De Génestet/De kunstenaar en zijn publiek

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

KUNSTENAAR EN ZIJN PUBLIEK

De stomme vroeg den blinde:
             Zaagt ge ook den harpenaar?
Zoo ge ergens hem ontmoette,
             Verplicht me en zeg me waar?
Ik-zelf geef juist zoo veel niet
             Om harp- of citertoon,
Maar de oude moest eens spelen,
             Kijk, voor mijn dooven zoon.

Dé blinde sprak: ik zag hem
             Een oogenblik geleên;
Mijn lamme knecht zal aanstonds
             Hem zoeken; knaap, loop heen!
Nu slaat, op ’s meesters wenken,
             De kreupele in den draf;
En holt, den harp’naar roepend,
             De straten op en af.

De kunst’naar is gevonden,
             Hij komt en buigt en groet
Geen armen had de stumper,
             Hij speelde met zijn voet.
Hij speelt: elk schijnt betooverd,
             De doove is enkel oor,
De blinde zet groote oogen,
             De stomme zingt een koor.

De lamme springt van geestdrift
             Omhoog met alle macht;
’t Kupstlievende gezelschap
             blijft saâm, laat in den nacht,
En bij het afscheid nemen
             Is, met des harp’naars kunst,
’t Publiek tot in de wolken,
             Hij dronken van hun gunst!
(RÜCKERT.)