De Maasgouw/Jaargang 4/Nummer 175/De verwoesting van het ambt Montfort door de Spaansche troepen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De verwoesting van het ambt Montfort door de Spaansche troepen
Auteur(s) G.D. Franquinet
Datum 17 augustus 1882
Titel De verwoesting van het ambt Montfort door de Spaansche troepen. 1590-1591.
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 4, 175, 686-688
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[686]


– 686 –


DE VERWOESTING van het ambt MONTFORT door de Spaansche troepen. 1590-1591.

(Medegedeeld door Mr. G. D. Franquinet.)

      Het ambt Montfort, waarvan hier sprake is, lag op uitzondering van een zeer klein gedeelte binnen de grenzen van onze tegenwoordige provincie Limburg. Aldus geheeten naar een burg, waar vroeger de heeren der streek hun verblijf hielden, en wiens naam mons fortis of muntfort, muntvoort (latijnsche of oud-duitsche afstamming, waaromtrent de geleerden het niet eens zijn) ook die van ’t nabij gelegen dorp is, bestond dat ambt, ’t welk door ’t riviertje de Roer wordt doorsneden, uit verschillende gemeenten, namelijk twee steedjes, Echt en Nieuwstadt en elf dorpen: Montfort, Vlodorp, Posterholt, Berg of Odilienberg, Roosteren, Maasbracht, Linne, Beesel, Belfeld, Swalmen en Elmpt (nu in Pruissen). Deze twee laatsten werden later, en wel door ’t Barrièretractaat in 1715, er van afgezonderd en bleven bij de Oostenrijksche Nederlanden, terwijl ’t overige van ’t ambt aan de Staten generaal kwam.
      Even als de andere streken onzer provincie heeft het ambt schrikkelijk moeten lijden in de Godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw. De doortrekkende legers van beide partijen, vriend of vijand, Spanjaarden of Hollanders, maakten van ’t ambt een tooneel van de ergerlijkste plunderingen en verwoestingen, zoodat de inwoners het meermalen verloopen moesten en hunne persoonlijke veiligheid in den vreemde zoeken. Een staaltje van die onmenschelijke behandeling en van de algemeene ellende, die toen het lot van ons land was, schildert ons, voor ’t jaar 1591, ’t stuk wat wij hier achter laten volgen. Het is eene officieële attestatie, op verzoek der ingezetenen van ’t dorp Roosteren voor Burgemeester en Raad der stad Maeseijck door geloofwaardige personen afgelegd, hoe de Spaansche troepen onmeêdogend te Roosteren en in ’t geheele ambt Montfort hebben huis gehouden (1).
      Tot recht begrip der feiten in dit stuk aangeroerd, zullen wij ze in verband stellen met de geschiedenis van die dagen.
      Ten gevolge der inname van Maastricht in 1579 en van Venlo in 1586, beiden door den hertog van Parma, waren de landen, die nu de provincie Limburg vormen, geheel onder de gehoorzaamheid van den koning van Spanje teruggekeerd. Dit belette niet dat de Spaansche troepen, wanneer zij in hunne krijgsbewegingen hier doortrokken of eenigen tijd vertoefden, zich als losgelaten duivelen gedroegen en alles uitplunderden; geen wonder overigens, zij ontvingen niet, of zeer zelden en dan nog slechts voor een klein gedeelte, hunne soldij, welk gebrek de landslui moesten bezuren. Zoo zien wij, onder anderen, uit de attestatie dat van den maand December 1590 tot half Februari 1591 ’t regiment voetvolk van Philips van Bentinck in ’t ambt Montfort, alwaar het gedurende dien tijd in cantonnement lag, groote schade aaarichtte, en dat het aldaar vervangen werd door zeven ruitercompagniën van den overste Pradilla. Deze die zich te Stevensweert, Ohé en Laak hadden gelegerd, zwierven dag en nacht door ’t


      (1) Een afschrift dezer attestatie heb ik gevonden tusschen eenige losse papieren van de gemeente Nieuwstad.


[687]


