De Maasgouw/Jaargang 1/Nummer 40/De kloosters Transcedron te Venlo

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De kloosters Transcedron te Venlo [1]
Auteur(s) G.D. Franquinet
Datum 1 oktober 1879
Titel De kloosters Transcedron te Venlo
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 1, 40, 153-154
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[153]


[...]


DE KLOOSTERS TRANSCEDRON te VENLO.

I.

Het Mannenklooster of de Cellenbroeders.

      De pest had meermalen in de stad Venlo hare verwoestingen aangericht. Ten einde hulp en vertroosting aan de burgers, vooral de schamelen, te verzekeren, verzocht de Magistraat in het jaar 1491, van het klooster der Alexianen, ook Cellenbroeders of Lollarden genoemd, te Maastricht, eenige broeders die te Venlo hunne liefderijke toewijding aan de pestzieken zouden offeren.
      Men moet zich den toestand van die tijden voor oogen stellen, wil men begrijpen welke onwaardeerbare diensten de Cellenbroeders aan ’t lijdend menschdom bewezen. Wanneer de pest uitbraï, was de schrik zoo groot en algemeen dat bijna niemand aan eenig hulpbetoon dacht; de angst voor besmetting joeg den kloekste den moed in de schoenen; de zieken, geschuwd, verlaten, stierven meestal zonder troost; de familiebanden waren verbroken; een ieder zocht slechts zijn eigen behoud; wie het konde, vlugtte uit de stad; zelfs de geneesheeren verliepen het soms, en te nauwernood kon men nog menschen vinden die, tegen buitengewoon hooge belooning, de gevaarvolle, ja soms doodelijke taak van ’t begraven wilden op zich nemen. Doch weldra daagde het christelijk liefdegevoel ter hulpe op. Een orde van Cellenbroeders vormde zich, gebonden door den 3den regel van St. Augustinus, en tot patroon kiezende den H. Alexis (van waar hun naam Alexianen), die vrijwillig hun leven blootstelden om de ongelukkige pestlijders, zoowel in de woningen der ingezetenen als in de gasthuizen, te verzorgen en de gestorvenen ter aarde te bestellen. Te Maastricht was zulke vereeniging reeds in 1438 tot stand gekomen, en had zich de dankbaarheid van Magistraat en bevolking, bij het woeden der haestige crancheit offte peste in 1439, 1451 en 1473 weten te verwerven. Zij werd echter eerst in 1487 door Johan van Horn, bisschop van Luik, als geestelijk instituut erkend.
      Het verzoek van de Regeerders van Venlo aan ’t klooster van Maastricht werd ingewilligd. Vier broeders kwamen zich te Venlo vestigen en verkregen vanden Magistraat eene geschikte woning, die, naast het klooster Mariaweide gelegen, hun als eigendom werd verbriefd en den naam van Cedron en Transcedron verkreeg.
      De milddadigheid der inwoners jegens die christelijke helpers bleef niet achter. De aalmoezen, van welke de Cellenbroeders, van renten nog onbegiftigd, moesten leven, stroomden toe, zoodat bij het kloostertje weldra eene bekwame kapel met 3 altaren konde gebouwd worden. Deze werd in 1497 ingewijd.
      De eerste rente, of liever het eerste onroerend goed wat de nieuwe inrichting verkreeg, en volgens ’t toenmalig gebruik in erfrente uitgaf, werd haar in 1499 geschonken. Hendrik Bescheidts en zijne vrouw Idtge (Ida), burgers van Venlo, gaven twee huizen om wekelijks eene mis te laten doen, en na hun dood een jaargetijde voor ’t heil hunner zielen te laten vieren.
      De Cellebroeders, gelijk wij reeds gezegd hebben, waren leekenbroeders; de diensten in hunne kapel werden door wereldsche priesters verricht. Deze aangelegenheid nam het klooster der Regulier-kanunnikken van ’t H. Graf te Odiliënberg, orde van St. Jacob apostel, wiens overste, Jan van Abrock, eene succursaal te Venlo wenschte op te richten, te baat om hen over te halen zich onder de leiding van dat klooster te plaatsen. De Magistraat der stad stemde daarin toe, en ook de Bisschop Johan van Horn schonk er zijne goedkeuring aan. Eene overeenkomst werd tusschen den Magistraat, aan wien de Cellebroeders, volgens de primitieve voorwaarden hunner instelling, onderworpen waren, en het klooster van Odiliënberg in 1500 getroffen. Daarbij werd bepaald dat hoogstens drie kanunniken zouden opgenomen worden, en de stadsregeerders steeds het oppertoezicht zouden hebben. Drie kanunniken van ’t H. Graf kwamen dan ook in ’t zelfde jaar naar Venlo; een hunner nam het beheer op zich onder den naam van prior, en, hoewel het oorspronkelijk doel der inrichting, namelijk het onderhoud van vier of meer Cellebroeders tot verzorging der aan pest of andere besmettelijke ziekten lijdenden, bleef bestaan, werd zij sedert dien als een klooster van ’t H. Graf beschouwd en aanerkend. Het zegel (dat nog in afdruk op ’t archief te Venlo bewaard is gebleven) verbeeldt in een gothische nis een pelgrim met den nimbus om ’t hoofd en met saamgevouwde handen, houdende den pelgrimstaf in zijnen rechter arm, terwijl aan zijnen linker voet tegen den linker pijler van de nis eene knods met eene erom gedraaide slang staat; het randschrift is: sigillv : convet : venl : de : sepvlchro dni : ad cavsas. (1)
      De kanunnikken van ’t H. Graf brachten geene renten noch andere geldelijke middelen in. De onderhoudslasten verzwaarden natuurlijk; deze werden tot dus verre, bij gebrek aan voldoende eigendommen of renten, meest uit de almoezen en handgiften der stadsburgers voldaan, zoo dat, tot verlichting der inwoners, de Magistraat en de geestelijke overheid nog in ’t zelfde jaar 1500 aan het


