De Maasgouw/Jaargang 32/Nummer 7/Het klooster van Hoog-Cruts

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het klooster van Hoog-Cruts
Auteur(s) Anoniem
Datum Juli 1910
Titel De Maasgouw
Tijdschrift Het klooster van Hoog-Cruts
Jg, nr, pg 32, 7, 51-53
Opmerkingen Alexander Farnese vermeld als Alexander Farnesse
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

– 51 –


[...]


Het klooster van Hoog-Cruts

      In het gehucht Slenaken, dat vroeger onder de parochie van St. Maartensvoeren behoorde, bestond eene kapel, toegewijd aan het H. Kruis, waarvan voor het eerst melding wordt gemaakt in 1428 en waarvan de pastoor van St. Maartensvoeren den rector benoemde.
      Gillis de Lacroix, rector der kapel, ging in 1439 naar het klooster der Regulieren Kanoniken van het H. Graf te Odiliënberg; op zijne aanvrage werd met toestemming van Louis Scharis, pastoor van St. Maartensvoeren, en den Bisschop van Luik, Jan van Horn, den 24 Maart 1496 deze kapel ingelijfd bij het klooster van het H. Graf te Odiliënberg, maar onder voorwaarde dat zij zou veranderd worden in een klooster van dezelfde orde en dat er niet meer dan 25 kloosterlingen zouden wonen. Het verdrag werd gesloten omstreeks het jaar 1498 onder beheer van Gillis de la Croix, aldaar gestorven den 3 Dec. 1504. Onder zijn opvolgers vindt men vermeld Everardus van Mechelen, gestorven 28 Nov. 1553.
      Willem Smets van St. Pietersvoeren, overleden 9 Sept. 1572. Onder hen werd het klooster vernield door de troepen van Willem van Oranje (1568).
      Crucius Bruyn van St. Maartensvoeren (1572—1623). Tijdens zijn bestuur werd het klooster in brand gestoken in 1579 door de Spaansche troepen van Alexander Farnesse na de inneming van Maastricht, omdat de Staten van Overmaas er hunne landdagen gehouden hadden. (Deze Staten waren vijandig aan den Koning van Spanje).
      In 1601 waren er nog slechts twee kloosterlingen. In 1605 nog 4 kloosterlingen, 2 paters en 2 novicen. De omliggende bewoners en eenige adellijke families uit den omtrek vroegen, dat zij zouden blijven en niet naar Aken zouden gaan, omdat zij nuttig waren voor de streek en altijd goed hun plichten hadden gedaan.
      Jan graaf van Gronsveld, onder voorwendsel dat zijne voorouders het klooster hadden gebouwd, meende na den brand er over te kunnen beschikken en wilde het vereenigen met het college der Jezuïeten te Aken, maar de twee overgebleven kloosterlingen verzetten zich hiertegen en brachten de zaak voor de Raad van Brabant (1601-1608).
      In 1606 begon de prior eene Latijnsche school in het klooster. De eerste leerlingen dezer school waren de kinderen van Gerard Otten te Nierop, Etienne Aen, Guil. Gulpen, Adolf Belven, zoon van den drossaard van Wittem, Guil. baron van Eynatten van Reimersdal. Het getal studenten nam toe en het werd een college.
      Crucius Bruyn stierf 11 Mei 1624 in den ouderdom van 80 jaren.
      Zijn opvolger Jan Linssen richtte in 1623 in zijne kerk op de Broederschap van den H. Rozenkrans.
      Van 1634 af moesten kloosterlingen en studenten meermalen vluchten op keizerlijk gebied om te ontkomen aan de harde maatregelen genomen door de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden bij plakaten en retorsiën. Linssen stierf 11 Jan. 1642 (1).
      Levinus Francken van Mesch. Er waren onder hem slechts 4 kloosterlingen, maar in het klooster heerschte ijver en tucht in de gemeenschap. Veel had men te lijden tijdens de oorlogen van 1648 en 1649; het grootste gedeelte der inkomsten werd ontnomen door de Staten-Generaal.


