De Kunst/Jaargang 9/Nummer 463/De Onafhankelijken

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Onafhankelijken
Auteur(s) N.H. Wolf
Datum Zaterdag 9 december 1916
Titel De Onafhankelijken. 8ste Jury-vrije Tentoonstelling.
Tijdschrift De Kunst
Jg, nr, pg 9, 463, 112-115
Opmerkingen Anna Josephina Kleine vermeld als A.J. Baucke-Kleine, Henri Frédéric Boot als H.F. Boot, Cornelis Brandenburg als Corn. Brandenburg, Ed Herdes als E. Gerdes, Herman Gouwe als A.H. Gouwe, Johannes Graadt van Roggen als J.M. Graadt van Roggen, Geert Grauss als G.H. Grauss, Berend Groeneveld als B.F. Groeneveld, Frouke van der Hoef-van Rossem als F. v.d. Hoef van Rossem, Gerrit Willem Knap als G.W. Knap
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[112]


– 112 –

De Onafhankelijken.

8ste Jury-vrije Tentoonstelling.

I.

      Ik ben bevroren...!
      Mijn handen zijn verkleumd, mijn vingers tintelen. De spieren van hals en schouders doen mij pijn. Mijn neus en ooren zijn blauwrood, mijn wangen zijn nog bleeker dan gewoonlijk. En mijn beenen en voeten zijn als klompen ijs...!
      Twee-en-een-half uur heb ik doorgebracht op de tentoonstelling der „Onafhankelijken”, in het tochtige, ijskoude gebouw op een open plek aan den Amstelveenschen Weg. De koude, gure Decemberwind giert er lustig langs deuren en vensters, de wintersche middagdamp dringt door al de ontelbare reten en spleten...!
      Eén klein kacheltje, juist groot genoeg om een niet al te ruime poppenkamer op matige temperatuur te houden, staat zachtkens te smoren en verspreidt een lauwwarme lucht tot op één meter afstands in de rondte. Iets verder staat een bruinzwarte ijzerkolom, waarvan verteld wordt dat zij nu en dan ter verwarming dient van het 10.000 M3. (zegge: tienduizend kubieke meter!) groote tentoonstellingslokaal... Doch dit moet eene overlevering zijn... In waarheid is het ding zoo koud als sneeuw.
      Van de dertig bezoekers, die de ontzaglijke ruimte vullen, schuiven blauw-witte waterdamp-zuiltjes, bij elke uitademing die zij doen, de tentoonstellings-ruimte in. De handen in de zakken, de dames diep in heur bont gedoken, loopen zij te stampvoeten over de holle houten vloer...
      Voor den criticus is het te koud om aanteekeningen te maken... Het potlood ontglipt aan zijn vingers als hij in den catalogus noteeren wil... Het eenige dat er op staat, is: nòg scherper, nòg nauwkeuriger te zien dan anders en zooveel mogelijk de cijfers, de titels en de op- en aanmerkingen te onthouden...: straks zal hij uit zijn geheugen moeten memoreeren wat hem bij het beschouwen der werken trof...
      Het bestuur der „Onafhankelijken” treft geen blaam!... Integendeel... Er heerscht kolennood in ons land, speciaal te Amsterdam, — en het bestuur heeft, op aandringen van Amsterdam’s burgemeester, van goeden burgerzin blijk willen geven, door de bezoekers van de „Achtste Tentoonstelling” in een ònverwarmde ruimte te ontvangen, — desnoods hun een koû op den hals te schuiven. Dat spaart kolen... aan de vereeniging.
      Maar of de bezoekers dat nu erg prettig vinden...? In elk geval is het geraden, de tentoonstelling der „Onafhankelijken” — die zich ook van wat de weersgesteldheid betreft „onafhankelijk” gevoelen — te gaan zien: gekleed in zware pels, op klompen met stroo er in, een berenmuts op het hoofd en dikke wollen wanten aan de handen. Men heeft dan de kans dat men niet bevroren het tentoonstellingsgebouw verlaat, en men wint een uur van zijn kostbaren tijd, daar men dan niet verplicht is zich elders te laten ontdooien.

