De Controleur/Nummer 1375/Beeldende Kunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Beeldende Kunst
Auteur(s) Theo van Doesburg
Datum Zaterdag 2 december 1916
Titel Beeldende Kunst
Tijdschrift De Controleur
Jg, nr, pg 27, 1375, ?
De Controleur vol 027 no 1375 Ingezonden, Beeldende Kunst.jpg
Opmerkingen Henri de Toulouse-Lautrec vermeld als Toulouse Lautree, Carel Dake als C.L. Dake
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

Ingezonden.

Buiten verantwoordelijkheid der Redactie.


Beeldende Kunst.

      „Van K. X. Roussel.... treft hier een doek van primitieve mannelijke zinnelijkheid. In een geurende lente verleiden de Satyrs de lentelijke meisjes, want zij dragen gele en witte en rose sluiers, ijl als de Zuidewind.
      Het bruine lichaam dringt zich verliefd tegen het broze blanke.
      En de drie paren verliezen zich in groeizame sensualiteit, die de aarde uitstraalt in dit vroege getij.
      Het „café” van Toulouse Lautree is vol van ’n demonische zinnelijkheid: (Die gemeene Lautree. ’n Kastelein! En dan gaf hij zich nog wel uit voor schilder! v. D.), die vrouw met halfdichte oogen en de volle roode lippen is een donker beeld van lasciviteit en ondergang”.
      (Uittreksels van een artikel over Fransche Kunst in het Panorama door – rf in „De Telegraaf van Donderdag 23 November, avondblad, getiteld: schilderijen).

      Toen oome perfester C. M. Dake z’n onnoozel geschrijf over kunst moest gaan staken omdat-i al die moderne gasten uitschold voor idioten en kwasten, die niemendal kenden van het schildersvak en hij systematisch hun werk afbrak; toen dacht menig ridder van den Penseele: „Nu komt er ’n tijd van gouden kasteelen, nu komt er toch zèker en vàst eens in „De Telegraaf” ’n betere gast; ’n „vent” die ’t snapt wáárom het nu gaat en die over „beeldende” schilderkunst praat; iets van ’n apostel van wien we iets leeren en die we dan ook gaarne vereeren als een, die net als in ’t buitenland, van schilderen en kunst heeft ’t ware verstand. Niet kletst over „vaartjes”, over „molens” en „koeien”, niet altijd weer aankomt sjouwen met „boeien” en niet in een schilderwerk in d’ allereerste plaats ziet ’n kroeg of een stadsdeel, ’n vrouw of ’n straat.
      Maar, Heer in den hemel! wat viel het ons tegen, toen we wisten, die de telegrafische plaats had gekregen en toen ’n gepantserde dichter dilettant met ’n haegsche branie... (maar zonder verstand) alwéér dezelfde dingen ging zeggen, waardoor Dake het af had moeten leggen. Wat was er nu waarachtig ook te verwachten van iemand, die kwam op de laffe gedachte om uit ’n streepje, een f en ’n r zich te maken een pantser, opdat-i, zonder in de kijkerd te loopen, z’n kritische waar aan ’t publiek kon verkoopen; want lees je die hutjemutje-kritiek, dan ben je weer voor ’n goed tijdje ziek. Want je proeft: het is uit hetzelfde vat als het greshofsche kostje uit de Hofstad. Helaas, er is in de kritische trommel van Holland niets dan oudbakken rommel.

      Haarlem. THEO VAN DOESBURG.