De Opmerker/Jaargang 33/Nummer 8/De veredeling van het ambacht

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De veredeling van het ambacht [1]
Auteur(s) A.W. Weissman
Datum Zaterdag 19 februari 1898
Titel De veredeling van het ambacht
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 33, 8, 59-60
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[59]


59


[...]


DE VEREDELING VAN HET AMBACHT

door A. W. WEISSMAN. (*)

      Vrij algemeen wordt tegenwoordig erkend, dat het ambacht niet meer staat op de hoogte van vroeger. Tal van middelen worden aangeprezen, om het uit zijn verval op te beuren. Welmeenende menschen houden bijeenkomsten waar zij den toestand bespreken en overwegen, wat te doen zou zijn om dien te verbeteren.
      Laat ons eerst eens nagaan, hoe het ambacht zoo achteruitgegaan is, om ons later bezig te houden met de middelen, die tot verbetering zouden kunnen leiden.
      De afschaffing van het gildewezen in het laatst der vorige eeuw heeft ongetwijfeld veel kwaad gedaan. Zij, die deze afschaffing hebben voorgestaan en doorgedreven, zijn — wij erkennen dit gaarne — door edele beweegredenen geleid. Vrijheid wilden zij, vrijheid ook in handel en nijverheid. In de banden, die het gildewezen de laatste aanlei, zagen zij knellende kluisters, die afgeschud moesten worden. Daarom werd in de grondwet, die in 1798, dus juist honderd jaren geleden, hier-te-lande werd afgekondigd, een artikel opgenomen, dat luidde: „Vervallen verklaard worden alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neringen, Ambachten of Fabrieken. Ieder Burger, in welke plaats woonachtig, heeft het regt om zodanige Fabriek of Trafiek op te richten of zodanig eerlijk bedrijf aan te vangen, als hij verkiezen zal”.
      Aanvankelijk werd dit artikel der grondwet niet nageleefd, en bleven de gilden in stand als van ouds. Doch reeds den 5n October 1798 besloot het Uitvoerend bewind der Bataafsche Republiek: „dat alle municipaliteiten binnen deeze Republiek worden gelast, uiterlijk binnen agt dagen na den ontfangst deezer Publicatie te zorgen, dat alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ambagten of Fabrieken (voor zooverre dezelve nog niet ontbonden zijn) met alle gevolgen en aankleeve van dien worden ontbonden”.
      Zoo was dan in „het vierde jaar der Bataafsche vrijheid” het lot der gilden beslist. Zij losten zich in dc groote maatschappij op. Aanvankelijk werd nog door sommige besturen van hen, die een ambacht voor eigen rekening gingen uitoefenen, gevorderd, dat zij eerst een proefwerk, zooals dit in den gildetijd geëischt werd, zouden overleggen. Maar het Uitvoerend Bewind achtte dit strijdig met dc wet en bepaalde den 28n Maart 1799, „dat men zich voortaan, op pene van correctie, te wachten had, ooit weder een proefwerk te vorderen”.
      Zoo kunnen wij dus den 5n October dezes jaars het eeuwfeest van de volkomen bevrijding der ambachten vieren. Ik twijfel echter, of er van een feestviering wel iets komen zal, daar de vrijheid, welhaast in bandeloosheid ontaardend, de ambachten zeker geen heil heeft gebracht.
      Toch is het begrijpelijk, dat in 1798 de afschaffing der gilden algemeen werd toegejuicht, want langzamerhand waren talrijke gebreken in hunne organisatie binnengeslopen. Dat die organisatie verbeterd had kunnen worden werd slechts door weinigen ingezien. Zoo werd eene veelzins nuttige inrichting moedwillig opgeofferd, alleen omdat zij niet volmaakt was.
