De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 20/Aan de Nederlandsche architecten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aan de Nederlandsche architecten
Auteur(s) J.L.M. Lauweriks
Datum Zaterdag 14 mei 1898
Titel Aan de Nederlandsche architecten. Over eenvoud, soberheid en economie.
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 33, 20, 155-156
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[155]


155


[...]


AAN DE NEDERLANDSCHE ARCHITECTEN.

OVER EENVOUD, SOBERHEID EN ECONOMIE. *

      Er was eenmaal een tijd dat in ons vaderland de bouwkunst geheel in verval was. Een tijd dat er nergens eenige bewustheid bestond der opvoedende kracht, die van haar uitgaat en van de voorname plaats door haar onder de andere kunsten ingenomen. Toen, zooals nu, kon ieder die de benoodigde bouwsom bijeen kon brengen, bouwen zooals hij dat verkoos te doen, zonder dat er zijnerzijds bekwaamheden vereischt werden of dat door eenig regeeringslichaam invloed op het bouwwerk werd uitgeoefend. De armoedige producten van dat soort architectuur zijn ons voldoende bekend, en in elke stad van ons land te vinden. In Amsterdam hebben wij nog een kostbaar voorbeeld in de Beurs op den Dam.
      Wij zullen ons nu niet bezighouden met uit te weiden over de goede hoedanigheden, aan de traditie ontleend, welke deze bouwwerken kenmerken, omdat het ons op dit oogenblik enkel te doen is, te wijzen op de geestelijke armoede waartoe eene generatie moet vervallen zijn om te kunnen geraken tot het oprichten van zulke gebouwen. Niet alleen toch was men geheel onkundig van wat architectuur eigenlijk is, doch men kon zelfs de grondstoffen niet naar hun aard gebruiken noch wist men ze behoorlijk te bewerken. Enkele klein-kunstjes werden technisch goed beoefend, en meestal legde men al zijn kennis in het ontwikkelen van vakken die in een gezonde samenleving geen reden van bestaan hebben.
      De geestelijke armoede dier dagen drukte zich dus af op de schamele voortbrengselen der bouwkunst. Nergens vond men een behoorlijk verzorgd detail. Alle ornament of versiering zijn grof en buiten verhouding


      * Op verzoek van den schrijver nemen wij dit stuk, voorkomendein De Beeldhouwer, over.


[156]


