De Maasbode/Jaargang 50/Nummer 15892/Ochtendblad/Tentoonstelling van "De Branding"

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tentoonstelling van „De Branding”
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 21 september 1918
Titel Letteren en kunst. Haagsche Kunstkring. Tentoonstelling van „De Branding”.
Krant De Maasbode
Jg, nr 50, 15892
Editie, pg Ochtendblad, 2
De Maasbode vol 050 no 15892 Ochtendblad Tentoonstelling van De Branding.jpg
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

LETTEREN EN KUNST.

HAAGSCHE KUNSTKRING

Tentoonstelling van „De Branding”.

      Men schrijft ons uit den Haag:
      Iemand laat zich, volgens voorstel van Laurent van Kuik, door de voor[t]brengselen die aan de Haagsche kunstkringwanden hangen beindrukken, als was hij maagdelijk blad papier. Is een mij aanvattende vrees niet ongegrond, dan zal er geen gunstige typographische verdeeling van komen. Geen fraaie verhouding van marge en spiegel, geen goede samenvatting van alineas en letergroepen. Evenmin zou de zakelijke inhoud erg verheffend wezen.
      Het blad zou interessant zijn voor wie tusschen de regels leest.
      De tekst werd van belang uit kunsthistorisch oogpunt, te weten, voor zoover die betrekking heeft op wat voorafgegaan is en wat volgen zal, niet uit zichzelf.
      Laurent van Kuik legde daarin trouwens niet origineel veel nadruk op ’t begrip schilderij, zijnde de in den artiest gerijpte uiting in kleur- en vormverhoudingen, naar aanleiding van, niet als weergave van opgedane natuur-indrukken. Wel terecht. Maar juist in dien zin van uitgebeelde innerlijke schoonheidsontroering geeft het corpus delicti, de Branding, niet veel; wel veel, dunkt me, symptonen van revolutie en ontb[i]nding. De kunst van schilderen is hier niet ongelijk aan een rottend kadaver.
      Wat eens een mooi en weldadig te aanschouwen vormgeheel was met een ziel is nu besprongen en geveld. Zoo is de loop van de natuur.
      Weliswaar gaat, wat valt, niet nutteloos verloren. het wordt opgelost in grootelijks gewijzigde maar niet minder volmaakte modificaties van het leven.
      Daaraan voorafgaand, in den overgang, ligt het niet te ontkomen, bedenkelijk onwelriekend stadium van ontbinding.
      Deze periode wordt, naar wij vreezen. onderwerp van bespreking.
      Van sommige opgehangen stukken gaat. overdrachtelijk gesproken een echte mestvaaltlucht uit.
      Andere vormen van al vergane deelen. de niet meer weerzinnige maar onbeduidende resten. Hier en daar zijn onder het gistend goed hardnekkige mummificaties.
      Piet van den Wijngaardt lijkt mede incarnatie van het banale vormelijkheidsvertoon. dat een burgerlijk begrafenisgeval op de been brengt. Wat oude opgelapte spullen in een bombastisch decor.
      Een desolaat huis. slecht modern staat aan een mechanisch maar gebrekkelijk spiegelende modderplas. Landschap met een vlag in would-be geniale streken is een voorbeeld van valsche pathos.
      Het is lichter vast te stellen waar eenige schilders in artistieke zelfvernietiging zijn doodgeloopen. dan in hoeverre beloften zijn vervat in onvolgroeide spruitsels.
      Boonen’s landschappen in zware zwart-geteerde omtrekken, zouden op een behoorlijke schaal verk[l]eind. een plaatsje waard zijn als boekvignet. maar het wordt nu aangediend als een volwassen „schilderij”.
      Theo van Doesburg heeft uit de ruïne niets anders kunnen redden dan een paar zorgvuldig afgebikte steentjes, waar hij blokkendoos mee speelt. Zijn opus in zwart en wit dat aan een raar soort stadsplan denken doet met grauw voor binnenplaatsjes kan hoogstens een naïve oefening in het gebruik van rechthoekige tegenstellingen genoemd worden.
      Zobel heeft ergens een onbeschaafd verfvleksel van beginneling hangen. Dan zijn er een aantal opzetten in enkele decoratie verloopen. maar omdat de makers er iets anders in wilden zien, werden ze in dat opzicht ook al middelmatig. Als voorbeeld noem ik „Ik die ben”, van Laurent van Kuik.
      Om nu het werkelijk goede uit deze verzameling te puren. moet kritiek zooals een voddejood. haar neus in allerlei ongure gaten steken.
      Het is ongetwijfeld waar, dat het groteske, de verstoring van ingeburgerde verhoudingen evidentie brengt van onverwachte mogelijkheden.
      Het impressionisme bracht ze door een begin te maken met het loslaten van het onderwerp der schilderij. in begrensde beteekenis, ’n Impressionist mocht het laten gaan zonder het vernis van afwerking erover verspreidt te hebben. dat voordien vereischt was. De hedendaagsche hemelstormer speelt er kat en muis mee. In de meest levendige stukken (en levendigheid is wel haast de beste eigenschap, die op deze tentoonstelling wordt aangetroffen) gebeurt het in hooge mate.
      De opmerkelijke situaties, die erdoor ontstaan. zijn dan te beschouwen als ruw materiaal dat nakomelingen zullen benutten Want een nieuwe orde is nu eenmaal niet denkbaar zonder verwerping van de oude en puinhoopen zullen er wezen. Even mal als pedanterie in een proletariër of skrupels bij een struikroover. gaan met het uitkleeden van de bestaande kunstmaniertjes samen als die van Gerlwh. die zijn verzinsels als een tapijtje of een peuterig verband van kleine steentjes styleert. Joan Colette heeft ook teveel een stereotype wending die hij voor elk voorkomend geval herhaalt. Anders meen ik dat hij het met de uitbuiting van zijn vondsten tot een ruslige compositie verder gebracht heeft dan de meeste makkers.
      Aanduidingen van nuttig metaal neem ik nog waar van Colnot. Filarski. Saalborn. Gustave de Smet, Valenlijn. Edgar, van Uitvanck. Hun voortbrengselen zijn mineralen. die de allures van ertsen vertoonen.
      Duidelijker laten nog le Fauconnier. Jan Sluyters meerderwaardigheid van hun delfstof blijken.
      Dirk Nijland. die bevattelijke en hoogstaande houtsneden inzond is als een kat in dit vreemde pakhuis.
      De houtsneden van Esser. die spontaanheid missen. zijn van een doortrainde vakmanshand
      Als een evenement mag het in deze omgeving vermeld.