      (1) De eerw. heer Jos. Daris, in zijne monographie: L’ordre du Satnt Sépulcre dans l’ancien diocèse de Liége, maakt hoegenaamd geene melding van de instelling der kanunniken van ’t H. Graf te Venlo. Men zie Publications de la Soc. hist. et arch. du Limbourg, VI, blz. 291.


[154]


– 154 –

klooster bedelbrieven of promotorias verleenden om in de omstreken of naburige steden en dorpen onderstand te gaan vragen.
      In ’t jaar 1501 viel echter aan ’t klooster eene buitengewone gift ten deel. Op St. Martensavond (10 november) van dat jaar, voor Richter en Schepenen van Well, droegen en gaven Meth, weduwe van wijlen Wijn Koelen, en hare dochter Henriche over aan Prior en broeders van Transcedron, in aalmoes en zuiver om Gods liefde, haar erf en goed gelegen in ’t Wellreloo, in de heerlijkheid Well, onder voorwaarde haar beiden gedurende haar leven te onderhouden. De overdracht geschiedde aan den leekenbroeder Gerardt van Brakell. Dat erf bestond in eene hoeve van 35 morgen akkerland en 7 morgen weide, en was belast met eenige uitgulden, namelijk aan de kerk of altaren te Well 3 malder rogge, 4 malder gerst, 2 pond was en 5 stuivers, aan den heer van Well 4 vlemsch, een malder haver, 1 ½ pond en 1 lood peper, een hoen en 4 stuivers.– Die goederen werden in 1519 nog vermeerderd met den grooten weerd, ook botterwegh genoemd, beslaande 3 morgen, welken het klooster, om den omvang van den hof te vergrooten, van den heer van Well, Otto van Bijlant op St. Peters avond ad cathedram (17 Januari) in vasten erfpacht tegen eene jaarlijksche onaflosbare rente van 9 hornsgulden overnam.
      Sedert dat de ordensheeren van ’t H. Graf in ’t klooster waren toegelaten, bemerkte men bij hen de lust om zich geheel en al meester te maken van de inrichting, en de goederen zich toe te eigenen. Hun getal, dat bij ’t akkoord van 1500 slechts drie konden bedragen, vermeerderde allengskens, terwijl dat der Cellen- of leekenbroeders verminderde. In 1514 was er slechts één cellenbroeder meer aanwezig. De Magistraat der stad werd beducht dat, zoo het vermoed voornemen der kanunniken niet werd tegen gegaan, het doel der stichting van ’t klooster geheel zou worden vernield en de bevolking bij regeerende pesten van hulp en verzorging verstoken zijn. Hij maakte dien ten gevolge van zijn recht van oppertoezicht gebruik en sloot in 1516 met den Prior en conventualen van Odiliënberg, onder toestemming van den Provinciaal van ’t H. Graf, eene nieuwe overeenkomst die de opneming van slechts 3 priesters van dat orde, zooals bij ’t primitief akkoord, toeliet en daarentegen het getal der Cellenbroeders op 4 bepaalde, welk getal bij noodtijden tot 5 of 6 konde opgevoerd worden.
      Het schijnt echter dat de administratie der Ordensheeren niet gelukkig was, en zij ook de verplichting om 4 cellenbroeders te houden even als vroeger niet nakwamen. In het jaar 1545 sloeg de heer van Well, Adriaen van Bijlant, den Boterweerd aan zich, wellicht wegens wanbetaling der rente van 9 hornsgulden. Door tusschenkomst nogthans van de koningin-gouvernante Maria, aan welke de conventualen zich gewend hadden, kregen zij in 1547 den Weerd terug. – Deze spoliatie had tot les kunnen strekken; doch het goederen beheer ging er niet te beter om, want de eigendommen namen af, de schulden daarentegen toe; zoodat de stadsMagistraat zich genoodzaakt zag in 1563 krachtig op te treden, te meer daar er in ’t geheel geene cellenbroeders meer in ’t klooster aanwezig waren.

      (Wordt vervolgd).

G. D. Franquinet.