      (1) Bekende kloosterlingen, gevonden in verschillende registers: Andreas Henssen, Joannes Lynotz, Corn. Schoonbrood, Servaas Lamberts (leekebroeder), Carolus Colie, Peter Coelen, Gillis Francken, Simon Aussems, Mich. Kevers, Laurentius v. d. Eschen, Mathias Francken, Wilh. Hagelstein, Joannes Jonckhaus, Nic. Labeije, Wilh. Horsmans, Henri Lousbergs, Sim. Demollin, Jan Schillings, Steph. Merckelbach, Ch. Renckens, Fr. Meyers, A. Wynants, Thomas Aen, H. Jeekermans, Jos. Waver (leekebroeder), H. Valckenborgh, L. Nyssen, G. Doum, J. van Geleen, P. Pütz, Math. Coelen, Jac. Schoonbrood, H. Warrimont, G. Jacobs, R. Chaineux, Jos. Plumans, Fr. Beys, Henri Cuvelier.


– 52 –

      De religieuzen bedienden een tijdlang de kerk van Noorbeek, doch moesten dit laten varen in 1663 door een mandement van den bisschop van Luik, Maximiliaan van Beieren.
      Francken stierf 18 Juli 1679; toen waren er nog 8 kloosterlingen.
      Gillis Aussems van Noorbeek had een proces met den Graaf van Gronsveld, die voorgaf stichter en weldoener van het klooster te zijn en wilde in den jachttijd met zijne vrienden onthaald worden. De prior hield vol dat het klooster niet op het gebied van het Keizerrijk lag, doch behoorde tot de Spaansche Nederlanden en de graaf dus geen recht had om het voor het gerecht van Gronsveld te dagen. Dit proces duurde van 1680 tot ’84 en kostte veel geld. De Raad van Brabant verdedigde hem. Hij stierf in 1697.
      Renier Konings van Immerdorf. Er heerschte tucht in het klooster; er waren 25 leerlingen. Hij stierf in 1728.
      Antoon Cox van Rolduc, gekozen 26 Oct. 1728. Onder hem bloeide de school: 30-40 leerlingen. Hij richtte nieuwe gebouwen op voor meer dan 13000 gulden.
      In 1731, 7 Febr. werd door de Paters W. Hagelstein, Nic. Labeye, Wilh. Horsmans en C. Renkens een verzoekschrift gericht tot den prior Cox, om meer aan te dringen op het onderhouden van den regel in het klooster; en tevens een provisor aan te stellen die zich zou belasten met de administratie van het huis, want de omliggende bewoners klaagden er over dat zooveel geld werd uitgegeven aan nieuwe gebouwen.
      Prior Cox antwoordt dat hij altijd heeft aangedrongen om beter den regel des huizes te onderhouden en wat de gebouwen betreft die hij opricht, deze zijn hoogst noodig, omdat te weinig plaats is om de studenten te huisvesten en geen plaats om de vreemden te ontvangen en te logeren; en de gelden hiertoe noodig, zijn aanwezig, zoodat geen schulden behoeven gemaakt te worden.
      Op verzoek van Deken Bonhomme van Maastricht en Fabritius van Rolduc werd een prior aangesteld, die zich zou belasten met de administratie; daarvoor werd gekozen Nic. Labeye.
      In een lijst gegeven aan het Gouvernement waren hunne inkomsten aangegeven voor 6000 fl. en 2500 schoolgeld; hunne uitgaven f 1300. Hij stierf in 1758.
      Jan Quix van Wijnandsrade, oudoom van Ch. Quix, bibliothecaris van Aken, stierf in 1770.
      Cornelis Creischer van Montzen deed de kerk opbouwen. De steen in den gevel wees het jaartal aan Deo optIMo sVb tItVLo CruCis InVentae eXIsto (1780).
      Onder hem waren er 11 kloosterlingen en de inkomsten bedroegen 5389 fl. Het is wellicht te danken aan de Latijnsche scholen en aan de geringe inkomsten dat het klooster niet werd opgeheven door Joseph II. Het hoofdgedeelte van het klooster lag echter op Keizerlijk gebied, nl. onder Slenaken.
      Bij den tweeden inval der Franschen in ons land gingen de prior en kloosterlingen 19 Sept. 1794 naar Duitschland en vestigden zich te Xanten, Embung, Bocholt en Alfen.
      In 1795 12 Mei kwamen zij terug, zij hadden 4000 fl uitgegeven voor hun onderhoud.
      In 1796 Sept. heeft de Regeering alle kloosters in België opgeheven, bij arrêté van het Directoire Exécutif van 15 fructidor an V (1797 Augustus 2). In 1797 werd het door de Paters gehuurd, in 1798 Maart 23 (3 germinal an VII) werd het verkocht voor 2.707.000 francs, betaald in bons of assignaten (50000 francs). Het werd gekocht door Chretien Coenegracht te Wijk en Antoon Bemelmans te Maastricht. Toentertijd waren nog aanwezig in het klooster Corn. Creischer, Jac. Schoonbrood, Henri Lousberg, G. Simon Demollin, Jan Schillings, Henri Warrimont, Gillis Jacobi, Jos. Leverix, Joseph Waver, Franc. Beys, Henri Cuvelier, Chrétien Pauli.


