in 1871 tot 5,826,000 tonnen steeg en in 1872 tot 5,954,602 (er werden gedolven in dat jaar 123,393,853 tonnen), terwijl de gemidelde toeneming in de laatste tien jaren slechts 4 millioen tonnen bedroeg!
      Men mag zich vleien, dat het Parlement zich met zulk een negatief resultaat niet zal tevredenstellen, maar er op staan zal te weten, of een evenwicht tusschen de vraag naar kolen en het winnen daarvan niet op andere wijze kan worden verkregen, en verder, wat er te doen valt om de wijd om zich heen grijpende verkwisting van brandstol tegen te gaan.
      Neem ik de 105 millioen tonnen kolen, die in dit land gedurende het laatste jaar verbruikt zijn, tot uitgangspunt, zoo houd in het er voor, dat, indien wij besluiten konden onze kolen met zorg en op eene met onze proeven overeenkomstige wijze aan te wenden, wij dat verbruik met 50 millioen tonnen zouden kunnen verminderen. Zulk eene besparing zoude zeker eene aanzienlijke uitgaaf van kapitaal en tijd vorderen. Maar daarentegen beweer ik, dat onze stappen tot het doorvoeren van die besparingsmaatregelen zoo versneld moeten worden, dat een evenwicht tusschen de tegenwoordige voortbrenging en de steeds toenemende vraag behouden blijft.
      Let men op de statistische berichten over den trapsgewijzen aanwas van bevolking, over de toeneming van stoomverbruik, over het vervaardigen van staal en ijzer, enz., zoo bevindt men, dat de behoefte niet minder dan acht ten honderd jaarlijks stijgt en de voortbrenging slechts vier.
      Daaruit volgt, dat het verschil van vier percent moet worden gevonden door hetgeen wij den wetenschappelijk-technischen vooruitgang noemen. Beschouwt men nu het uitgebreide veld der bewijsbaar-mogelijke verbeteringen, dat voor ons ligt, dan mag ik beweren, dat wij ons met deze vier percent van den wetenschappelijk-technischen vooruitgang niet tevreden mogen stellen, die slechts op vier millioen tonnen ’s jaars neerkomt. Veeleer behooren wij den wetenschappelijk-technischen vooruitgang in gelijke mate te doen toenemen als dien op nijverheidsgebied. Wij zouden op die wijze de kolenvoortbrenging voor menig volgend jaar tot eene standvastige grootheid kunnen maken. Intusschen mag men hopen, dat onze nakomelingen eene grootere schrede zullen doen naar de theoretische grens van wat verkregen kan worden, die, gelijk wij gezien hebben, zoo verre buiten het thans feitelijk bereikte ligt, dat tien millioen tonnen ’s jaars voor ons tegenwoordig werkelijk gebruik voldoende behoorden te zijn.


Waarin bestaat de brandstof der zon?