      De gilden, die in Vlaanderen reeds gedurende de 13e eeuw tot bloei kwamen, waren in de Noordelijke Nederlanden nog zelfs in de 14e eeuw betrekkelijk zeldzaam. Aanvankelijk genoten zij in ons vaderland een tamelijke mate van onafhankelijkheid en mochten zij hunne eigen reglementen maken, doch al spoedig werd hun dit recht ontnomen. Geen gildebrief dan ook, of men vindt in het hoofd ervan speciaal uitgedrukt, dat hij door de heeren van den gerechte verleend werd en geen enkel nieuw artikel, waarmede hij werd aangevuld, geen enkele wijziging, hoe gering ook, had verbindende kracht, eer de stadsregeering daaraan hare approbatie verleend had.
      Al van den aanvang af hadden de gilden een godsdienstig karakter. Ieder gild had zijn altaar in de kerken der stad en vierde jaarlijks het feest van den schutspatroon, aan wien dit altaar gewijd was. Bij de invoering van den Protestantschen eeredienst verloren de gilden hun godsdienstig karakter geheel en al; de gelden, vroeger tot vrome doeleinden gebezigd, werden nu aangewend voor uitkeeringen aan behoeftige zieken of bejaarde gildebroeders.
      Eigenaardig mag het heeten dat in den beginne de gilden niets anders waren dan genootschappen, wier eenig doel was om de concurrentie te beperken. Zoo werd zelfs in de 15e eeuw het afleggen van een proef van bekwaamheid nog niet als voorwaarde tot de toelating in het gild gesteld.
      Een der eerste gilden, die de proef invoerden, was dat der Amsterdamsche huistimmerlieden. Uit den gildebrief van 21 Mei 1524 blijkt, dat verlangd werd, uit een balk van zeven voet, die door de proefmeesters verstrekt werd, te maken „een cruyscosyn met dubbele sponden (luiken) van buiten ende van binnen met vynsteren”. Ook moest een „bynt met dubbele pennen” worden vervaardigd. Slechts als dit alles was volbracht „in sulcken schijne ende zoo goet, dattet de proefmeesters keuren welgemaeckt te sijn”, werd de candidaat in het gilde opgenomen.
      Zoo vinden wij dan in 1524 hier de gildeproef op inderdaad uitstekende wijze geregeld. Maar tevens springt ons een der schaduwzijden der gilden in het oog. Want deze proeven zijn, zoolang het Amsterdamsche timmermansgilde heeft bestaan, dezelfde gebleven, ofschoon de binten en kruiskozijnen reeds in 1600 andere vormen hadden dan in 1524, terwijl zij na 1700 zoogoed als geheel in onbruik raakten. Het vervaardigen dezer ten eenenmale verouderde constructies kon dus weinig doen oordeelen over de practische geschiktheid van den candidaat. Van waar dit conservatisme, zal men vragen. Het antwoord kan eenvoudig zijn. Sinds 1600 diende de gildeproef minder om iemands bekwaamheid te beoordeelen, dan wel... om de toetreding tot het gild zoo bezwaarlijk mogelijk tc maken, en zoo de beperking der concurrentie, een doel, dat nooit uit het oog werd verloren, in de hand te werken.
      Zonderling mag het heeten, dat klachten over dit meer en meer verouderen van hetgeen als gildeproef verlangd werd, haast niet schijnen te zijn voorgekomen. Wel ontstond in 1544 tusschen de Amsterdamsche timmerlieden een geschil over de vraag, of de gildebroeders van vóór 1524 gelijke rechten zouden hebben als die, welke na dat jaar waren toegetreden. Deze laatsten zagen met leede oogen, dat er zoovelen waren, die, zonder het examen met zijn wisselvalligheden en zijn onkosten gedaan te hebben, als meesters hun ambacht uitoefenden en alle voorrechten