      De familie Coenegracht heeft het klooster met pachthoeve verkocht aan notaris Boots te Scharn, bij Maastricht, en deze weer aan de familie Pyls van Maastricht, die het thans in eigendom heeft; het oud klooster later verbouwd, bleef eigendom van de familie Boots, later van Oppen van Maastricht, die het onlangs heeft verkocht aan Fransche Zusters Dominicanessen, die er nu wonen. De kerk hebben zij gekocht van de familie Pyls.
      Deze kerk werd na het vertrek der Paters in een schuur veranderd en gevoegd bij de pachthoeve; de deur der kerk werd uitgebroken en de hardsteenen verkocht; men vindt er nog eenige in de parochie Slenaken, aan de kapel van Buitenaken en in den gevel van het huis van Mej. Broers, nabij de kerk. Het uurwerk bevindt zich in den toren van Slenaken.


      In vroegere tijden is er altijd twijfel geweest tot


– 53 –

welke parochie het klooster van Hoog-Cruts behoorde, tot Slenaken of Noorbeek (1).
      In 1802 9 April had er eene nieuwe indeeling der parochies plaats door Mgr. J. E. Zaepffel van Luik, tot welk bisdom Slenaken en Noorbeek behoorden; daarom behoeft men geen acht meer te slaan op de vroegere verhoudingen. Mgr. Zaepffel geeft het klooster van het H. Kruis op als behoorend tot Slenaken. Bij eene nieuwe omschrijving door Mgr. Zaepffel goedgekeurd 2 Juni 1805 wordt Terlinden bij de parochie Noorbeek vermeld en Hoog-Cruts bij Slenaken. In 1807 wordt bij Noorbeek aangegeven Terlinden en 7 huizen aan gene zijde van den weg genoemd Hochstrasse en bij Slenaken 4 huizen aan deze zijde van den weg genaamd Hochstrasse en van Hoogcruts wordt geen melding gemaakt. (Archief te Maastricht).
      In 1844 was er twijfel gerezen over de pachthoeve, tot welke parochie deze behoorde, omdat er eene poort gebroken was uitkomend onder de parochie Slenaken. Mgr. Paredis heeft toen voorloopig uitgemaakt dat de pachthoeve zou blijven onder Noorbeek, totdat er door de wettelijk bestaande overheid eene andere beslissing zal zijn genomen. Over het klooster heeft Mgr. Paredis niets beslist en daarover liep ook niet de twijfel, alleen over de pachthoeve. En overigens, al betrof zij ook het klooster, hij heeft geen definitieve uitspraak gedaan.
      In 1853 werd door Mgr. Paredis niets veranderd in den toestand der parochie.
      In 1900 werd door Mgr. Drehmanns, op advies van het kapittel der kathedraal, na gehoord te hebben de redenen van Pastoor Eygelshoven van Noorbeek en Pastoor Hoester van Slenaken, de volgende beslissing gegeven:
      1°. Dat het klooster Hoog-Cruts gelegen in het gehucht Cruts en behoorende tot de gemeente Slenaken eveneens zal blijven behooren tot de parochie Slenaken.
      2°. Dat de pachthoeve met de bewoners zal behooren tot de parochie Noorbeek.


      (1) Zie Quix: Geschichte der Kanonie zum h. Kreuz zu Slenaken.
      Quix zegt: Die Gebaulichkeiten mit der bis dem Einrücken der Franzosen in diesen Länder kaum im Baue fertig gewordene neue Kirche, waren theils in der Grafschaft Daelheim, theils in der Reichsgrafschaft Slenaken gelegen. In diesen gehörten der Chor und die Sacristei der Kirche, des östliche Flügel des Klosters bestehend aus den Schlafzimmern der Herren, ihren Speizezimmer, die Küche, Brauerei, den Backhanse und den Garten.”
      J. Daris (Publ. de Limb.) zegt: La paroisse de Fouron St Martin comprenaît le hameau de Slenaken. Il y avait dans ce hameau une chapelle dediée à la St. Croix.
      Ook Pastoor Rubin van Slenaken geeft aan Mgr. Zaepffel van Luik het klooster van Hoog-Cruts op als behoorend tot zijne parochie. (1802).