De Maasbode/Jaargang 60/Nummer 21879/Avondblad/Het stadion in Amsterdam

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het stadion in Amsterdam
Auteur(s) H.Th.
Datum Donderdag 31 mei 1928
Titel Het stadion in Amsterdam. Een bouwkundige beschouwing
Krant De Maasbode
Jg, nr 60, 21879
Editie, pg Avondblad, derde blad, [1-2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


De Maasbode vol 060 no 21879 Avondblad Het Stadion te Amsterdam.jpg
      Architect Jan Wils. Het Stadion te Amsterdam.      


[...]


HET STADION IN AMSTERDAM

EEN BOUWKUNDIGE BESCHOUWING.

„Dit stadion bezit stemming. Het heeft de degelijkheid van den Hollandschen aard”.

      Nieuw was het probleem niet, waarvoor de bouwmeester van het stadion gesteld werd. In het klassieke Griekenland kende men reeds de Gymnasien, waarin de jeugd zich oefende en het lichaam staalde door sport; de Hyppodromos bood plaats en gelegenheid voor wedstrijden waarbij op een groote menigte toeschouwers gerekend werd; in Meszone is nu nog uit de ruines vorm en constructie te lezen van dat belangrijke stadion; de zonnige natuur vereenigd daar den luister van heldere riviertjes, bloeiende velden en schaduwrijke bosschen met de ruime renbanen en de uitgestrekte bijwerken waar de athleten zich oefenden en gehuisvest waren.
      Rome volgde het voorbeeld van Griekenland; de talrijke circussen, en de amphitheaters welke niet alleen in het centrale Rome, maar ook in de provincieplaatsen, ook in de veroverde gewesten noodzakelijk schenen, getuigen van het organisatievermogen, dat meer dan de kunstprestaties van het materialistisch aangelegde Romeinendom tot ons spreekt.
      ’t Probelem vergt ook in onze dagen van den architect een enorm organisatorisch vermogen. Het is waar dat de geweldige afmetingen van de Romeinsche kunstwerken bij lange na niet bereikt worden: het circus Maxentius kon 260.000 menschen bevatten en het massieve Colosseum 80.000 hetwelk nog het dubbele aantal is van het Amsterdamsche stadion.
      Maar ook 40.000 menschen heet een respectabel getal, te meer daar gerekend moet worden dat vijf procent daarvan met auto’s en een aanmerkelijk grooter aantal zich per fiets naar de kampplaats begeven.
      Deze menschenstroom moet behoorlijk worden afgeleid, er behooren parkeerterreinen voor auto’s, allerlei meer of minder belangrijke bijgebouwen als café’s, garderobes, fietsenbewaarplaatsen, post- en telegraafkantoren te worden gebouwd; het vraagstuk wordt er een van stedebouwkundigen aard waarbij de gebouwen eerst in verband mat pleinen en toegangswegen hun volle beteekenis verkrijgen.
      Een tweetal pleinen achter elkaar voor het stadion gelegen, biedt ruimte aan de binnenstroomende menschenmassa; daar wordt zij verdeeld door de verschillende toegangspoorten naar het stadion en naar de andere gebouwen. Tevens geven deze pleinen den noodigen afstand om het enorme, ovaalvormige stadion te kunnen overzien. Daarbij hinderen nu de twee witgekleurde tijdelijke gebouwen wel wat, maar mettertijd wordt dit vanzelfsprekend beter.
      Aan den achterkant werd geprofiteerd van het niet te verbeteren echt Hollandsche borduurwerk van kanalen met weiden. Dat is een attractie voor den vreemdeling die zich verzadigen kan aan dit sappig tafereel van Hollandsch welvaren! In het stadiongebouw bracht de architect breede open loggiën aan waardoorheen de blik glijdt over die groene vlakten met zilveren waterstrepen, in de eigen ietwat nevelige sfeer van ons Holland.
      De bouw van het stadion is een gebeurtenis voor de hedendaagsche architectuur. Als bij een fabriek of stationsgebouw heeft de bouwmeester de practische eischen overwogen en daaraan trachten te voldoen door de combinatie van een flink voetbal terrein met een loopbaan en een wielerbaan.
      Het duizelt den leek, doch ook den vakman als hij de ingewikkelde berekeningen ziet, noodig om tot de juiste helling, tot de wiskundig bepaalde buiging te komen, waarlangs de wielrenners in geweldige vaart voorbij kunnen stuiven; die kromme vlakken moesten met de allergrootste zorg bij de uitvoering worden uitgezet; elk steunpunt krijgt andere waarde, elk lengte-deeltje van deze groote baan een andere kromming.
      Welk een zorg en overwegen om den toeschouwers een plaats te geven, om de overdekking te construeeren; een ingenieurswerk, dat, nu het is opgelost, tot de schoonste vindingen van het stadion behoort.
      Ziet die reeks van ijzeren spanten, nauwelijks met dunne stijlen aan hunne fundamenten verbonden; zij schijnen te zweven boven de diepe rijen zitplaatsen! ’t Is natuurlijk wel veel eenvoudiger dan de geweldige houtconstructies welke de Romeinsche collega’s moeten gebruikt hebben om hun zeilen te spannen


[2]


[...]


