De Maasgouw/Jaargang 24/Nummer 8/Aanstelling van een landschrijver in het ambt Montfort in 1722

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aanstelling van een landschrijver in het ambt Montfort in 1722
Auteur(s) P. Doppler
Datum 30 april 1902
Titel Aanstelling van een landschrijver in het ambt Montfort in 1722
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 24, 8, 29-30
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

– 29 –


[...]


Aanstelling van een landschrijver in het ambt Montfort in 1722.

Medegedeeld door P. Doppler.

      Het ambt Montfort, doorgaans ammanie Montfort geheeten, was gelegen op den rechter Maasoever en kwam in 1277 aan Reinoud I graaf van Gelder; sinds dien tijd deelde het in de lotgevallen van Gelderland. Het bestond naderhand uit de steden Echt, Montfort en Nieuwstad, en de dorpen Swalmen, Asselt, Elmpt, Cruchten, Ohé en Laak, Berkelaar, S. Joost, Maasbracht, Pey, Roosteren, Illickhoven, Vlodrop, Posterholt, Linne, St. Odiliënberg, Lierop, Beesel en Belfeldt. Het werd bestuurd nagenoeg op denzelfden voet als de ambten Kessel en Krieckenbeeck, doch had zijn eigen leenhof, dat op den burgt te Montfort zijn zetel had. De algemeene regeering van het ambt Montfort werd waargenomen door den drossaard, die tevens voorzitter was der onderscheidene schepengerechten in crimineele gevallen. Wat de administratie en de rechtspraak betreft, was de ammanie verdeeld in 6 schepenbanken. Naast den drossaard stond de landscholtis, die belast was met de politie; de eerstgenoemde trok de boeten en breuken boven de drie gulden, deze die van drie gulden en minder; beide betrekkingen werden doorgaans verpand; de betrekking van landrentmeester generaal was gewoonlijk vereenigd met die van drossaard; van den landsehrijver is niets naders bekend.
      In 1649 tijdens de vredesonderhandelingen te Munster werd het ambt Montfort door Philips IV, koning van Spanje, onder den titel van heerlijkheid zonder opperheerschappij, onder zekere voorwaarden afgestaan aan prins Frederik Hendrik van Oranje. Zij maakte als zoodanig deel uit van de nalatenschap van den stadhouder Willem III en werd bij deeling zijner erfenis in 1732, aan den koning van Pruissen toegewezen; in 1769 verkocht Frederik de Groote het ambt met de daaraan verbonden heerlijke voorrechten aan prins Willem V van Oranje.
      De Souvereiniteit over dat land werd bij het barrièretractaat van 1715 door Keizer Karel VI afgestaan aan de Vereenigde Provinciën, die ze tot het einde der achttiende eeuw behouden hebben (1).
      De acte van aanstelling tot „Landtschreiber” van voornoemd ambt, die hier volgt, staat opgeschreven vóór in het gedingenregister der schepenbank Beesel en Belfeldt, over de jaren 1722—1734.

      Wyr Friderich Wilhelm von Gottcs gnaden, König in Pruissen, Marggraff zu Brandenburg, des H. Röm. Reichs Ertz Cammerer und Churfurst, Souverainer Printz van Oranjen, Neufchatel und Vallengin, in Geldern, zu Magdeburg, Cleve, Julich, Berge, Stettin, Pommeren, der Castuben und Wenden, zu Mecklenburg, auch in Schlesien, zu Cnossen Hertzog, Burggraf zu Nurenberg, Fürst zu Halberstadt, Minden, Camin, Wenden, Schwerin, Ratzeburg, und Moers, Graff zu Hohenzolleren, Ruppin, derMarck, Ravensberg, Hohmstein, Tecklenburg, Tingen, Schwerin, Buhren und Lehrdam, Marquis zu der Vehre, und Vlissingen, heer zu Ravenstein, der lande Rostaeck, Stangard, Lavenburg, Butau, Arlay und Breda etc. thun kund und fugen hier mit zu wissen, demnach die Landtschreibers bedienung in unserem Ampt Montfort durch das absterben Johann Crebbers vacant und ledig worden, und uns zu deren wiederbesetzung, unter anderen Henricus van Dam, allerunterthänigst angeruhmet und vorgeschlagen worden, weswegen wir auch denselben zum Landtschreiber, in besagten unseren Ambt Montfort allergnädigst benandt und angestellet thun das auch hiermit und kraft dieses dergestalt, und also, das uns und unseren gantsen Könighlichen hause, successoren, erben und nachkommen, als hernn von
——————
      (1) Jos. Habets, Geschiedenis van het bisdom Roermond I p. 35—36; — Publications de la Société historique et archéologique dans la duché de Limbourg, tom 35, p. 344.


[30]


– 30 –

Montfort, er getrou, hold, unterthänig und gewärtig seyn, unser und unseres Königlichen hauses nutzen und bestes nach möglichkeit suchen, schaden und nachtheil aber, soviel an Ihm ist, verhuthen und abwenden helffen, das Landtschreiberambt mit auffschreiben, lesen und anderen dazu stehenden verrichtungen fleissig, wohl und getreulich bedienen, auch sonsten alles dass jenige thun, und ausrichten solle, was ihme von denen respective Gerichten anbefohlen und aufgetragen werden mögte, wie solches einen treuen und gewissenhaften Landtschreiber eignet und gebühret und es seine nach maassgebung der Geldrischen Stadt- und Landtregten zu leistende Eydts pflichten erforderen, wogegen mehr erwehnter Landtschreiber, in unseren Ambte Montfort Henricus van Dam, alle zu dieser bedienung stehende Ehre und Emolumenten so wie selbige, die bisherige Landtschreibere genossen und gehabt, ongekräncket babe und geniessen soll; Wir befehlen demnach unserer Geldrischer Commission hiermit allergnädigst, sich darnach gehorsamst zu achten, auch unsere Montfordische beambten und die jenige gerichte, wo bey der verstorbene Crebber als Landtschreiber gestanden halt, dahin zu bescheiden das sie mehrerwehnten Henricum van Dam als Landtschreiber in den Ambt Montfort behörig erkennen, urkundlich unter unseren eigenhändigen unterschrift und auffgedrucken Konigl. Gnaden Siegel.
      Gegeben Berlin den 16 January 1722.

(was ondertekent) F. Wilhelm.
(ende gecontresigneert) E. B. V. Creut.