De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 50/Jacob van Campen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jacob van Campen
Auteur(s) A.W. Weissman
Datum Zaterdag 10 december 1898
Titel Jacob van Campen
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 33, 50, 398-399
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[398]


398


[...]


JACOB VAN CAMPEN.

      De heer P. J. Frederiks was zoo vriendelijk mij zijn in de „Amersfoortsche Courant” geplaatst opstel over den beroemden bouwmeester te doen toekomen.


[399]


399

      Het opstel bevat verscheidene zeer belangrijke mededeelingen, wier waarde nog verhoogd zou zijn, indien ook de bronnen, waaruit zij geput werden, waren vermeld.
      De heer Frederiks zegt o. a.:

      Van zijn ouders weet men weinig meer dan dat zijn vader Pieter Gerritsz. en zijn moeder Gerarda Claes Berentsdochter heette en zij tien kinderen hadden, van welke vijf jong stierven.
      Zijn moeder werd 19 Januari 1605 beleend met het adellijke huis „Randenbroek”, dat sedert 1512 in haar geslacht was geweest, welk leengoed na haar dood overging aan onzen Jacob, haar tweeden zoon, wijl de oudste zoon, Jan, kinderloos was gestorven.
      Jacob liet het na aan zijn jongste zuster Margriet, die daarmee 18 Februari 1658 werd beleend en het 17 December 1660 overdroeg aan Nicolaas Heerman, den toen meerderjarig geworden zoon van haar oudere zuster Geertruyt en Jan Heerman; waaruit tevens blijkt, dat de beroemde man de laatste mannelijke afstammeling was van zijn geslacht.

      Als deze mededeelingen op archiefstudie berusten, dan wordt de waarschijnlijkheid, dat Jacob van Campen te Amersfoort het levenslicht zag, zeer groot.
      De heer Frederiks wijst op Vondel, die zegt, waar hij Amersfoort bezingt:

      De Held van Randenbroek, de bouwheer van de Vorsten,
      En ’t raadhuis t’ Amsterdam, verheerlijkt haeren lof;
      Want zij hem baerde en zooghde aen haer getrouwe borsten
      Om bou en teekenkonst te heffen uit het stof.

      Maar dichters (men denke aan verdichtsels) nemen het met de waarheid niet nauw.
      En als de vader van Jacob van Campen werkelijk Pieter Gerritsz geheeten heeft, dan moet Gerrit van Campen, die den 22 Januari 1609 zijn kind liet doopen, een ander persoon zijn geweest.
      Dat men hier een „gewone lapsus van den koster, die den naam inschreef om het doopgeld te kunnen verantwoorden” voor zich zou hebben, is een te gewaagde onderstelling, dan dat daar iets op te bouwen zou zijn.
      Dat in het boek „loopende van 2 Februari 1593 tot 28 October 1610” geen andere Van Campen voorkomt zou m. i. alleen kunnen bewijzen, dat de bouwmeester niet te Amersfoort geboren werd.
      Reeds vroeger vermoedde ik, dat de „Haarlemsche Doodbazuin”, die Houbraken vermeldt, doch die thans onvindbaar is, geblazen werd toen, den 4 Maart 1658, de „tombe” in de St. Jacobskerk te Amersfoort voor Jacob van Campen werd onthuld. De heer Frederiks is van een zelfde gevoelen.
      Maar waarom moest juist te Haarlem de overledene zoo bijzonder herdacht worden, als Schrevelius zich vergist had, en Van Campen te Amersfoort was geboren? Waarom werd jaar, dag noch plaats van geboorte op het gedenkteeken vermeld?
      Een onderzoek in de Haarlemsche archieven is dringend noodig. De ijverige archivaris Gonnet, die reeds Lieven de Key aan de bouwkunst teruggaf, zal ook zeker omtrent Van Campen licht willen verspreiden.

A. W. Weissman.