De Maasgouw/3e jaargang/nummer 137/Nalezing op het Kronijkje van de kerk van St-Odiliënberg

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nalezing op het Kronijkje van de kerk van St-Odiliënberg
Auteur(s) A.
Datum 11 augustus 1881
Titel Nalezing op het Kronijkje van de kerk van St-Odiliënberg
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 3, 137, 538
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

NALEZING OP HET KRONIJKJE

van de kerk van St-Odiliënberg.

      In den loop van het jaar 1880 heeft de ijverige en geleerde pastoor van St-Odiliënberg, de Wel Eerw. Heer Mich. Willemsen, twee brochuurtjes uitgegeven, betrekkelijk zijne geschiedkundig merkwaardige standplaats: 1) Kronijkje van de Kerk van St-Odiliënberg, toegezonden aan de Hoog Edel Achtbare Leden der Provinciale Staten van het Hertogdom Limburg, ten einde deze Heeren intelichten over een der belangrijkste gebouwen van ons hertogdom: de kerk van St-Odiliënberg, en 2) De Stiftskerk van den H. Petrus, thans van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus, te St-Odiliënberg, uitgegeven in den Provincialen en Arrondissements almanak voor 1881.
      Wat het Kronijkje betreft, vermeldt dit de voornaamste historische bescheiden, die betrekkelijk St-Odiliënberg bekend zijn. Voor het meerendeel zijn deze reeds door Alb. Wolters, vroeger kapelaan van St-Odiliënberg, in 1862 medegedeeld in: de HH. Wiro, Plechelmus en Odgerus en het kapittel van St-Odiliënberg, uitgegeven bij J.J. Romen, te Roermond. Als bijlagen zijn de meeste der door den Eerw. Heer Willemsen geresumeerde diplomen daar medegedeeld pag. 93 en volgg. en gedeeltelijk met noten voorzien. Dat de Eerw. Heer Willemsen dit werk in den regel voorbijgaat en de diplomen volgens fondswerken citeert, is te begrijpen; hij zal bij voorkeur werken van beroemde schrijvers hebben willen aanhalen.
      Waarom hij echter verscheiden diplomen, die reeds door Wolters worden medegedeeld, vermeldt zonder de bron aantegeven waaruit hij ze put, is minder verklaarbaar; en nog minder begrijpen wij, waarom hij de toestemming van den bisschop van Luik tot de incorporatie der pastoriën van Vlodrop, St-Odiliënberg en Steinkirchen dd. 6 Sept. 1430 en die van den aartsdiaken van Kempenland dd. 9 September onvermeld laat, die door Wolters op pag. 118 en 123 medegedeeld zijn. De toestemming der verschillende autoriteiten in de translatie van het kapittel van St-Odiliënberg in 1361 worden toch, al zij ’t ook zonder aanhaling der bronnen, ieder afzonderlijk medegedeeld. Beter begrijpen wij waarom de schrijver de althans in extract door Wolters pag. 132 medegedeelde toestemming van den bisschop van Luik tot de incorporatie van de kapel van het H. Kruis te St-Martensvoeren, bij de orde der Sepulchrijnen dd. 24 Maart 1496 onvermeld laat. Al was ook St-Odiliënberg destijds het middenpunt der wederopkomende orde van de Sepulchrijnen, en al woonde daar de provinciaal der orde, toch had de gemelde incorporatie geen onmiddelijke betrekking tot St-Odiliënberg. Vermeld had echter, onzes inziens, dienen te worden 1) de eerste steenlegging tot de restauratie op 16 Mei 1680, bij Wolters pag. 148, 2) de akte der relikwieënschouwing op 7 Mei 1686, aldaar pag. 145, 3) de aflaatsvergunning van 18 Julij 1686, pag. 150, en 4) de acte der relikwieënschouwing op 13 Mei 1855, aldaar medegedeeld op pag. 151.
      Voorzeker het Kronijkje van St-Odiliënberg, dat de Eerw. Heer Willemsen ons gaf, is slechts eene sommaire opgaaf en de volledige Codex diplomaticus, dien de verdienstelijke schrijver ons belooft, zal in extenso aanvullen wat het kronijkje te kort bleef. Wij meenen te weten dat de Eerw. Heer Wolters, thans pastoor te Roosteren, reeds een dergelijk Codex diplomaticus in bewerking had en in diens bezit enkele onuitgegeven bescheiden berusten, die in dien Codex eene plaats dienen intenemen.
      De hooggeschatte schrijver zal onze hier medegedeelde bemerkingen wel willen aanzien als een bewijs der deelneming, die zijn geleerde en ijverig vorschende arbeid bij ons heeft opgewekt. In een later volgend nummer der Maasgouw zullen wij welligt eenige bemerkingen mededeelen over het tweede werkje van den Eerw. Heer Willemsen.

A.