– 687 —

ambt rond om te rooven en den arme huislieden, die zij gevangen namen, geld en goed af te persen. De meeste onderdanen verlieten dan ook hunne haardsteden en keerden eerst terug na ’t vertrek dier plunderzieke beschermers, die op ’t einde van Maart naar Maastricht togen. Doch de kwaal en de desolaatheid zouden nog erger worden.
      De Hertog van Parma, de grootste veldheer van zijn tijd, had door zijne ongemeene talenten ’t geluk weer naar de zijde van den Koning doen buigen en de uitbreiding der jonge Republiek gestuit, toen hij in 1590, op last van den Koning en ten bate der Katholieke Liga, een veldtocht in Frankrijk moest doen, die, hoewel door hem met tegenzin ondernomen, schitterend voor zijn roem doch gering en schraal in politieke uitkomsten was. Bij zijne terugkomst in de Nederlanden op ’t laatst van dat jaar vond hij tegen over zich aan ’t hoofd der troepen van de Republiek een jeugdig veldheer die, uitmuntend in krijgswetenschap en vol beradenheid, weldra zou toonen dat hij waardig was een Parma te bestrijden. Prins Maurits was glansrijk zijne loopbaan begonnen. Breda verrast, Zutphen, Deventer en Delfzijl ingenomen, getuigden dat het lot van de Republiek aan goede handen toevertrouwd en de onafhankelijkheid van ’t land gewonnen was. Parma begreep maar al te wel dat de reeks der overwinningen van Maurits, die het nu op Groningen gemunt had, gestuit moest worden, en trok met zijn leger, groot 6000 man voetvolk en 1000 ruiters, naar Gelderland. Die tocht had plaats van Maastricht uit in ’t begin van Juni, en ging door ’t ambt Montfort, alwaar, volgens de attestatie, al het koren te velde groen werd afgesneden, beesten en meubelen gestolen werden en de moedwilligheid van Parma’s soldaten zoo ver liep dat de inwoners over de Maas naar Maeseyck en omliggende dorpen vluchtten. Parma echter, die in Juli in de nabijheid van Nijmegen gekomen was, dacht het tegen die stad over aan de andere zijde van de Waal gelegen fort Knotsenburg te bemachtigen. Doch hij had zonder den waard gerekend. Terwijl de bezetting zich dapper weerde, was Maurits, in tijds van des vijands komst verwittigd, in aller ijl komen aanrukken en dwong, na een beslissend ruitergevecht, waarin vele officieren van Parma dood bleven (2), zijn geduchten tegenstander weder de Waal over te trekken en Gelderland te verlaten. Op den terugtocht bleef Parma’s leger — zoo verhaalt onze bron, de hierachter volgende attestatie — eenigen tijd aan de omstreken van Venlo, van waar uit ’t ambt Montfort en dus ook de om Venlo liggende streken deerlijk verwoest werden. Huis noch kluis werd gespaard, alles vernield en verbrand; wat nog van paarden en koebeesten overig was gebleven werd gestolen; in één woord het land was in eene akelige einöde herschapen, terwijl de landlieden, allen, naar ’t Guliksche, onder anderen te Karken, in ellende gevlucht waren.
      Van Venlo trok ’t leger verder naar Maastricht, doch hield zich twee weken op om Steyn en Elsloo, waar ook de desolaatheid de troepen op de hielen zal gevolgd hebben; van daar kwam het, of ten minste eene sterke afdeeling, overhoeds terug, en viel door het verlaten ambt Montfort in ’t hertogdom Gulik, waar het dorp Karken geheel uitgeplunderd en grootendeels verbrand werd. Na dezen rooverstocht vertrokken de Spaansche troepen en gingen zich voorbereiden tot een tweeden inval in Frankrijk, dien Parma op vernieuwd bevel van Koning Philips II in ’t begin van ’t volgend jaar 1592 zou ondernemen.
      Wij voegen hier nog bij dat, toen de ingezetenen van ’t ambt Montfort weder in hunne verwoeste dorpen waren teruggekomen, zij niet alleen aan honger moesten lijden, maar ook nog onder hen besmettelijke ziekten, ten gevolge der ellende, uitbraken en menig slachtoffer eischten.

      Zie hier nu de attestatie:

