De Opmerker/Jaargang 34/Nummer 45/Venetië

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Venetië [1]
Auteur(s) [A.W. Weissman]
Datum Zaterdag 11 november 1899
Titel Venetië
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 34, 45, 357-359
Opmerkingen John Ruskin vermeld als Ruskin, Titiaan als Tiziano
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[357]


357


[...]


VENETIË. *)

      Toen ik dit voorjaar Venetië zou bezoeken, heb ik met opzet de belangrijke werken, over de stad der lagunen geschreven, niet medegenomen. Zelfs de lezing van Ruskin’s „Stones of Venice” bewaarde ik tot na mijn terugkeer, om uit eigen oogen te zien en niet reeds vooraf onder een invloed te komen. Mijn indrukken heb ik in een bouwkundig blad openbaar gemaakt.
      Pas daarna heb ik Ruskin’s werk ter hand genomen, om het met de grootste belangstelling en bewondedering te lezen. Ik stel mij voor, u hedenavond met het boek, den schrijver en de stad, die hij als zijn onderwerp koos, kennis te doen maken, en hoop, dat die kennismaking u een aanleiding zal zijn om de drie lijvige deelen met hetzelfde genoegen te bestudeeren en te overdenken, als ik daarbij smaakte.
      Het werk verscheen in 1851, toen Ruskin bijna twintig jaar lang de bouwstoffen er voor te Venetië verzameld had. Oorspronkelijk zou het slechts een verhandeling over den Gothischen stijl van het Zuiden worden, doch het werd een wijsgeerig-dichterlijke beschouwing over kunst in het algemeen, niet bestemd voor de mannen van het vak, doch voor het beschaafde publiek, en rijk verlucht.
      Ruskin zegt in de voorrede: „Zoowel in de platen als in den tekst heb ik voornamelijk naar helderheid en begrijpelijkheid gestreefd, opdat zelfs hij, die met het onderwerp in het minst niet bekend is, het boek ter hand zal kunnen nemen, en begrijpen wat er mode bedoeld wordt. Als ik niet de voornaamste gedeelten van mijn verhandeling begrijpelijk heb gemaakt ook voor wie volstrekt niet geleerd is, als ieder, die in mijn onderwerp belang stelt, die gedeelten niet gemakkelijk lezen kan, dan heb ik mijn doel ten eenenmale gemist. Slechts voor het begrijpen van zeer enkele beschouwingen is de kennis van de beginselen der lagere wiskunde noodig; wie die beschouwingen te duister vinden mocht, kan ze gerust overslaan, zonder dat hij daar schade van ondervinden zal. De aan de bouwkunst ontleende uitdrukkingen, die ik noodzakelijk moest gebruiken, en dat zijn slechts weinige, heb ik verklaard, overal waar zij voorkomen. Al zal men mij dus dikwijls vervelend of langdradig vinden, ik vertrouw toch, dat ik nergens duister zal zijn. Ik heb mij daarom zoo op helderheid toegelegd, omdat ik door menschen van allerlei rang en stand gehoord wensch te worden. Er is in ieders leven een tijd, dat hij belang stelt in bouwkunst. De een heeft wat te zeggen bij het ontwerpen van een openbaar gebouw, de ander moet zijn eigen huis laten bouwen of veranderen. Terwijl het er in het algemeen met op aankomt, of de groote menigte al of geen begrip van kunst heeft, terwijl men zeer goed leven kan, zonder zich schilderijen of beeldhouwwerken aan te schaffen, behoort ieder zich min of meer met de bouwkunst vertrouwd te maken. Wie dat niet doet, heeft veel onaangenaamheid en gooit noodzakelijk geld weg. Kerken, winkels, pakhuizen, landhuizen, heerenhuizen en arbeiderswoningen moeten worden gebouwd en gebruikt, al zijn zij nog zoo naargeestig en ongemakkelijk. Daarom behooren wij allen daar kennis van te hebben, en die kennis te gebruiken, wanneer wij daartoe in de noodzakelijkheid zijn, opdat wij niet worden overgeleverd aan de grillen der architecten en de genade der aannemers. Wel is waar heb ik mij in mijn verhandeling niet in het bijzonder bezig gehouden met de eischen, waaraan hedendaagsche gebouwen moeten beantwoorden. Doch de beginselen, die ik mijn lezers zou willen inprenten, zijn van alle tijden. Ik heb ze afgeleid uit de overblijfselen van een stad, die, daar zij de rijkste voorbeelden geeft van een bouwkunst, door een volk van handelaars in het leven geroepen, om aan zijn dagelijksche behoefte of zijn zin voor luister te voldoen, zeker voor de bewoners van Londen belangwekkend moet zijn.”
      In deze regelen heeft Ruskin ons zijn programma gegeven. Sedert de eerste verschijning is het boek herhaaldelijk herdrukt, waaruit men zou willen afleiden, dat de schrijver zijn dool bereikt moet hebben.
      Maar hij dacht daar anders over. Want toen in 1874 de derde druk verscheen, schreef hij weder een voorrede, die aldus begint:
      „Geen van mijn boeken heeft zooveel invloed gehad op de hedendaagsche kunst als de „Stones of Venice”, maar die invloed is alleen uitgeoefend door het derde deel daarvan en het Engelsche pubhek heeft hardnekkig geweigerd van de overblijvende twee derden kennis te nemen. In de meeste gevallen zal een geneesheer liever hooren, dat de zieke zijn drank of pillen geheel weggeworpen heeft, dan dat hij verneemt, hoe den apotheker een boodschap is gezonden, om twee van de drie bestanddeelen, op het recept aangegeven, weg te laten. En zoo zou het mij veel aangenamer geweest zijn, dat de architecten mijn boek nooit ter hand hadden genomen, dan dat zij slechts enkele mijner inzichten wilden deelen, en daarvan gebruik gemaakt hadden, fabrieksschoorsteenen te bespikkelen met zwarte en roode gebakken steenen, om onze banken en lakenwinkels met Venetiaansche traceeringen op te smukken, om onze kerken donkere en ongure holen te doen worden, die slechts bestemd schijnen om reclame te maken voor goedkoop geschilderd glas en tegels.”
      Ruskin geeft eenige voorbeelden van dergelijke misbaksels, en vervolgt dan, met bitterheid, nadat hij erop gewezen heeft, hoe de fraaiste landschappen door fabrieken geheel bedorven zijn:
      „Er is niet de minste mogelijkheid, dat een volk, hetwelk er behagen in schept om Gods beste gaven moedwillig te bezoedelen en te verlagen, ooit iets in de beoefening van welke kunsl ook zal bereiken. Wanneer ik weer een nieuwen druk van mijn boek laat verschijnen, dan doe ik dit slechts ter wille van die schaarsche en weinig invloedrijke menschen, die nog boeken van het begin tot het eind lezen, en die het gelezene ook willen begrijpen.”
      Het was mij een genoegen, het aantal dier lezers met één te mogen vermeerderen. Doch toen ik het boek uit had, was het mij tevens duidelijk geworden, waarom dit getal niet aanzienlijker kon zijn.