      (*) Voordracht, gehouden in de vergadering van de Afd. Amsterdam der Technische Vakvereeniging.


[60]


60

van het gild genoten. Dit, meenden zij, was eene onrechtvaardigheid en daarom wendden zij zich tot de schepenen en verlangden, dat ook de vóór 1524 toegelatenen alsnog tot het afleggen van de gildeproef verplicht zouden worden. Maar „mijne Heeren van den Gerechte” zooals de schepenen, die de rechtspraak uitoefenden, toen heetten, willigden het verzoek niet in, doch bevestigden de oudere meesters in hunne eenmaal verkregen rechten en stelden hen van het leveren der proefwerken voorgoed vrij.
      De Amsterdamsche smeden schijnen iets minder conservatief te zijn geweest dan de timmerlieden. Hun proef, in 1530 vastgesteld, werd in 1554 veranderd, doch bleef sedert, wat zij was. Veel bezwaar kan daaraan niet verbonden zijn geweest, omdat het proefstuk, dat verlangd werd, een voorhamer was en dus een werktuig, dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven.
      Hoe weinig de gildeproeven dienen konden, om eenig denkbeeld te geven van de bekwaamheid der candidaten, springt aanstonds in het oog. Wie een kozijn kan maken, is daarom nog niet in alle opzichten een bekwaam timmerman; de bekwaamheid van een smid kan moeilijk beoordeeld worden uit het smeden van een voorhamer alleen.
      Doch al mogen die gildeproeven onvoldoende geweest zijn, aan de bekwaamheid der 17e-eeuwsche meesters behoeft daarom niet getwijfeld. Wie zich daarvan overtuigen wil, bezoeke de kamer van het voormalig metselaarsgilde, thans de leeszaal van het archief der gemeente, dat in de Waag op de Nieuwmarkt is gevestigd. Dat men hier gildeproeven ziet, geloof ik niet; het komt mij voor dat de metselaars, die deze kunstwerken maakten, geen ander doel hebben gehad, dan hun gildekamer en de toegang daarheen op te sieren.
      Wie zijn gildeproef had afgelegd en als meester was toegelaten, behoefde daarom nog niet zich als baas te vestigen. Maar niemand mocht als patroon optreden, zonder gildebroeder te zijn. De toetreding tot een gild werd verzwaard door het „inkomgeld”. Ieder gild stelde het bedrag daarvan naar goedvinden vast, doch meestal zoo, dat men het kind van een gildebroeder minder liet betalen dan een ander. Van ieder lid werd daarenboven een jaarlijksche contributie geheven die „jaarzang” genaamd was, een woord, dat terugwijst naar den tijd, toen het ophalen dezer gelden geschiedde op den dag, dat het patroonfeest van het gild gevierd werd met gezongen kerkdiensten.
      Aan een bestuur van overlieden was opgedragen te zorgen, dat de verschillende bepalingen der gildebrieven stiptelijk werden nagekomen, en dat in geval van overtreding rechtvaardig en naar inhoud der keuren gestraft werd. De overlieden voerden het beheer over de gildekas en beslechtten de geschillen der gildebroeders. Zij vormden dus het dagelijksch bestuur van het gild. Hun aantal bedroeg gewoonlijk vijf, van wie een, met den titel van deken, voorzitter was. Soms moesten zij ieder jaar, soms om de twee of meer jaren aftreden, al naar de gildebrief dit voorschreef. De werkzaamheden werden door de overlieden onderling verdeeld. Hunne benoeming geschiedde door burgemeesteren uit dubbeltallen, die de overlieden zelf moesten inzenden. De gildebroeders konden op de keuze geen invloed uitoefenen; de overlieden waren dan ook niet aan het gild, maar aan burgemeesteren verantwoordelijk. Bij de scherpe grenzen, die tusschen de verschillende vakken getrokken waren, kan het ons niet verwonderen, dat de overlieden in de eerste plaats ervoor moesten zorgen dat die grenzen niet overschreden werden en dat geen onbevoegden het ambacht uitoefenden.
      In de meeste gilden waren de overlieden éénmaal ’s weeks gewoon in de gildekamer samen te komen. In die kamer mocht echter des avonds ook iedere gildebroeder, als in een sociëteit, zich door den gildeknecht bier laten tappen.
      De hoofdverplichting van de gildebroeders was elkander te helpen en te steunen. Daarop werden de armen- en ziekenbussen ingesteld; ook waren de leden van het gild gehouden een werkloozen medebroeder in dienst te nemen, als zij iemand noodig hadden. In dat geval was het hun uitdrukkelijk verboden van de diensten eens vreemdelings gebruik te maken.
      Maar ondanks dit alles schijnt er van eigenlijke broederschap toch weinig waarneembaar te zijn geweest. Want telkens moesten bepalingen gemaakt worden, om de leden van éénzelfde gild tegen elkander in bescherming te nemen. Allerlei onbroederlijke handelingen werden gepleegd en reeds in de oudste gildebrieven zijn daartegen strenge strafbepalingen gemaakt. Zoo trachtte men elkanders gezellen te onderhuren of onder elkanders duiven te schieten. Maar het ergst was wel dat de gildebroeders dikwerf deden, alsof hunne bevoegdheid aan geen grenzen gebonden was. Huistimmerlieden maakten meubelen, meubelmakers maakten deuren en vensters, ofschoon dit hun uitdrukkelijk verboden was. Klachten over inbreuk van de gilden op elkanders rechten bleven aan de orde van den dag, ofschoon de regeering door het maken van telkens strenger bepalingen het kwaad trachtte te stuiten.
      In 1524 was reeds in den gildebrief der Amsterdamsche timmerlieden gezegd: „een tymmerman en sal nyet mogen aennemen een huys te timmeren ende metselen, noch een metselaer en zal niet mogen aennemen een huys te metselen ende timmeren”. Maar dit gebod is overtreden tot het laatst der 18e eeuw toe.
      Doch de gilden moesten ook beschermd worden tegen de concurrentie van buiten. Hoe dit geschiedde, daarvan geeft de heer Brouwer Ancher in zijn zeer lezenswaardig werk over het gildewezen een zeer sprekend staaltje.
      Er zouden in 1665 tal van nieuwe oorlogschepen gebouwd worden voor het rijk of „het gemeenlandt” zooals men toen zeide. Een aanbesteding daarvan zou te Amsterdam worden gehouden. Nu vreesde de regeering dezer stad, dat de meeste dier bodems door vreemden zouden aangenomen worden, daar die mindere lasten hadden te dragen dan de ingezetenen van Amsterdam. Daarom schreef zij naar Den Haag „wij hebben gemeent seer redelyck te syn, dat de luyden, die in de steden ende voornamentlyck ’t Amsterdam, groote huyshuren verwonen en soo de middelen merekelyck meer als die van het platte land helpen beneficeren, oock in het stuk van haer hantwerck en nering, daerin sij het land dienen connen, behooren geprefereerd te werden”. Daarom werd verzocht te bepalen „dat de aennemers gehouden sullen sijn deselve schepen binnen deze stad te timmeren”, wat ook geschiedde.


(Wordt vervolgd).