De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 11/De Beurs te Amsterdam

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Beurs te Amsterdam
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 12 maart 1898
Titel De Beurs te Amsterdam
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 33, 11, 84-85
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[84]


84


[...]


DE BEURS TE AMSTERDAM.

      Had reeds een der Amsterdamsche bladen in een spotprent trachten te doen zien, hoe ongeduldig de burgerij is, om het fameuze beursproject te aanschouwen, het bestuur der Radicale Vereeniging, District I, gaf uiting aan dat ongeduld, door den Raad te verzoeken, zoodanige maatregelen te willen nemen, dat de plannen voor den Beursbouw zouden worden geëxposeerd, alvorens de aanbesteding wordt uitgeschreven.
      Dit adres kon niet verdonkeremaand worden en zoo kwam het ll. Woensdag dan in behandeling.
      De voorzitter merkte op, dat bestekken en teekeningen bijkans gereed zijn en de Raadsleden die de volgende week kunnen zien. Maar tevens deelde hij mede, dat B. & W. de aanbesteding zullen uitschrijven. Tusschen die uitschrijving en de gunning zou volgens hem genoeg tijd verstrijken, dat, desverlangd, uit den Raad een voorstel kan worden gedaan, om de plannen en teekeningen voor het publiek ter visie te leggen.
      De heer Gerritsen vond deze woorden en terecht, niet bijster geruststellend. Hij vreesde, dat de expositie zou komen als mosterd na den maaltijd. De heer Heineken sloot zich bij hem aan en, meenende dat de geheimzinnigheid moest ophouden, deed hij het voorstel, waarop de voorzitter had gezinspeeld.
      Doch daar gingen de poppen aan het dansen. De voorzitter veranderde van front en verklaarde niets te begrijpen van het nut eener voorafgaande publiciteit. Dat de burgerij, die de Beurs toch betaalt, in zake deze „nuttigheidsvraag” een ander gevoelen kon hebben, leek hem blijkbaar ongehoord. Hij zeide verder:
      B. en W. hebben de bevoegdheid om binnen het toegestane crediet de aanbesteding uit te schrijven. Waarom moet men hier van de gewoonte bij andere bouwwerken afwijken? En welke vruchten zal men zien van die publiceering der plannen. Spr. meent dat als dit geschiedt, er van den beursbouw niets zal komen. De heer Heineken verwacht ontevredenheid als men niet tentoonstelt, doch mag men verwachten dat allen tevreden zullen zijn als men de plannen publiceert? Spr. gelooft het niet, en geeft dus in overweging straks niet op het voorstel-Heineken in te gaan. Tusschen de uitschrijving der aanbesteding en de aanbesteding zelf zullen waarschijnlijk vier weken verloopen.
      Dit is inderdaad eene merkwaardige uiting.
      Dat B. en W. de bevoegdheid hebben om te handelen zooals zij deden, niemand die eraan twijfelt. Maar wel zijn de meeningen verdeeld over de vraag of het van het college verstandig was, en of de belangen der gemeente wel goed gediend zijn, nu van die bevoegdheid gebruik is gemaakt om alles te behandelen met zóó groote geheimzinnigheid. Als nu wezenlijk „de vrucht van het exposeeren der plannen zou zijn, dat er van den beursbouw niets kwam”, zou dit dan zulk een onoverkomelijke ramp voor de Gemeente wezen? De groote meerderheid der burgerij zou, werd een plebisciet gehouden, dit ongetwijfeld ontkennen.
      De heer Gerritsen kon dan ook met volle recht zeggen, dat het nog nooit is voorgekomen dat bij den bouw van een monumentaal gebouw hier-ter-stede zooveel geheimzinnigheid is betracht als bij dezen bouw. Zou het niet verstandiger zijn den Raad plannen en teekeningen te laten zien vóór de kosten voor de uitschrijving der aanbesteding zijn gemaakt? Er is, meent spr., geen questie van terugkomen op een genomen besluit wat betreft de plaats voor de Beurs en de uitvoering over te laten aan B. en W., maar de Raad zou allicht willen adviseeren tot veranderingen bij een werk van zoo groot belang. De Raad wil met B. en W. tegenover het publiek de verantwoordelijkheid dragen van zóó belangrijken bouw.
      Dit was den heer Van Nierop toch te kras. Hij zeide, dat hij volstrekt geen voorstander van geheimhouding was, maar dat hij in dit bijzonder geval publicatie ontraadde, daar men te rekenen had op afbrekende critiek, want in dergelijke gevallen laat in den regel alleen de oppositie zich hooren; dikwerf ziet men menschen, die de teekeningen afkeuren, later het voltooide gebouw goedkeuren en nu tentoonstellende zou men een dergelijke critiek kunnen verwachten. De Beurscommissie heeft de indeeling gezien en unaniem goedgekeurd. De heer Gerritsen sprak over de mogelijkheid openlaten om architectonische lijnen te veranderen, het groote publiek kan daaromtrent toch geen oordeel geven. Het is hoogst bezwaarlijk veranderingen te gaan brengen in een plan door één man gemaakt, en dat die eene man moet uitvoeren. Spr. acht het juist den Raad de plannen te toonen, doch spr. verwacht er geen voordeel van, de plannen publiek tentoon te stellen.

