Da Costa/Lodewijk van Nassau

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

LODEWIJK VAN NASSAU.

Gedenk, o Nederland! by 't tellen van die helden,
waar steeds het Nassausch zaad zoo welig in ontlook,
die voor Gods zaak en de uwe èn lijf èn leven, stelden,
gedenk aan Heilgerleê, en Jemmingen, en Mook!
Ja! dat van Lodewijk de nagedachtnis leve
by Neêrland, Nassaus stam, en Neêrlands Kerk te zaam!
Echt-Duitsche Gravenspruit, echt kweekling van Geneve,
echt Ridder zonder vrees, en Christen zonder blaam;
met Willem van Oranje uit éénen echt geboren,
was hy één hart met hem, en krijgs- en kampgenoot,
zijn rechterhand, maar ook zijn voorbeeld lang te voren
in beider keus en deel tot aan en in den dood.
O, blijft dan immer dier aan vaderlandsche harten
de jongste raad en zucht van Vader Willems mond:
„om 's vijands algeweld met kalmen moed te tarten,
„bewaar, o Nederland! uw Godsdienst en uw Bond,” —
niet minder heilig zij ons, Christen Vaderlanders,
de leus, waar Lodewijk meê aanvalt of verbreidt!
Hy voerde dien in 't hart als op zijn oorlogstanders:
voor Godsdienst, nu of nooit! — In onschuld lijdzaamheid!
Maar mag des nazaats oog met dankbren eerbied staren
op 's grooten Zwijgers beeld in 't Delftsche praalgrafsteen,
zijn broeders overschot mocht Neêrland niet vergâren,
De held der helden viel, zijn lichaam zelf verdweên. —
Nooit stond een Vorstennaam, sints vijfmaal vijftig jaren,
in welbemindheid met den WILLEMsnaam gelijk;
maar wat herinn'ring ook zich aan dien naam moog' paren,
aandoenlijker nog luidt die van LODEWIJK.

      1834.