      In het eerste gedeelte dezer voordracht heb ik getracht aan te toonen, dat alle op de aarde aanwendbare kracht, met uitzondering van eb en vloed (zijn deze dan geheel onafhankelijk van de zon? R. v. E.), van de zon afkomstig is, en dat het bedrag der jaarlijks op onze aarde uitgestraalde warmte overeenkomt met de verdamping eener veertien voet diepe, over de geheele aardoppervlakte verspreide waterkolom. Deze verdamping is weder equivalent met de verbranding van eene acht Eng. duim dikke, over den ganschen aardbol zich uitstrekkende kolenlaag. Men moet evenwel hierbij in het oog houden, dat drie vierden dezer zonnewarmte door den dampkring worden opgevangen, en dat slechts één vierde de aarde zelve bereikt. De hoeveelheid van de zon uitstralende warmte zou ook verkregen worden door de jaarlijksche verbranding eener vier en een halve Duitsche mijl dikke, hare gansche oppervlakte bedekkende kolenbedding, en het is voor de mannen der wetenschap steeds een voorwerp van verbazing geweest, hoe eene zoo ontzettend groote warmte-hoeveelheid jaar in jaar uit kan wegstroomen, zonder dat eene werkelijke afneming der zonnewarmte kan worden waargenomen. Om zich een nog vollediger begrip van die hoeveelheid te maken, moet men bedenken, dat de oppervlakte der zon dertien duizend malen zoo groot is als die onzer aarde. Zulk eene ontzettende afgifte van warmte der oppervlakte is niet te verklaren door louter toevoer uit het binnenste der zon, hoe hoog men zich den warmtegraad der massa ook moge denken; onze aarde toch is nog vlijtig bezig met warmte af te geven uit het inwendige en de oppervlakte blijft koud.
      De nieuwste onderzoekingen met den spectroscoop, inzonderheid die van den heer Norman Lockyer, hebben veel licht over dit vraagstuk verspreid. Het is nu uitgemaakt, dat de zon aan hare oppervlakte, en wellicht in hare gansche massa, uit gasvormige elementaire lichamen, meestal metaaldampen, bestaat, en ook voor ’t grootste deel uit waterstofgas, dat zich met de waarschijnlijk voorhanden zuurstof niet verbinden kan wegens den (aan de verdichting toe te schrijven) hoogen warmtegraad, dien men op 12,000° C. schat. (l) Deze chemisch-doode en betrekkelijk donkere massa der zon is omringd door de photosfeer of lichtsfeer, waarin hare gasvormige bestanddeelen tot verbranding geraken door de afneming van warmtegraad, het gevolg van verspreiding en uitstraling der warmte. Deze lichtsfeer is weder omgeven van de chromosfeer of sfeer der kleuropslorping, die, volgens deze beschouwing, in hare buitenste laag uit de verbrandingsproducten bestaat die, nadat zij door uitstraling afgekoeld zijn, door de verkregene dichtheid naar de zon terugdalen, waar zij wederom door samenpersing, althans gedeeltelijk, verhit of »gedissociëerd” worden. Dit geschiedt ten koste der inwendige zonnewarmte, die door dit proces naar de oppervlakte wordt gevoerd. Alzoo grijpen er voortdurend groote stuiptrekkingen of omwentelingen op de oppervlakte plaats en geven aanleiding tot ontploffingen, van ontzettend geweld, waarbij vuurmassa’s duizenden mijlen of meer in de hoogte geslingerd worden en tot het verschijnsel der zonnevlekken en der corona aanleiding geven, welke laatste gedurende totale zonsverduisteringen wordt waargenomen. Men zoude alzoo de zon een reusachtigen gasoven kunnen noemen, waarin ten deele wel dezelfde brandstoffen (met name de warmtestof) aanhoudend werkzaam zijn, maar anderdeels wellicht reeds vaste verbindingen der metalen met zuurstof in het inwendige der zon worden voortgebracht, waardoor eene positieve warmtebron zoude gegeven zijn, die voor duizenden jaren toereikend ware. Maar het is ook denkbaar, dat de zonnewarmte door eene wisselwerking met de buitenwereld gevoed wordt.
      Het is mij op deze plaats en in dit late uur onmogelijk verder door te dringen in beschouwingen over de wedervoortbrenging van warmte der zon op hare oppervlakte; een vraagstuk van het hoogste wetenschappelijke en ook practische belang, dat ik hier slechts wilde aanroeren, want de Natuur (2) is steeds onze meest betrouwbare leermeesteres en zal ons ook in dit geval verder helpen om te leeren, hoe wij partij hebben te trekken van die groote hoeveelheden sluimerende kracht, welke ons door haar in den vorm van brandstoffen zijn gegeven geworden.
      Ch., 5 Juli, ’74.


R. v. E.


[...]



      (1) Norman Lockyer heeft onlangs in eene verhandeling voor de Royal Society beweerd, dat zuurstof en alle andere metalloïden producten der verbranding van oorspronkelijke of oerstoffen en tot heden nog niet in de zon aanwezig zijn. Deze onderstelling behoeft nog bevestiging en zoude met de hierboven ontvouwde zienswijze niet in tegenspraak zijn; alleen zouden de verbindingen niet oxyde, maar oerverbindingen van een hoogeren graad wezen.
      (2) In den Duitschen tekst staat „de Natuur”, in den Engelschen „de Schepper” (The Engineer, 3 Oct. 73’). Zoo komt het geld van ongeloovigen en geloovigen beiden in den zak der echt „practische” lui. Bravo, Dr. Siemens!