      Wir Burgemeisteren, geschwoeren vund Raedt der Stadt Maeseick in den lande van Ludick onder dat heijlich Rijck gehoerigh, doen kondt allen ende einen ijgelicken dese tegenwordige letteren van certificatien siende off hoerende, inde tuijgen dat op huijden dato van desen voir vns comparerende ende erschijnende die Gedeputeerde des Dorps Roesteren, op die ander sijde der Maesen in den Ambt Montfordt gelegen, hebben verclaert ende tho kennen gegeven hoe dat voirs. Dorp van Roesteren van noeden hedde attestatie in willicher gestalt dat gantze Ambt van Montfort ende Dorp voers. inden verleeden jairen Negentich ende eyn vunt tnegentich durch Con. Matt van Hispanien kriegsvolck gantz ende geheel bedorven, verjagt, beroefft ende vitgeplunderd sijn worden, wellichen versueck aen ervolgenden voer ons gecompareert ende erschenen sijn der Eerwerdigher heer ende meyster Ghijsbrecht van Reysenbeck, capellaen van Sinte Catharinen kerck binnen der stadt Maeseick, voortz Joncker Johan van Meuwen, Dijerick Loekens ende Aerdt van Goer, vnse meeburgeren, staende thee goeder namen ende faemen, inde hebben mit opgereckte vingeren gestaefts eyds aen Goede Allmachtig ende sijne lieffe heiligen beweert, geaffirmirt ende geattesteert hon tsementlichen kennelick bewust ende waer te sijn dat inden maent December inden voers. jaere tnegentich Philips van Bentinck sijner Majesteit van Hispanien Colonels Regiment offte kriegsvolck inden voers. ambte van Montfort gecommen ende tot omtrent den halven Februarij daer nae volgende gelegen ende aldair groeten schaede gedaen, inde in honnen optrecken seven compangnien peerden onder den Oversten Pradilla genampt tot Sint Stevens weerde op die It Oe ende Laeck onder Echt alleine gehoerigh kommen sijn, ende seer langen tijtt aldaer gelegen, dach ende nacht dat Ambt Montfort doer reden, die onderdaenen des Ambts voers. gefangen, geplondert van haeve ende cleijderen, in vuegen dat die voers. onderdaenen tot inden doen naest folgende einde des maents Martz vit hunnen woeningen verdreven ende blijven moesten, ende volgentz anvancks des maents Junij des neest vergangenen jaers eyn ende tnegentich des Coenincks Armada van boeven doer Maestricht commen, die wellicke inden voers. Ambt het coren inden groenen aeffgesneden, verdorven ende groeten verderfelicken sehaeden gedaen, beesten ende andere meubelen genomen, derhalven weder langen tijtt buijten landts so binnen den voers. Stadt Maeseick als andere diverse plaetsen hon erhalden ouch aldoen vielvuldige convoijen op ende neder getoegen, waer duer die van Roesteren ende dat geheel Ambt boeven geroert groeten sehaeden geleden hebben, Ende dat leger van Nijmegen weder opkomende ende omtrent Venloe wesende dat rouven van beesten ende andersins doer dat voers. kriechsvolck int gantz Ambt voers. weder angefangen, alsoe dat koeren inder schueren ende opten velderen wesende vnbefruehticht ende ongedorssen bleeven ende diens volgende het geheele leger int tselve Ambt aen beide sijden der Ruijren den tijtt van twee maenden gelegen, huijser, schueren ende stallingen aeffgebroecken, verbrant, doeren, vinsteren ende solderen vitgebroecken, tkoeren in den schuijren als ouch opten velde wesende, item hoeij, stroe sampt alles wat te bederven was, met veul hondert wagens gehaelt, gedorssen, ewech gevoert, vernielt, verdorven ende verbrant, peerden, koeijen ende allerhande andere beesten sonder getaell genomen, op swaere randtsoene gesteltt, oder sunst geslacht, verkofft, offte ewech gedreven


      (2) De overste Don Herrando de Padrilla, die met zijne ruitercompagnien in ’t begin van ’t jaar ’t ambt Montfort uitplunderde, werd in dat gevecht doodelijk gewond en overleed te Arnhem. Bor. IV, bl. 35 v.


688]


– 688 –

ende behalden. Attesteren ende tuijgen wijders die voers. comparanten dat het voers. kriegsvolck alsdoen uit den Ambt Montfort voergemelt vertrocken sien twee mijlen weechs als tot Steyn ende Elsloe, ende aldaer omtrent vijffthien daegen gelegen ende van daer weder te rugge gecommen een nacht tot Echt gelogeert, ende alsoe voert nae den lande van Gulick getoegen ende aldaer ein vast dorp genampt Karcken ingenoemen, tselve beroufft, geplondert ende etselicken daegen gelegen, wellich dorp streckende is opt voers. Ambt Montfort, inden welligen diverse ende voele onderdaenen desselven Ambtz hon armoet so koeren als anders gevleucht ende aldaer quijtt worden sien. Nae wellicks dat voers. kriegsvolck so inden Ambt voers. als daer omtrent so lange gelegen hebben ende die onderdaenen van Roesteren ende des geheelen Ambts so lange buijtenlandts gedreven dat er haerde winter ankommen is in veugen dat int geheele Ambt Montfort gantz wenich winterkoeren gesaijt is worden, also dat die onderdaenen voers. daerdoer verarmpt sien ende alnoch verarmpt sullen worden. Boeven welligen geleden schaeden die onderdaenen des Ambts voers. wederomme ingecommen siende hebben aldaer veule smettende siekten ende krenckden geregneert ende alnoch regneerende sien, die wellighe ouch groete verhinderinge sien aen haere acker bouwinghe, Inde want dan godtlicken ende eerlicken is der waerheijt getuijchenisse te geven, insonders als men daertoe gelick wir in diesen versocht woert, inde want dan die voerige depositien in vuegen voers. voir ons gebleecken ende geschiet sien, so hebben wir Burgemeisteren ende Raedt voers. des te orkonde ende in getuijchgenisse der waerheitt der voers. Stadt signet secreet hier onder aent sijnde opt spatium van diesen gedruckt ende bei onsen gesworen Secretaris doen onderteyekenen. Inden jaeren van der geboertten onses heeren Jesu-Christi duijsent vijff hondert twee ende tnegentich inden maent Martio den tweeden daegs.

(get.) Dionijs van Wenthuijsen secretarius der voers. stadt.