            Nach dieser Rede des Candidaten Jobses
            Geschah ein allgemeines Schütteln des Kopfes.

      En „een stem” deed in den Raad de woorden hooren, „Maar wie betaalt het dan?”. Vermoedelijk is de geachte spreker het antwoord op deze vraag schuldig gebleven, althans het verslag meldt daarvan niets.
      De voorzitter nam weer het woord om op te merken, dat de stukken al gedrukt zijn en alleen nog eenige correctie moet worden aangebracht. En toen hem was verweten dat dit alles had plaats gevonden, zonder dat de Raad erin gekend is, vervolgde hij: Juist, zonder dat de Raad erin gekend werd. En terugkomende op het bovengenoemde adres, vroeg spr.: in hoeverre is afgeweken van de tot dusver gevolgde gedragslijn. Heeft de gemeente van andere gebouwen


[85]


85

vooraf de plannen doen publiceeren? Heeft het Rijk de plannen van Postkantoor of Rijksmuseum ooit vooraf tentoongesteld? En verder merkt spr. op dat de Raad destijds heeft uitgesproken dat, niettegenstaande de Beurscommissie, de verantwoordelijkheid is gelaten aan B. en W. en daarom week hij niet af van vroegere regelen. Spr. adviseert dus den Raad thans niet op publiceering der plannen aan te dringen.
      Maar dit advies vond niet algemeen instemming, en de oppositie bleef zich weren om te betoogen, dat openbaarmaking vóór de aanbesteding noodzakelijk en in het welbegrepen gemeentebelang moest geacht worden.
      De voorzitter gaf echter geen kamp en uitte zijn vrees, dat een groot deel van het publiek het gebouw leelijk zal vinden, al vindt de Raad het mooi. Hij was bang dat met het tentoonstellen van plannen, de geheele Beursbouw weder op losse schroeven zal worden gezet; als het groote publiek de lijnen gaat beoordeelen en men gaat daarover hier discussieeren, dan vreest spr. dat er nog heel wat over geredeneerd zal worden.
      Deze uiting doet het ergste verwachten. Men is blijkbaar beangst, dat het publiek zich alles behalve met de voorgenomen Damrak-verfraaiing ingenomen zal toonen.
      Er werd nog wat gediscussieerd; een der sprekers zei, dat hij het project in de keet gezien had en „dat het zooveel was als koekdeeg”, een opmerking te merkwaardiger, omdat de schilder Jan Veth, als paladijn voor den heer Berlage optredende, juist alle andere bouwmeesters in een van die gewichtig-prozaïsche stukjes, waarvan hij het geheim bezit, bedenkelijke koekbakkersneigingen had verweten.
      Het eind van de beraadslagingen was, dat althans de Raad nog vóór de aanbesteding met de plannen in kennis zal worden gesteld. Dit is zeker een belangrijk resultaat. Nu het eenmaal zoover is, zal ook wel de openbare meening zich in tijds doen vernemen.