156

met het geheel. Men schroomde om eenige versiering of beeldhouwwerk toe te passen om de doodeenvoudige reden dat men het niet kon, want blijkbaar was er gebrek aan bekwame werklieden om het uit te voeren.
      We weten ook allen, welke reactie op dezen toestand volgde en hoe, voornamelijk in ons land, de middeneeuwsche tradities werden opgerakeld, om daaruit beginselen tc distilleeren van groot nut, zooals men dacht, voor de bouwkunst en de daaraan verbonden andere kunstuitingen. Doch hoe goed ook deze Renaissance der Middeneeuwen door de bouwmeesters bedoeld was, en hoezeer zij ook misschien een geestetelijken ommekeer beoogden, toch scheen het wel dat zij niet in staat waren het werkelijke wezen der bouwkunst te zien door het al te verleidelijke kleedje der middeneeuwsche gebouwen, die dit meer innerlijk wezen omhulden. En waar nu door het gros der voorgangers deze fout-in-beginsel werd gemaakt, daar kon men gemakkelijk berekenen, hoever hunne volgelingen zouden falen in het uitdrukken van het innerlijke beginsel dat aan alle goede bouwwerken ten grondslag ligt.
      Doch hoewel hier het hoofddoel gemist werd en deze wederopstanding der bouwkunst meer geleek op het opnieuw windselen eener mummie, zoo was er toch in de kunstigheid van het windselen zelf eenige verdienste gelegen, en bovendien spoorden de bouwmeesters, die zich hunne roeping wederom bewust werden, de beoefenaars der beeldhouw- en schilderkunst aan, tot het verlaten der oude methoden.
      Het groot aantal nieuw gothische kerken in ons land gebouwd, maakte goede werklieden om ze uit te voeren noodzakelijk. Want al is zoo’n kerk in hoofdzaak eene copie, toch zijn er bekwame mannen noodig om haar te bouwen. Aannemer, onderbaas en opzichter moeten op de hoogte zijn met al dc eischen van een zeer ingewikkeld stelsel van kolommen, bogen, gewelven. De metselaar moet bedreven zijn in het metselen om zijn werk naar behooren te maken, want het meestal zichtbare verband ook voor binnen-architectuur eischt veel zorg en oplettendheid. Het metselen van gewelven is zeer moeilijk en bogen moeten onberispelijk worden geslagen, willen zij hun effect doen. Ook het timmervak vraagt kundige werklieden, omdat elk deel der constructie zichtbaar is en degelijk wel-overdacht werk vereischt; zoo ging het met alle vakken en zoo werden langzamerhand, hoewel schaars, werklieden gekweekt die op hunne voorgangers voorhadden, logisch denken, goed werken en samengaan met andere vaklieden.
      Zoo werd ook de beeldhouwkunst uit haar verval opgeheven, want eene gothische kerk zonder beeldhouwwerk is onbestaanbaar. Pinakels, kruisbloemen, hogels, ingewikkelde traceeringen boven de vensters, deur- en vensteromlijstingen met hunne profileeringen, kapiteelen voor zuilen en pijlers, kraagsteenen cn lijsten; al deze onderdeelen vragen kundige werklieden om ze uit te voeren. In het begin miste men in ons land de daartoe noodige krachten, doch langzamerhand ontstonden ateliers, die in de behoefte voorzagen en waarin de beeldhouwers werden opgeleid. Naast den kerkbouw ontwikkelde zich ook de burgerlijke bouwkunst en daarin ontstond aan dc eene zijde eene herleving der oud-Hollandsche Renaissance met hare vertakkingen, terwijl de bewerkers van de herleving der middeleeuwsche kunst eveneens hun best deden om hunne opvattingen in hun werk toe te passen.
      Naast het verkeerde is er dus veel goeds bereikt, want de beeldhouwers, die den strijd tusschen Gothiek en Renaissance tamelijk koud laat, kunnen nu zien dat het niet zoozeer de vraag is of zij beeldhouwen in 13e-, 16e- of anderen-eeuwschen navolgstijl, doch dat het er voor alles op aankomt goed werk te maken en zich te doordringen van de beginselen, die aan het werk ten grondslag liggen.
      Hoewel dus ons land, naar de bewering der menschen die het kunnen weten, altijd arm was aan beeldhouwers, kunnen we op dit oogenblik- wijzen op een aantal flinke werklieden op weg om hun vak te verstaan en die, mits zij werk houden, in hunne opvolgers in staat zullen zijn zich te meten met vakgenooten in andere landen.
      Doch nu dreigt hun van de zijde der architecten een ernstig gevaar, niet voortkomende uit eene gevestigde overtuiging van de zijde der bouwheeren of bouwmeesters, doch alleen zijn ontstaan dankende aan het toegeven aan een modegril. Want de reactie op de navolging der stijlen met overladen ornementiek begint door te dringen, en zoekt het evenwicht te herstellen door overdrijving in tegenovergestelde richting, eene overdrijving, die evenmin een ernstigen grond heeft als de vroegere overlading. Want hoe kon het anders mogelijk zijn dat een architect, die eenige jaren, misschien maanden, geleden nog op-en-top een toepasser was van allerlei onnoodige versieringen zóó verandert, dat hij op eenmaal heel streng gaat bouwen en alle versieringen als schadelijke gedierten weert. Slechts mode of het onbewust ondergaan van vreemden invloed kan zoo iets teweegbrengen.
      Deze mode-soberheid en gewilde eenvoud, met het vernis der economie bedekt, vindt nergens op die wijze eene toepassing in de groote monumenten van het verleden.
      Ja, het Parthenon is eenvoudig, doch hoe rijk zijn die zuilen en de gebeeldhouwde fries; het materiaal is het kostbaarste dat men kon kiezen. De Romaansche basilieken zijn sober versierd; dit wil zeggen men versierde niet alles, doch bij de deelen, die men versierde, deed men het ongemeen rijk. Zoo wisten ook de vroeg-Italianen den nadruk te leggen op sommige deelen van een gebouw. Alle groote bouwmeesters concentreerden den rijkdom hunner fantasie in eenige deelen, en gelijken weinig op den koekebakker-architect, die met zijne versieringsspuit gewapend alle deelen van zijn koekgevel met een gelijk soort suikerwerk-ornementiek overdekt. Ook ontmoeten we bij de Ouden nergens de stijllooze nuchterheid der hedendaagsche architectuur, die meer doet denken aan de geestesarmoede uit het tijdperk, in het begin van dit opstel geschetst, dan aan een streven om strenge beginselen in een strengen vorm toe te passen.
      Op grond al dezer overwegingen richten wij dit schrijven tot de goedgezinde en weldenkende architecten om hun te doen bedenken:
      l°. Dat door de ernstige pogingen van vele kundige mannen onder hunne vakgenooten langzamerhand eene kern van flinke werklieden onder de beeldhouwers gevormd is.
      2°. Dat het jammer zou zijn de verkregen resultaten te verliezen, door zich over te geven aan het onoordeelkundig navolgen eener richting in de architectuur, in naam sober, eenvoudig en economisch, doch in de daad onlogisch, onesthetisch en verwerpelijk.

J. L. M. Lauweriks.