II.

      In een ten hemel dravende inleiding biedt „het bestuur” den bezoeker der tentoonstelling, in den catalogus, een uitvoerig opstel aan „ter verklaring” van wat de vereeniging is en wat zij bedoelt. Wij veroorloven ons er een paar fragmanten uit, — immers het is de bedoeling van het bestuur dat aan deze „verklaring” zoo veel mogelijk publiciteit worde gegeven. Zij begint aldus:

      Het kan niet worden ontkend dat de oprichting der vereeniging „De Onafhankelijken” eenige jaren geleden, zoo geen wereld-schokkende, dan toch een belangrijke gebeurtenis is geweest in het kunstleven van ons land.
      Enkele kunstenaars, krachtig en doortastend als zij waren, bezield met het blij-jeugdige idealisme van jonge revolutionairen, die het verkeerde oude willen omvergooien om het betere nieuwe naar de volle ontplooiing zijner daadkracht op te stuwen, — die enkele kunstenaars zetten welberaden hun streven om in een daad en stichtten op den 7en Mei 1912, voor den tijd van 29 jaar en 11 maanden, de vereeniging „De Onafhankelijken”. Zij hadden vertrouwen in hun overtuiging en dus in hunne vereeniging, die van hun streven het resultaat, van hun theorie de praktijk was. En meer bijval en meer daadwerkelijken steun van vele en velerlei kanten ondervond de vereeniging sinds haar vestiging dan de meest optimistische onder de stichters toenmaals durfde hopen. Uit wat eerst was gedachtekiem in de hoofden van enkelen slechts, groeide naderhand de vereeniging, die nu, na ruim 4 jaren, voor tal van kunstenaars de toeverlaat is geworden en een wijden kring van toegewijden wist zij om zich heen te trekken — Wat eerst was idée van enkelen is thans geworden levensbeginsel voor velen in de kunst en menigeen die vroeger uit de hoogte op de vereeniging en haar idealen neerzag, is momenteel van haar bestaans-noodzakelijkheid doordrongen en wijdt zich met overtuiging en met liefde aan de belangen van de gemeenschap, waarin hij, met grond, de behartiging van zijn individueele belangen gewaarborgd ziet.

      Na breedvoerig te hebben uitgeweid over de „aan-banden-van-conventie-gebondenen” en over „wij, vrijen, ongebondenen”, — over de „lieden die géén levensdoel, òf dat levensdoel overleefd hadden”, en de „stralende jongeren, die als stoere werkers hun breede schouders hadden gezet onder de pas opgenomen taak”, vertelt de schrijver:

      Onze vereeniging is de draagster van het gemeenschappelijk ideaal: volle vrijheid in de kunst voor iederen kunstenaar van welken aanleg en geaardheid hij ook is. Een


[113]


– 113 –

ideaal dat ieder harer leden als een niet-aan te-tasten overtuiging in zich koestert. Zij is de bedding waarin verschillende stroomingen in de beeldende kunst tot één krachtigen stroom samenkomen, zonder dat zij onderling zich vermengen, noch iets van hunne eigen zelfstandigheid inboeten. Zij is de stuwkracht van het gemeenschappelijk bedoelen harer leden; de vrije uitleving van ieder kunstenaar naar hare volle ontplooiing te doen opgaan En door de kracht dezer collectiviteit weten en voelen zij zich tegelijk ook sterk als individu. En dáárom kan ’t zonder schâ voor wiens persoonlijkheid als kunstenaar ook, dat er in haar midden zijn de meest conventioneele-concrete en de ultra-vooruitstrevendste abstracte kunstenaars, met alle, — en de vele, — schakeeringen die er tusschen staan.
      Daarom ook kiezen wij uit onze leden geen jury die van boven af dit werk of dat werk, wel of niet waardig keurt te worden tentoongesteld. Maar exposeeren wij het werk van al onze leden nadat het door hen zèlf, de vervaardigers, de eenigen die daartoe gerechtigd zijn, tot kunst verheven is en voor publicatie rijp geacht. Aanvaarden wij het werk voor onze tentoonstellingen als zoodanig en laadt de Vereeniging de volle verantwoordelijkheid voor het effect naar buiten, zooals ’t moet, op den maker van het kunstwerk alleen, die daarvoor gaarne de verantwoordelijkheid aanvaardt; maar ook de eenige is die haar te dragen heeft.
      Wij weten, en onze tentoonstellingen zijn mede jury-vrij wijl wij dat weten, dat ieder kunstwerk de subjectieve uiting van den kunstenaar is en dat een oordeel over een kunstwerk niet anders dan subjectief kan wezen. Dat het aanleggen van welken vasten maatstaf ook aan een kunstwerk ten eenenmale uit den booze is. Dat zelfs het technisch meest-volmaakte werk dor, droog, zielloos kàn zijn, en daarom van wezenlijke kunst mijlen ver verwijderd, terwijl het technisch meest-onvolmaakte werk van echte, diepe aandoening kan zijn doorhuiverd en dus kunst.

