De Amsterdammer/Jaargang 8/Nummer 2211/Van onze leestafel

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Van onze leestafel
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 7 juli 1919
Titel Van onze leestafel
Krant De Amsterdammer
Jg, nr 8, 2211
Editie, pg [Dag], [3]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Van onze Leestafel.

      Brochure-reeks „Naar de Bevrediging”. Citg. E. J. Bosch, Baarn.
      No. 8. De theo[r]etische opleiding der Onderwijzers, door P. Oosterlee.
      No. 9. Het leerplan, door J. Lens.
      No. 10. Ons pae[d]agogisch kapitaal, door A. Jonkman.
      Drie kostelijke brochures van mannen, wier naam in de schoolwereld een goeden klank heeft. No. 8 zij ter ernstige overweging aanbevolen aan allen, die met de opleiding van onderwijzers iets te maken hebben.
      „Het Leerplan” geeft prachtig materiaal voor hoofden van scholen en schoolbesturen, terwijl de laatste brochure van den heer Jonkman drijft tot meerdere studie van de paedagogie.

Uit de Tijdschriften..

      De Tijdspiegel.
      „Slechts als goede Nederlanders kunnen wij goede wereldburgers zijn”, besluit de heer J. G. Sleeswijk een artikel over nationale pol[i]tiek, waarin hij de aandacht vestigt op onze politieke verhoudingen ten opzichte van België.
      M. J. C. van Swieten geeft enkele Gedachten. Wij noemen: De mensch uit zich meestal eenz[ij]dig, soms veelzijdig; slechts God alzijdig. J. J. van Geuns geeft een Ballade „Het Spookschip”. N. J. Swierstra schrijft over: De zin voor fragmenten bij Romantiek en Neo Romantiek.

      Het Getij.
      De Juni-aflevering geeft een reeks aardige versjes van C. J. Keek, ontleend aan de Pierrot-figuur. Een zwaar-prozastuk van Co van Sweden over: Het Zegevierend uur en Droomballade van Hendrik de Vries, maken het literair gedeelte uit. De heer Vernhout schrijft over goede en slechte kunstcritiek en Theo van Doesburg wijst op een nieuw tijdschrift, verschenen te Rome, dat de moderne Beeldende Kunst vertegenwoordigt. Ernst Groenevelt maakt enkele aanteekeningen op de onedele houding van Dr. Fred. van Eeden ten opzichte van Willem Kloos en drijft een beetje den spot met de actie van de tooneelspelers inzake de Stadsschouwburg-kwestie te Amsterdam.

      Den Gulden Winckel.
      Behalve de traditioneele critieken over nieuw verschenen boeken, waaraan dezen keer Herman van den Bergh, Ernst Groenevelt, L. Kramer, Ellen Forrest e.a. hun aandeel hebben, schrijft Martin Permys over den overleden Franschen dichter Rostand, waarin hij wijst op de belangrijke plaats die deze figuur gehad heeft in het nationale Fransche leven. Gerard van Eckeren bespreekt het in beslag genomen boek van Barbusse „De Hel”.