De Maasbode/Jaargang 63/Nummer 23537/Avondblad/Ambtsaanvaarding prof. dr. F. de Waele

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ambtsaanvaarding prof. dr. F. de Waele
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 7 februari 1931
Titel Ambtsaanvaarding prof. dr. F. de Waele. Aan de R. K. Universiteit te Nijmegen. Noviomagus Batavorum. De opgravingen van prof. dr. Holwerda en Daniëls. Archaeologische schatten.
Krant De Maasbode
Jg, nr 63, 23537
Editie, pg Avondblad, eerste blad, 2-3
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

AMBTSAANVAARDING

PROF. DR. F. DE WAELE.

Aan de R. K. Unive rsiteit te Nijmegen.

NOVIOMAGUS BATAVORUM

De opgravingen van prof. dr. Holwerda en Daniëls.

ARCHAEOLOGISCHE SCHATTEN.

      Onze groote belangstelling van officieele personen, studenten en andere toehoorders aanvaardde prof. dr. F. de Waele, onlangs benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de klassieke Archaeologie aan de Keizer Karel-Universiteit te Nijmegen, hedenmiddag zijn ambt met het uitspreken van een rede over „Romeinsch Nijmegen” in het Concertgebouw „De Vereenlging"

De Maasbode vol 063 no 23537 Avondblad Prof. dr. F. de Waelre.jpg
Prof. dr. F. de Waele.