      En dan, na eene uitweiding over de „palen-van-beginselvastheid” die de „fundeering” vormen in den „bodem” waarop de vereeniging „De Onafhankelijken” is gesticht, gaat de heraut van het bestuur verder:

      Maar onze tentoonstellingen zijn bovenal jury-vrij om onze leden in hun arbeid niet te belemmeren bij de vrije uitleving hunner persoonlijkheden als kunstenaars. Eene belemmering bij hun arbeiden die vóór het bestaan onzer vereeniging maar al te zeer en al te pijnlijk werd gevoeld door hèn die in hun kunst-opvattingen van de gangbare en geijkte meening afweken en daarvan in hun werk blijk gaven. Want is het voor den kunstenaar soms niet een beklemmende en ’n belemmerende omstandigheid tijdens de vervaardiging van zijn werk te weten, dat het zoo aanstonds, vóór het eventueel zal worden tentoongesteld, — een omstandigheid waarmede helaas maar àl te vaak zijn economisch bestaan in nauw verband stond, — zal moeten gaan langs een rij van zich-zelf, wijl zich uitverkoren wetend, heel gewichtig en niet minder zich autoritair wanende jury-leden, die ieder naar hun persoonlijken aanleg, voor zoover ze geen vooroordeelen koesteren en te goeder trouw zijn, een oordeel moeten uitspreken over werk dat hun in geen opzicht verwant is en zooal niet geheel vreemd, dan toch nog zóó ver van hen afstaat dat de psychische wording van zulk werk niet tot hen doordringt en hen daarom onbewogen laten moet?
      Dàn, wil zoo’n jury eerlijk en onbevoordeeld blijven, dient zij het werk te keuren naar een vooraf bepaalden maatstaf, — rampzaliger kan men zich aan een kunstwerk niet vergrijpen, — en komt zij er toe haar oordeel afhankelijk te stellen van en te bepalen naar de meer of mindere schoolsche onderlegdheid van den maker. Een maatstaf, zoo wij zagen, die bij het beoordeelen van kunst niet, of niet vooral, zelfs niet bij uitzondering mag worden aangelegd.
      Hiermede is, meenen wij, de moreele beteekenis eener jury, — die uit den aard van haar wezen niet anders kan dan censuur toepassen op kunst, al voldoende in ’t licht gesteld en veroordeeld. – En nu laten wij de toch ook niet gansch onbestaanbare mogelijkheid van vriendjesmakerij, coterie-geest, persoonlijke anti- en sympathieën bij jury-leden onbesproken.

      Ten slotte zegt de schrijver, dat de vereeniging „geeft wat zij heeft en zich geeft zoo zij is: onopgesmukt en zonder angstig-voorzichtige achterhouding harer gebreken”, en dat zij wil zijn „in haar onderling zoo verschillende richtingen, welke zij in zich vereenigt, als het leven zèlf, dat ook schijnbaar uit zoovele heterogene deelen bestaat en dat toch juist in die deelen zoo essentieel één is”.
      Door deze laatste tirade geeft de schrijver dus te kennen, dat „De Onafhankelijken” essentieel in niets verschilt van elke andere groote schildersvereeniging, zooals Pulchri Studio en Sint-Lucas, ... die óók „in haar onderling zoo verschillende richtingen” wil zijn „als het leven zèlf”.

