Da Costa/Johan van Nassau

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

JOHAN VAN NASSAU.

Graaf Jan van Nassau strekt, aartsvaderlijk omgeven
van ’t Vorstlijk tachtigtal, dat uit zijn lenden sproot,
en juichende in de hoop van ’t onverganklijk leven,
der dagen zat, en kalm, zijn leden uit ten dood. —
Hoe! broeder van Oranje, en vriend der Nederlanders,
en als zijn broeders niet gesneuveld of geveld? —
Neen! wel had ook dees held Gods Evangeliestanders
gevoerd, ja die het eerst in Willems hand gesteld;
we had hy voor ’t behoud van Neêrlands Christenscharen
het vaderlijke goed ten broederdienst verpand;
wel mocht ook hy beleid en moed en wijsheid paren,
aan ’t roer hem toebetrouwd in ’t edel Gelderland;
wel mocht hy ’t achtbaar Hoofd dier heilvolle Unie heeten,
waar, sedert, storm op storm vergeefs op heeft gewoed;
niets voor de zaak van God en ’t Godgetrouw geweten
scheen ook van hem gespaard, behalve alleen zijn bloed.
Zijn bloed? neen! ook dat bloed werd voor u prijs gegeven,
o Neêrlands Kerk en Land! in heldenzoon op zoon,
die d’ ouder Prinsentak in roem op zijde streven,
kampstrijders al te zaam om de onvergankbre kroon!
Of was het niet zijn bloed, dat Koeverden, dat Santen,
dat Bislich vloeien zag, Roermonde, en veld aan veld,
waar Johans kindren meê hun leeuwenbaander plantten
trotseerend Spanje en Rome en Frankrijks algeweld? —
Prins Willems mannenoir bereikt slechts vier geslachten;
Graaf Johan! uit uw zaad verrijst hun ’t tweede huis,
wien (licht!) verheevner glans dan ’t eerste, staat te wachten,
wanneer ’t, als Gy, voor eer, den smaad verkiest van ’t kruis.

      1834.