Clément Pansaers/Belgische kroniek

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Belgische kroniek
Auteur(s) Clément Pansaers
Datum April 1921
Titel ‘Belgische kroniek’
Tijdschrift De Stijl
Jg, nr, pg 4, 4, 52-56
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Bron Ad Petersen (ed.; 1968) De Stijl. 2. 1921_1932. Complete Reprint 1968, Amsterdam: Athenaeum, Den Haag: Bert Bakker, Amsterdam: Polak & Van Gennep, pp. 40-42.
Auteursrecht Publiek domein

[52]

[...]

BELGISCHE KRONIEK

DOOR CLÉMENT-PANSAERS.

Gebeurtenissen of menschen van beteekenis te zoeken, van letterkundig standpunt uit, of nog algemeener op esthetisch

52


[53]

terrein, daar waar de lettercrediet wordt in en uit geleverd, is louter idioterij.
Moro Giafferri, zou zich verbazend te vergeten hebben, wilde hij eerstdaags in zijn rede voor de Assisen, de kunst van pleiten — den advocaten eigen — tot de zelfde hoogte brengen, als zijn klant Landru. Deze Vlaming, vrij algemeen geniaal als Charlie Chaplin, (en welk beteekenis dan nog te hechten aan een van Dierenkunst), met beteekenis-pretentie, achtte het goed in oude Multatuli-sentimentaliteit, Borms dramatisch, boven de banaliteit als mensch van beteekenis uit te beelden.
Om de woordkeus der predikanten aller soort om te leggen in hedendaagsche (dat is werkelijke) kunst van onzen tijd, gaat het er uitsluitend om alles te vinden en te verzamelen, wat maar eenigszins met ironie, dwaasheid en gekheid te vereenzelvigen is, alle elementen van het tragieke, het dramatieke en grotesk-verborgene, en daarmede te maken een kluchtige (op het zinnelooze af) looping the loop — een kreng mijne dames — wat dan is: oerbeeldende kunst van mooien moordenaar en inplaats van Napoleon „leve de neger Toussaint Louverture”.
Na een vier jaar lange luchtledige wereld- en menschenaanschouwing (waarin dan toch ook alle zoogezegde beteekenis zichzelf ontbolsteren zag) gaan de meesten, als met een jodenkuur, heelen, wat onheelbaar is geworden en wat zelfs geen wonde is: n.l. de beteekenis van voor 1914 — die heden niet de minste beteekenis meer heeft. Omzetten in het Nederlandsch eerst Laforgue, dan voordeeliger niet de poëzie maar daar meer onbekend het Mallarmeesche proza en ten slotte, om vooral oorspronkelijk en eigenaardig te blijven schrijven: Claudels! gregoriaansche rythmiek, dat is op en top alles hetgeen een van de Woesteyne geleverd heeft; als prima kwaliteit en oorspronkelijk genoemd, maar voor mij en anderen feitelijk klooten van witvisch in gedoopte melk.
Die verschijningen zijn, noch louter vlaamsch noch belgisch, aangezien een Sternheim b.v. in zijn verhalen niets meer doet, dan Flaubert verduitschen; niet woordelijk maar planmatig constructief en idiologisch tot in de woordmaat der phrasen toe

53


[52]

[...]

54


[55]

Verder daarmede gelijkwaardig, verschijnt (als elders expressionismus en cubismus reeds klassiek en neo-klassiek zijn geworden) hier als belangrijke vitaliteit van beloftenzware beteekenis, hooggeroemd, zoo gezegd cubistisch en expressionistisch werk, — God nog ’n maal zoo en zoo Delacroix, Ingres, v. Gogh en Cézanne, — contouren drijhoekig bont en geometrisch opgekleurd, in welk werk het niet het minst mogelijk is ’n vast gesteld individueel of persoonlijk eigen criterium aan te voelen. Op muzikaal gebied: verhaspelen van Debussy-thema’s, volgende slechts de uitsluitende elementaire uiterlijke lijn, door den band, ietwat gepagodiseerd of georientaliseerd omendom het onbegrepen innerlijk besef van structuur (waar een Satie liever getuige gekheden in peervorm ver kiest dan zijn „ik” aan Debussy op te hangen), hetgeen dan hier beteekenis moet worden genoemd.
En hoe te zien de omstandigheid, wanneer ieder temperament individueel en antipodiek tegenover zijn gebuur, de wereld aanvoelt, die zelfde wereldfantasie — inplaats van eerst en vooral, naar eigen criterium en vastgestelde normen, (vernieuwbaar toch voor elk werk) — op algemeen dezelfde wijze minderwaardig (derhalve naäperij) uit te schrijven.
Hoe valsch reeds klonk voor ’14, die waltwitmansche goedheid, zoowel bij Verhaeren als bij Franz Werfel, — tegenwoordig niet meer succes en uitslag der zoogenaamde tegenstellings of wet der contrasten, bij die ietwat veramerikaanschte maar toch verouderde unanimisten (zooals Vildrac) die in Brussel evangelistisch komen prediken den ouden lofzang: goed is de mensch — zonder daarbij onmiddelijk te onderlijnen, beter de moordenaar, al naar de relativiteitsschaal.
Op het oogenblik, dat ieder oog ietwat prismatiek aangelegd, kon inzien, dat a- im- en moraal evenals logiek en illogiek onder elkaar niet de minste beteekenis hebben en slechts die objectieve waarde bezitten, die men er op een gegeven oogenblik aan wil hechten (al hetgeen ik hier boven resumeerde helpt het oude stelsel weer op de been) voeren tachtigers hier en negentigers daar, met hun

55


[56]

lavendelwater het getij en hoogtij en zoo komt het dat al reeds weer lamgodszachtmoedig, de jongeren, ietwat anemiek, vooze rapen schellen.

Verlatende dat terrein van literair en andere kunstmilieu, dat zichzelf als louter esthetisch (met uithangbord) afgebakend heeft, op zoek naar ware beteekenis (hetgeen den artisten een redplank is) bij het ongeëvenaard cosmiek aanvoelen der kelners, (in dancing-, bar-, grill- en tearoom) met hun jeukig genot en al het tragi-comieke hunner beleefdheidsvormen bij dik drinkgeld en hunne lessen over hooge esthetiek aan de habituées (in geenen deele banaal) op grond van acrobatisch nihilismus (genre music-hall en cinema) tegenover — de zinneloosheid van het overtuigd lyrisme der menschen met zoogezegden klassieken kunstzin en scheppende rythmus — ; eveneens het cosmopolitisme der danseressen en andere putanella, voor wie de oorlog eene hoogeschool van nieuwe levensaanschouwing en -aanvoeling was, bereid met breede vrijgevigheid, in evenredigheid met hun verhoogd tarief, u uit te schrijven naar het vleesch (in welke europeesche taal dan ook) de apologie van den mooiste der origineele bandietenlachen.

Ziedaar, een inleiding tot mijne latere brieven uit Brussel in België.

Brussel, 15/3 1921.

[...]

56