III.

      Ik wil nu trachten, den catalogus volgend, een beeld te geven van „de heterogene deelen”, waaruit deze achtste tentoonstelling der „Onafhankelijken” is samengesteld.
      Mevr. A. J. Baucke-Kleine gaat voort, vorderingen te maken in haar geestelijk-realistische beelding van bloemen (Hortensia’s! Tulpen!) en damesportretten. No. 12 is een mooie, vaste kompositie, no. 15 vooral is fraai van kleur. In het Damesportret („Vrouw in loge”) zit reeds méér plastiek dan in haar vorige portretten.
      Elsa Berg blijft eveneens voortgaan in de banen die zij tot nu toe volgde. Haar breed gekoncipiëerde stylistische fantasmagoriën van stilleven en landschappen doen groot aan.
      H. F. Boot. — Over zijn schilderijen, die als al zijn vorige zijn, spreek ik thans niet. Onbegrijpelijk en leelijk — immers: knutselwerk! — is een groot „beeld”, van bordpapier in elkaar geplakt, dat een „gedachtenbeeld” van „Frya” moet voorstellen. De verklaring ontbreekt, — en daarom zijn ’s heeren Boot’s gedachten er niet uit op te diepen... Maar de aandacht trekt het.
      Corn. Brandenburg. — De beroemde antieke


[114]


