De Maasgouw/Jaargang 3/Nummer 133/Geschiedkundige Aanteekeningen over het dorp Roosteren

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Geschiedkundige Aanteekeningen over het dorp Roosteren [2]
Auteur(s) Anoniem
Datum 14 juli 1881
Titel Geschiedkundige Aanteekeningen over het dorp Roosteren. II.
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 3, 133, 521-522
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[521]


[...]


Geschiedkundige Aanteekeningen over het dorp ROOSTEREN.

II

      Den 16 Juli 1639 werd Herman Kleinen van Schinveld door den deken van het concilie van Susteren, Joannes Brockarts, waarschijnlijk daartoe gedelegeerd door den deken van Montfort, als pastoor te Roosteren ingeleid, waarbij als getuigen tegenwoordig waren Joannes Six en Joannes Bress, kanunniken, en Winand Servatius, vicaris te Susteren. Hij overleed den 3 Februari 1655 (1).
      Tijdens zijn bestuur kwam in 1653, onder goedkeuring van Mgr. Creusen, bisschop van Roermond, eene overeenkomst tusschen de burgerlijke en kerkelijke overheid tot stand over de pastoreele jura.
      Kleinen had met vele wederwaardigheden te worstelen. Den 16 October l646 plunderden woeste horden het dorp met de kerk en maakten zich gedurende zeven maanden schuldig aan de grootste gewelddaden. Eene attestatie der schepenen van Roosteren geeft ons een flauw denkbeeld van hetgeen deze plaats van de Lotharingsche en Duitsche troepen in dat en de opvolgende jaren geleden heeft. Zij luidt als volgt:

      Wij Burgemeesters, Schepen ende Regerders des Kerspels Roesteren, onder de banck van Echt, doen condt ende tuigen hiermede voor de Opregte Waerheijt, dat wij tzedert het jaar 1646 genoitsaeckt zijn geweest boven allent tgeene wij bij onse middelen hebben weten bij te brengen, op te nemen de somme van sees dusent seven hondert en sieven en dertich gl. ende dat boven dijen tgeene van tvoorn bij ons ende onse voersaeten, door gelicke noit alnoch is opgenoemen ter somme van acht dusent acht hondert ende vertich gl. ende alnoch tzedert d’voorss. iaeren merckelicken ende irrecuperabilen schaden geleden te hebben, wegen der Jnquarteronghe van Lotringsche ende hochduitsche troeppen wij oock in ’t plunderen onser kircken het minste ter somme van twintich dusent acht hondert en vier gl., ende des toe waerer oirconde soe hebben wij voorss. Burgemeesters, Schepen ende Regerders des des voerss. Kerspels onsen Medeschepen Amptssiegel der Stadt ende hoeftgericht Echt hier onder op Spatium doen drucken.
      Actum Echt den 2 7bre 1651. (2)

      Den 4 Mei 1648 stak zulke hevige wind op, dat het veer tegenover Roosteren en Maeseyck in de Maas verging, waardoor verschillende hun dood in den storm vonden (3).
      Den 23 Mei 1653 vielen de Lotharingers weerom in het land en plunderden de kerk andermaal (4).
      Na het overlijden van Kleinen bleef de pastorij drie maanden onvervuld, totdat op den 25 Mei 1655 Henricus van Eijck geinstalleerd werd door den deken van Montfort Joannes Knippenberg, pastoor te Nieuwstadt, in tegenwoordigheid van den ambtman Havelmans te Montfort, Joannes Six, kanunnik te Susteren, en Peter Victor, pastoor te Holtum, alsmede van Joannes van Rossum, heer te Roosteren, en Peter Loomans, schepen. Hij overleed den 29 September 1670 en stichtte in de kerk te Roosteren een jaargetijde, dat nog gevierd wordt. Ook het tijdperk, dat deze pastoor aan het hoofd der parochie Roosteren stond, kenmerkt zich door allerlei rampspoeden; op den 2 Januari ligt het dorp bij den heerschenden watersnood onder, hetgeen zich herhaalde den 19 Februari, toen bij den ijsgang en het hooge water 30 à 40 personen in den vloed het leven lieten; (5) en in Mei 1668 vielen de troepen van Lodewijk XIV in het ambt Montfort, waar zij te Echt en te Roosteren alles uitplunderden (6) en schromelijke verwoestingen aanrichtten, als gevolg waarvan aangemerkt kan worden dat bij de kerkvisitatie, die den 9 Mei 1669 werd gehouden, de pastoreele woning geheel verwoest lag, hetgeen bij die in 1666 door den vicaris-generaal van Oeveren gedaan nog niet het geval was, want deze maakt melding van het bestaan der pastorij met aangrenzenden tuin.
      Als opvolger van van Eijck vinden wij Jacobus Weijers van Meerssen, voorheen pastoor van Margraten, die den 30 October 1670 door den deken van Monfort, G. Beumers, pastoor te Elmpt, geïnstalleerd werd, waarbij als getuigen fungeerden Augustinus Mathias Joannes Van den Bergh, Rutger Graus en Peter Wassenberg. Weijers stichtte een thans nog bestaand jaargetijde. Zijn sterfdag viel op den 17 Januari 1681.
      Den 9 Mei 1681 werd Christiaan Nieven van Roermond als pastoor geïnstalleerd door den deken van Montfort, Joannes Fabius, pastoor te Nieuwstadt. Getuigen waren