over de zitplaatsen in het Collosseum in Rome!
      Overleg en organisatie blijken uit den trappen-aanleg waarlangs in achtvoudigen stroom de bezoekers in- en uittreden, uit het ingewikkelde complex van dienstvertrekken, ontvangzalen enz., dat onder de zitplaatsen is aangebracht.
      Het stadion is een utiliteitsgebouw waar nuchtere berekeningen en logisch denken alles ordenden. Niets werd aan het toeval overgelaten, alles overwogen, berekend en in cijfers en constructies neergeschreven of geteekend, vóórdat met de uitvoering begonnen werd. Er is geen plaats meer voor het verlevendigde ornament, alleen op enkele plaatsen sterk sprekend doch overigens tamelijk onbelangrijk beeldhouwwerk.
      De afmetingen zijn zóó ontzaglijk, de massa’s zóó groot, dat alleen krachtige plastische werkingen voldoende leven en kleur en schakeering kunnen geven. Wordt de romantiek hier nu geheel opzij gezet? Is de moderne mensch zoo geheel in beslag genomen door gedachten van nut, van voldoen aan practische behoeften, is hij zoo geheel en al rekenlineaal geworden dat de schoonheid geen eischen meer stelt?
      Neen, men mag deze architectonische daad niet van nuchterheid beschuldigen, het is niet zonder meer een cerebraal maaksel dat nuttig en economisch aan zijn doel beantwoordt. Want de architect ware geen kunstenaar, die in de schepping rondom zich den adem van de eeuwigheid doorvoelde, als het stadion niet meer gaf dan practische bevrediging aan gestelde eischen. Ook de bouwmeester Jan Wils liet zijn gevoel den vrijen teugel als hij den gebogen baksteenen romp doorbrak met langgestrekte, lage loggiën en aan de ingangen pittige accenten gaf door in verschillende massa’s aanliggende voorbouwen en bitse verticale steunpijlers, welke een tegenstelling leveren met de zwakgebogen baksteenen omhulling. Door de diepterugliggende partijen en de overstekende luifels rekende hij op een schoone schaduwwerking wanneer het zonnetje glans zou bijzetten aan de sportfeesten; indien de meer Hollandsche nevelachtige sfeer zou heerschen, ja, dan zouden de kleurige baksteenen den vreemdeling vertellen van de ongeëvenarade schoonheid van ons gebakken materiaal dat in breede vlakken of in meer gedetailleerde toepassing met vooruit- en terugmetselingen aan deze moderne architectuur een karakteristiek Hollandsch uiterlijk geeft.
      Versiering is daarbij onnoodig; een tikje verlevendiging, door het markeeren van de venitilatie-opebingen, door de blokken waarop de vlaggen steunen en door de lijstwerken welke de vlakke muren afdekken, – ja dat is alles – ’t is zoo simpel en eenvoudig, als ’t maar op de goede manier is toegepast; als er dan in ’t gebouw zelve maar naar contrastwerking is gezocht, als de omgeving daarmede in overeenstemming is gebracht of ’t bouwwerk zelf is afgestemd op deze omgeving, dan kan ook rijkdom door dezen gulden eenvoud verkregen worden.
      We zeiden het reeds, dat de architectuur van het stadion er eene is van contrastwerking, van ’t plaatsen van pittige, onverwachte accenten naast groote, eenvoudig behandelde partijen. Grooter tegenstelling dan die tusschen toet machtige, lage stadionlichaam en den slanken, hoog oprijzende Marathontoren, is nauwelijks denkbaar. Even uit de as ligt dit opschietende gevaarte, ’t verticalisme is geaccentueerd door de hoeken open te werken en met glazen steenen te vullen; ineens wordt dit opstijgend elan gebroken door een paar horizontaal uitstekende luifels en door schuingeplaatste schermen.
      Hier zijn de luidsprekers aangebracht, waarboven een groote schaal het vloeibaar voedsel voor den vlam en den rookpluim gaat opnemen, welke zal verkondigen aan de duizenden in ’t rond dat de prijswinnaar zijn doel bereikt heeft.
      Merkwaardig iets: dit stadion bezit stemming. Als mem binnentreedt is ’t er knusjes, ondanks de grootte en het grootsche, want de ruimte is niet overweldigend. Het heeft de degelijkheid van den Hollandschen aard, welke in wezen huiselijk is en gesierd door burgerlijke deugden.
      Daarvoor zijn wij den architect dankbaar. Want de sportbeoefening krijgt hier een kader dat daaraan een stemming van eenvoudige menschelijkheid, van ongedwongen natuurlijkheid geeft, zoodat de onaarding ervan in een verafgoding van ’t menschelijk lichaam, zoo licht bevorderd door een pompeuze, weelderige architectuur, tegenwerking ondervindt.
      De tijd zal moeten leeren in hoeverre de daad van architect Jan Wils voor onze nieuwe Netderlandsche bouwkunst van voorbeeldige beteekenis wordt. In elk geval zullen de talrijke vreemdelingen, die dit jaar het merkwaardige bouwwerk zien en de stemming ervan ondergaan, in hun land teruggekeerd, de overtuiging met zich meedragen, dat de Nederlandsche architectuur van den adem van haar eigen tijd leeft.

H. Th.