      „Noviomagus Batavorum” (Romeinsch Nijmegen) is de belangrijkste Nederlandsche nederzetting uit de Romeinsche tijden. Trajanus (98—117) gaf het na zijn gemeentelijke organisatie den naam van „Ulpia Noviomagus”; als residentie van Keizer Karel den Grooten werd het Numaga genoemd.
      Het belangrijkste document van vóór-Romeinsch Nijmegen is haar Keltische naam, verlatiniseerd tot Noviomagus (Nieuwveld). De schaarsche archeologische overblijfselen stellen ons niet in staat het algemeen aanzicht van vóórhistorisch en vóór-Romeinsch Nijmegen te reconstrueeren. Haar aardrijkskundige ligging was ook anders: de vertakking van den Rijn, waarvan de Waal de Z. arm is, was op tegenwoordig Duitsch gebied en de Vacalus of Vahalis, zooals zij door Romeinsche schrijvers genoemd wordt, stroomde in een rechte lijn langs de heuvels, waarop de oude, zoowel als de moderne stad, gedeeltelijk gebouwd is.
      Deze nederzetting moet door een Keltische bevolking bewoond zijn tot de vierde of de vijfde eeuw vóór Christus terwijl ongeveer bij het begin van de eerst eeuw vóór Chr. de Germaansche tak der Batavieren een groot deel van tegenwoordig midden en Zuid-Holland bezette. Waarschijnlijk waren zij reeds in den tijd van de tochten van Drusus (einde van de eerste eeuw vóór Chr.) trouwe bondgenooten van de Romeinen en met uitzondering van den opstand van 70 na Chr. bleven ze dit tot het einde van Rome’s oude geschiedenis.
      Het meest opvallende monument van het Bataafsch-Romeinsch Nijmegen is de versterking op een tafelland ten O. van de tegenwoordige stad, opgegraven door prof. dr. Holwerda uit Leiden (1915—1917) dié zijn bevindingen gedeeltelijk in 1921—1922 publiceerde. Deze nederzetting was in een ruwen driehoekvorm met Noord—West en Zuid—Oost zijden en de oppervlakte besloeg ongeveer 8 H.A. Er werden ook sporen gevonden van een versterkingswal, gemaakt van balken, aarde en steenen, van een Noordelijke en een Zuidelijke poort waardoor de eenige weg ging, van speciale bolwerken en van een pad, dat van den heuvel af naar een fontein leidde, buiten de sterkte. De nederzetting werd niet door een gracht omgeven. Aan beide kanten van den binnenweg werden overvloedige sporen en overblijfselen van zoowat 10 à 20 ovaalvormige of rechthoekige hulzen ontdekt. Een groot deel van de binnenoppervlakte werd ongebruikt gelaten. Romeinsche munten en veel fragmenten van terra sigillata, die van de groote Romaniseering der Bataven getuigen, moeten voor 70 na Chr. dagteekenen.
      Holwerda meende dat hij het oppidum Batavorum had gevonden dat, volgens Tacitus, door Julius Civilus, den Bataafschen opstandeling in 70 na Chr. werd plat gebrand. Als we rekening houden met de groote bevolking van den Bataafschen stam, den kleinen omvang en ’t kleine aantal huizen in de sterkte, het bestaan van meerdere oppida onder andere Gallische en Germaansche oppida, eenige teksten van Tacitus zelf en de verschillende lectio van de codices, is het waarschijnlijk dat de opgraving de overblijfselen van één oppidum Batavorum te voorschijn bracht, niet van hèt oppidum Batavorum.
      Ofschoon de naam Batavodurum „Versterking der Bataven” beteekent, zijn er geen voldoende gronden om deze plaats, te vereenzelvigen met de overblijfselen door Holwerda ontdekt. De zuiver Keltische naam Noviomagus is ouder dan het half-Keltische half-Germaansche Batavodurum en het is niet mogelijk dat twee namen voor dezelfde plaats naast elkaar zouden hebben bestaan. Batavodurum kan echter niet ver van Noviomagus gelocaliseerd worden: alleen systematische of toevallige opgravingen in de nog niet onderzochte heuvels van het „Nederrijksche woud”, het heuvelachtige land ten O. van tegenwoordig Nijmegen, kunnen mogelijk haar bestaan aan het licht brengen. Minder waarschijnlijk is het dat de Bataafsche sterkte een van de vijftig door Drusus aan den Rijn gebouwde castella was: noch is er eenig zeker bewijs dat er zoo’n castellum op de plaats van het Valkhof bestond. Romeinsch aardewerk bij verschillende opgravingen van den heuvel, zoowel als in de omliggende deelen gevonden wijzen op een vroege periode, die ongeveer de eerste eeuw na Chr. beslaat en eenn latere periode van het midden van de derde tot de vijfde eeuw na Chr. De Romeinsche bezetting van Noviomagus vond haar meest typische uitdrukking in den bouw van het Castra, na 71 na Chr. gebouwd en bezet door het tiende legioen, tot het naar de slagvelden van den Donau en de oorlogen tegen de Dakiërs vertrok ongeveer 105 na Chr. Tot voor kort (1906) werd de plaats van dit kamp gezocht in het midden van de moderne stad, maar de opgravingen door Holwerda systematisch van 1916 tot 1918 gedaan en vermeerderd door toevallige ontgravingen en ontdekkingen, brachten het bestaan van dit groote kamp aan het licht op een van de laatste Westelijke hoogten van het heuvelland en op zeer kleinen afstand ten O. van de Bataafsche sterkte.
      De muur was op de gebruikelijke Romeinsche manier gemaakt: ’n dubbele, evenwijdige schans met balken en palen, er tusschen werd de ontstane ruimte met aarde gevuld. Aan de West- en Zuidzijden en gedeeltelijk ook aan de Oostzijde belette een dubbele gracht het naderen tot de wallen. Aan de Noordzijde en het Noordelijk deel van de Oostzijde maakte een diepe kloof langs den rand van het tafelland de constructie van een gracht overbodig. Het praetorium lag niet juist tusschen de portae principales: het lag in de richting van den Zuid-Oosthoek van het castra. Van het praetorium werd genoeg teruggevonden om een reconstructie mogelijk te maken: voornamelijk bestond het uit een centrale binnenplaats door een rij van woonkamers omgeven. Er werd geen aangrenzende basilica ontdekt. Vier poorten, die in verbinding stonden met de einden van de cardo en decumanus gaven toegang tot het kamp. De Westelijke poort was ongetwijfeld de porta praetoria. Sporen van andere gebouwen (die onmogelijk te identificeeren zijn) schijnen aan te toonen dat er geen symmetrische ligging is in acht genomen. Een typische bouw voor de portá decumana verhinderde het zand, als het na hevige regenbuien van de helling aan den Noordkant afschoof, de gracht te vullen. Ook typisch was het bestaan van een groote begraafplaats aan de Westzijde van het castra, natuurlijk dicht bij de porta praetoria. Jammer genoeg is er erg weinig bekend over het godsdienstige en militaire leven van het beroemde Tiende Legioen gedurende zijn ongeveer vijf en dertig-jarig verblijf in Noviomagus. Vijftig inscripties in het Gemeente-museum en een groote hoeveelheid andere kleine overblijfselen van brons en aardewerk stellen ons in staat iets meer te weten over de afkomst en werkzaamheden van soldaten en veteranen van het Romeinsche bezettingsleger. Het Tiende Legioen had zijn eigen bakkerijen voor aardewerk en tegels op een uur afstand van het Romeinsche kamp, in Holdeurn. Die pottenbakkerijen waren niet alleen in de eerste eeuw na Chr. in volle werking, maar ook in de tweede en derde eeuw na Chr.; zij voorzagen met andere overrijnsche bakkerijen de garnizoenen van den Beneden-Rijn van aardewerk en tegels. In deze streek werden veel inscripties en graffiti gevonden. Jongere opgravingen, voortgezet in de 19e eeuw en toevallige ontdekkingen, zooals die van den pottenbakkersoven, vermeerderen dagelijks onze kennis van het economische leven van oud-Nijmegen. Heel weinig is bekend over de nederzetting van marskramers en zoetelaars, het noodzakelijke aanhangsel van elk Romeinsch leger. Het is mogelijk, dat eenige overblijfselen, aan de Oostzijde van het kamp gevonden, op een deel van deze nederzetting wijzen; het voornaamste deel van dit dorp moet echter gezocht worden aan den Westkant van het „castra”, op de plaats van de moderne stad. Het is zeker merkwaardig dat het aardewerk en de munten, in de moderne stad en vooral op en om het Valkhof gevonden, van het feit getuigen, dat dit deel gedurende de tweede en de eerste helft van de derde eeuw, niet bewoond was.