      (1). Joannes Kleinen, kapelaan te Echt, die den 12 September 1645 stierf en te Roosteren begraven werd, schijnt zijn bloedverwant geweest te zijn.
      (2) Archief van het Overkwartier te Roermond.
      (3) Maasgouw, n. 43.
      (4). Op het schutblad van het oude doopregister kan men het volgende van eene aanteekening ontcijferen: ...16 8bris venerunt Lottringi spoliaverunt hoc templum Roesterense... septem mensibus manserunt. 1653 die 23 Maii iterum venerunt Lottringi et spoliaverunt hanc ecclesiam et fere omnia debebamus. Ita quod a tempore nostro uni... diebus adhuc illis et manserunt tamdiu.......
      (5). Aanteekening in het doopregister van Roosteren.
      (6). Zie Maasgouw n. 36.


[522]


– 522 –


daarbij Joannes Bress, kannunik te Susteren, Arnold de Jonghe, pastoor te Echt, en Herman van Rossum. Hij stichtte eene wekelijksche mis ter eere van den H. Joseph en bracht den 18 November 1687, met medewerking van Arnold van den Bergh, de vicarie te Roosteren tot stand, waartoe deze eene belangrijke som als fundatie stelde. Christoffel van der Steijnweg, die op dit beneficie werd gewijd, was de eerste bezitter. Nieven stierf den 1 Juli 1717. (1)
      Na zijn dood werd de kapellaan Rutger Mankers voorloopig met de bediening der pastorij belast totdat hij den 16 Mei 1718 als pastoor werd ingeleid door den deken van het ambt Montfort, Willem Basel, pastoor van St-Odiliënberg — denzelfde, die de kerk van St-Odiliënberg 1679-1688 gerestaureerd heeft (2) — bij welke plechtigheid getuigen waren Oddaer, pastoor te Echt, en Herman van den Bergh. Op zijn aandringen werden den 18 Januari 1727 door Mgr. Sanguessa de beneficien van O. L. V., van St. Jacob en van St. Joseph vereenigd. Bij die vereeniging, mede bewerkt door H. J. Van den Bergh, J. A. van Rossum, A. Smeets, schepenen, en Arnold Bouten, scholtis, werd bepaald dat de begeving van dit samengevoegd beneficie voor de eerste reis zou geschieden 1° door den pastoor, 2° door de heeren van Rossum en Beelhof en 3° door scholtis en schepenen, en voor de tweede reis door het oudste lid der familie van den Bergh.
      Mankers was een geleerd en ijverig priester (vir doctus et zelosus), die, na bijna 16 jaren aan het hoofd der parochie Roesteren gestaan te hebben, naar Montfort werd overgeplaatst.
      Op den 5 April 1734 was hij als pastoor te Roosteren vervangen door Rafaël Mulders van Straelen, die door den deken Knops, pastoor te St-Odiliënberg, bijgestaan door Augustinus Vorster, pastoor te Echt, en zijn voorganger Mankers werd geinstalleerd. Van dezen pastoor vindt men opgeteekend, dat hij was een waar priester en een nauwgezet pastoor. Hij overleed den 9 November 1756.
      Bij den grooten watervloed, die op den 22 December 1740 de oeverbewoners der Maas teisterde, bleef het kerspel Roosteren geenszins verschoond. Het water overstroomde het geheele dorp zoodanig dat geen enkel huis daarvan vrij bleef en men van af Maeseijck tot aan de deur der pastorij in eene schuit kon oversteken. (1)


      (1) Volgens de doopregisters der parochiekerk te Roermond werden aldaar geboren: Christiaan Nijven den 19 Juli 1654, Christiaan Niven den 27 Augustus 1654 en Christiaan Nieven den 7 October 1657. Een dezer zal wel de pastoor van Roosteren geweest zijn.
      (2) Zie Alb. Wolters. De HH. Wiro, Plechhelmus en Odgerus, bl. 142.
      (1) Aquæ Mosæ (zegt het doopboek van Roosteren) fuerunt adeo magnæ et altæ ut nautæ ad Mosam navicula sua ex civitate Mosacensi trajecerint usque in januam pastoratus et per hanc aquam fuerunt ortæ maximæ calamitates pago de Roesteren, ut nulla domus sine aqua fuit, imo hæc domus Dei.