– 114 –

„Magere brug” over den Amstel is tot een fraaie ets verwerkt, die even smaakvol van kompositie als helder en levendig van lichtverdeeling is. Een ets „Westermarkt” doet wat zwaar aan, maar de ets „Oudekerksplein” is een prachtig brok moderne romantiek in grafische kunst. Dat er in ’t hartje van het oude Amsterdam nog zóó een gemoedelijk dorpsch plekje is te vinden!
      Joan Collette zond o.m. een portretschets van den jubilaris-tooneelspeler Jan C. de Vos. Het portret gelijkt slecht. Er is trouwens van Jan C. niet één frappant-gelijkend portret verschenen!
      Emile Delrue geeft symbolistische kunst in gewone realistisch opgevatte olieverfschilderijtjes: „Salomé”, „Dante”, „La Dame Noire”. Een zéér knappe teekening beeldt in een tryptiek het tragisch gebeuren uit van de lieve kleine geisha „Butterfly”, — geïnspireerd blijkbaar door Puccini’s opera van dien naam, waarvan juist dezer dagen de Nederlandsche Opera (dir. G. H. Koopman) zulke schitterende opvoeringen geeft.
      Theo van Doesburg, de sekretaris der bekende „Anderen”, scheen in 1913 nog niet zoo gek te doen als tegenwoordig. Zijn uit dàt jaar dateerende „Spitter” lijkt mij eene navolging van Millet; zijn „Mouvement heroïque” van 1916 is zoo’n onbegrijpelijk gebaar der „anderen”.
      Djurre Duursma daarentegen wordt steeds interessanter, steeds ook vaster in zijne styleeringen. Zijn kleuren blijven in principe dezelfde, maar zijn fluweelig donker violet is prachtig. Groot van stijl is zijne kompositie „De Kus”.
      Emil Filla. — Zijn werk verdient eenige aandacht; er is misschien van hem wat te verwachten. Zijn Stilleven (no. 103) en „Mannekop” (no. 104) zeggen iets.
      E. Gerdes, uit Indië terug, zond zijn in 1914 reeds geëxposeerd schilderij „De Vrouw”, in hoofdkleur: groen. Voorts studies (aanzetten).
      Dimmes Gestel zond een goed portret, twee landschappen en een studiekop. Zijn pastel is niet zoo vast van kleur als zijn olieverf.
      Nelly Goedewaagen’s smaakvolle bloemenkomposities staan ook nu weer ver boven veel andere bloemenschilderijen. Haar kleuren zijn frisch, het bloemkarakter wordt steeds zuiver uitgebeeld.
      A. H. Gouwe, van Gulpen naar Blaricum verhuisd, brengt ons van zijn verblijf in Limburg drie machtige landschappen mede. Zijn morgenlandschap, met de blakende zon, is een zeer verfijnde en wel-geslaagde editie van een vroeger pogen in deze richting, hetwelk na langdurige, ernstige studie zich thans ontwikkeld heeft tot een machtig kunnen. Ook „Notre Dame te Parijs”, herinnering aan vrediger dagen, is een zeer indrukwekkend schilderij.
      J. M. Graadt van Roggen ontwikkelt zich als schilder meer en meer. Zijn „Hargerduinen”, zijn „Pompoen” vooral, zijn goed geschilderd. De kwaliteiten van Van Roggen’s etsen vindt men erin terug, — óók de minder goede. Daarom zijn sommige gedeelten nog wat al te zeer gedetailleerd.
      G. H. Grauss’ zéér persoonlijk werk munt uit door originaliteit van kleur en van konceptie. Kranig, zwierig, levendig, met brio, zijn zijne portretten geschilderd, — beschaafd van kleur vooral, en fraai van kompositie, is zijn „Essayeuses”. Hoezeer het ook „af” is, heeft het aan breedheid van schildering niets verloren. Een knap stuk werk!
      B. F. Groeneveld’s eenvoudige, sympathieke komposities vallen tusschen veel ander dergelijk werk op.
      Maurits de Groot blijft voortgaan met het schilderen van karakterkoppen. „Verwording” en „De Verwezene” doen het qua typeering. Maar zijn kleur blijft slap.
      Kees Heynsius houdt zich bij zijn paarden. Evenals Pieter Dupont indertijd geeft hij het lijden van arme kar- en omnibuspaarden en slaagt er in, ons dat lijden te doen mede-gevoelen.
      Mevr. F. v. d. Hoef van Rossem eveneens blijft bij haar eenmaal gekozen genre. Haar onvergelijkelijk schitterende kleuren in gebatikt perkament, haar zorgzame liefde voor de uitbeelding van bloemen en gewassen, doen ons telkens wéér in bewondering staan voor haar fijn-beschaafde kunst.
      L. J. F. Houthuesen, de broeder van den indertijd overleden — velen van onze lezers bekenden — schilder, debuteert deze maal. Met stillevens van bloemen en vruchten. Zijn kleur is nog wat slap, vooral zijn achtergronden, en zijn plastiek kon vaster zijn, — waar hij eenmaal naturalistisch schildert. Zijn „Drie appelen” zijn het meest geslaagd. Als teekenaar toont hij voldoende onderlegd.
      Marius Holleman, een ernstig teekenaar, laat zich vooral door primitieve voorbeelden inspireeren. Zijn „Phaëton” en „Adonia’s Feestmaal” konden even goed in de zestiende eeuw zijn ontstaan.... Géén kunst van onzen tijd.
      Marie Kelting’s Paradijs-kraanvogels, eene lijnteekening in olieverf, doet aan dergelijk werk van haar kunstbroeder Nanninga denken. Een tryptiek (kamerscherm) met vogels beschilderd, aan voor- en achterzijde (zéér fraai de paradijsvogels!), en waarvan de omlijsting nog volgens eigen ontwerp met snijwerk in eikenhout zal worden uitgevoerd, is een zeer geslaagde en een zeer smaakvolle toepassing van mej. Kelting’s schilderkunst.
      G. W. Knap heeft een kompositie gemaakt uit Balthazar Verhagen’s mysterisch spel „Narcis”, dat


[115]


– 115 –

op het eind van het vorig seizoen door de leerlingen der Tooneelschool is opgevoerd en waarvan Knap de dekoratieve en koloristische leiding had. Het zijn de figuren Atalante en Heliotrope die hij in beeld heeft gebracht: veel licht, veel kleur, met veel goeden smaak gekomponeerd, en de beide figuren in danshouding van natuurlijke lineatuur. Een góed gekoncipiëerd schilderij!
      (Slot volgt.)

N. H. Wolf.