      Ten W. van de stad en de laatste heuvels van het „Nederrijksche woud” strekt zich de vlakte langs de Waal uit. De nederzetting, die hier al in de laatste tien jaren van de eerste eeuw woonde, moet verschillen van de nederzetting van het kampdorp. Dit dorp in de vlakte moet belangrijk geworden zijn nadat het Tiende Legioen Noviomagus verliet in 105 na Chr. Traianus gaf aan deze verzameling huizen den naam Ulpia Noviomagus. Het kan net zoo’n kolonie geweest zijn als de Colonia Ulpia Trajana niet ver van Nijmegen, het huidige Xanten aan den Rijn. Deze nederzetting werd niet door wallen omgeven, maar opgravingen in de begraafplaatsen er omheen schijnen te bewijzen, dat de kolonie of gemeente van Trajanus een ruimte innam van pl.m. 75 H.A., driemaal de oppervlakte van het Romeinsche kamp. Een lange en breede strook aan de Zuidzijde van de Waal (pl.m. 6 H.A.) is door de werking van den stroom geërodeerd.

      In deze ruimte, oud Ulpia Noviomagus, verzamelden de eerste Nijmeegsche humanisten een groote hoeveelheid. Romeinsche en zelfs Grieksche oudheden. Er zijn ook eenige systematische opgravingen begonnen, maar de resultaten waren te schaarsch om groot enthousiasme op te wekken. Ten behoeve van den verdienstelijken verzamelaar Kam zijn veel begraafplaatsen uit Romeinsche tijden systematisch onderzocht.

      Een gebrek aan voldoende toezicht moet echter zeer betreurd worden. Schatgraverij door antiquiteiten-handelaars kon niet worden vermeden. Op deze manier hebben Nijmeegsche antiquiteiten hun weg naar vreemde, zelfs overzeesche musea gevonden. Het is geen overdrijving als we zeggen, dat alle overblijfselen van Romeinsch Nijmegen in één museum samengebracht, een dergelijke collectie zouden vormen als in de groote musea van Bonn, Trier en Mainz.
      In 1921—1922 werd een systematische opgraving ondernomen door den tegenwoordigen gemeente-archivaris Daniëls. Deze opgraving bracht het bestaan aan het licht van twee Gallo-Romeinsche heiligdommen naast elkaar in een groote omheining.
      Elk heiligdom was omgeven door een zuilenrij en de binnenplaats had ook aan drie kanten een porticus.
      Aan de Noordzijde van het complex was een rij kamers.
      Niet ver van dezen in de eerste eeuw gebouwden en gedurende de heele tweede eeuw en later bestaanden tempel, werden misbaksels van aardewerk gevonden, wat tot de gevolgtrekking leidde, dat er op deze nederzetting een belangrijke pottenbakkerij moet hebben bestaan.
      Hier werd ongetwijfeld een deel van het zoogenaamde Nijmeegsch aardewerk gemaakt. Scherven en munten bewijzen, dat de bakkerij minstens tot het midden van de derde eeuw bestond: eenige scherven komen overeen met het aardewerk in de limes- castellum van Niederbieber gevonden (ongeveer 260 na Chr. verwoest).

      Klaarblijkelijk moeten, nadat het Tiende Legioen Nijmegen verliet, eenige bewoners naar dit deel, de militaire zône ten O. van de stad, zijn teruggekeerd. Het grootste deel woonde echter in het Westelijk gedeelte, Ulpia Noviomagus. Het kan zijn, dat een laat Romeinsch castellum of garnizoen na 105 na Chr. te Nijmegen bestond: hun taak moet het oppertoezicht en de bescherming van de tegelbakkerijen in Holdeurn geweest zijn. In de vondsten in de moderne stad zijn bewijzen gevonden van een nieuwe bezetting, die omstreeks 260 na Chr. begint.

      In ongeveer het midden van de derde eeuw verloor de Westzijde, het vlakte-dorp Ulpia Noviomagus, zijn belangrijkheid ten voordeele van het centrale deel, de moderne stad. Over de oorzaak hiervan bestaat geen twijfel. Het tijdperk van 260—268 is gekenmerkt door den strijd van de zoogenaamde „Dertig Tyrannen” en is uiterst rampspoedig voor het Romeinsche Rijk. Veel sporen van brand in Ulpia Noviomagus wijzen op een vreeselijke verwoesting van de stad, waarschijnlijk door Germaansche stammen, de Franken, die in de vierde eeuw totaal bezit namen van het eiland der Bataven. Noviomagus Batavorum nam geen vreeselijk en plotseling einde. Het is eerder een rustig overgaan in de middeleeuwsche tijden, de voor-Karolingische periode
      Het merkwaardige feit, dat de predikant Smetius in ’t bezit was van vele Byzantijnsche munten, kan gedeeltelijk verklaard worden door het feit, dat de weduwe van keizer Otto II, de Byzantijnsche keizerin Theophano, in 991 in het paleis op het Valkhof gestorven is.
      Ofschoon er geen speciale kenteekenen van den Romeinschen handel in de Noordelijke landen met zekerheid bekend zijn, bestaat er geen twijfel, dat de haven van Nijmegen een van de belangrijkste was vooral voor den uitvoer van koperen gereedschappen.
      De Prosopographie van Romeinsch Nijmegen is voornamelijk gebaseerd op de verschillende graf- en gedenksteenen, de stempels van de tegelbakkerijen, de graffiti op het aardewerk, de namen van soldaten en centurio’s gegrift in helmen en gereedschap voor dagelijksch gebruik. Deze verzameling van namen zal ongetwijfeld vermeerderen. Na het reusachtige materiaal van het Gemeente-Museum, van de verzameling Kam, is de collectie van het Canisius-College toegankelijk gemaakt voor de wetenschappelijke wereld.
      De studie van de Romeinsche antiquiteiten van Noviomagus gaat terug naar de eerste dagen van de humanistische herleving in de vijftiende eeuw. Kanunniken en predikanten, advokaten en kooplieden, hebben waardevolle gegevens verzameld betreffende de oude geschiedenis van de stad. De kanunnik Berchenius (15de eeuw) bestudeert een Nijmeegsche inscriptie uit Romeinschen tijd, maar vooral de predikant Smetius en zijn zoon en opvolger schreven waardevolle werken over plaatselijke Romeinsche antiquiteiten. Ze waren ook bekend om hun belangrijke verzameling van antiquiteiten, die later naar het museum van Bonn ging. Een belangrijk deel bleef echter in ’t bezit van de stad. Op dezelfde manier werd de nieuwe collectie van Smetius Jr. door de musea van Darmstadt en Munich verkregen. De verzameling van den advocaat In de Betouw, werd te Amsterdam in het openbaar verkocht, maar een groot aantal voorwerpen werd door Mr. v. Schevichaven gekocht, wiens verzameling in 1850 aan de stad overging en langzamerhand door nieuwe vondsten en opgravingen verrijkt werd.

      Een vierde belangrijke verzameling werd door den lateren koopman Kam aangelegd (pl.m. 1922), die zijn verzamelingen aan den Staat vermaakte en het belangrijke Museum Kam, het tweede museum na het gemeentelijke, bouwde.
      Een vijfde verzameling is die van een plaats ten Westen van de vroegere castra: zij wordt bewaard in ’t Canisius-College.
      De gemeentelijke antiquiteiten (Gemeentemuseum) worden bewaard in de monumentale kerk van het Mariënburg. In de 17de eeuw zijn er opgravingen ondernomen in de streek ten O. van de stad (Ubbergen), in de 19de eeuw in de pannenbakkerijen van Holdeurn en Ulpia Noviomagus en later door Weve.


[....]


[3]


[...]


      Onze kennis van de Nijmeegsche topographle van de Romeinsche tijden werd aanzienlijk vermeerderd door de onderzoekingen van Holwerda in de Bataafsche sterkte en het Romeinsche kamp (sinds 1916) en van Danlëls in Ulpia Noviomagus (1921/1922). Behalve van de inscripties van Nijmegen, de fragmenten van beeldhouwwerk, eenige kleine voorwerpen en de lampen van het Museum Kam, is de studie van het materiaal, in de musea van Nijmegen opgehoopt, een werk van tientallen jaren. Sinds 1928 echter heeft de archaeologische studie aan de Keizer Karel Universiteit de studie van Romeinsch Nijmegen en haar klassieke verzamelingen in den kring van haar belangstelling genomen.
      Dit rechtvaardigt de hoop, dat deze archaeologische schatten in een werkelijk korten tijd voor de wetenschappelijke wereld toegankelijk worden gemaakt.
      Spr. eindigde zijn rede met de gebruikelijke toespraken.
      Na afloop had er een zeer druk bezochte receptie plaats in den foyer van het Concertgebouw.