      *) Voordracht van den heer A. W. Weissman, in de vergadering van Bouwkunst en Vriendschap, van 8 November 1899.


[358]


358

      Ruskin heeft te groote verwachtingen gehad van den gemiddelden lezenden mensch. Het onderwerp sleept hem mede, het geeft hem bladzijden in de pen, die gelijk kunnen gesteld worden met het beste wat Thomas Carlyle schreef. Doch de eigenaardige stijl, die de „wijze van Chelsea” in zijn boeken bezigt, maakt de lezing niet gemakkelijk; de schrijftrant van Ruskin herinnert aan dien van den beroemden Schot, en is, bij alle streven om duidelijk te zijn, niet die, welke men moet gebruiken om tot de groote menigte door te dringen.
      Menschen als Ruskin kunnen nooit populair in den eigenlijken zin des woords worden. Het begrijpen en waardeeren hunner werken zal wel altijd het voorrecht eener kleine minderheid blijven. Zoo sterk kan de democratie nimmer worden, dal zij de aristocratie des geestes vernietigt.
      Bij den derden druk heeft Ruskin zelf een ietwat critisch overzicht van zijn boek gegeven. „Het eerste deel”, zegt hij, „bevat een ontleding van de beste samenstellingen, die in gehouwen of gebakken steen gebezigd kunnen worden, en wel zoo eenvoudig en natuurlijk mogelijk in woorden gebracht. Mijn bedoeling was, dat dit de grondslag van mijn volgend onderwijs in de bouwkunst zou zijn. Ik beveel de lezing van dit deel in het bijzonder dien jongelieden aan, die het ernstig voornemen hebben de beginselen der edele bouwkunst te leeren kennen, ofschoon ik nu inzie, dat ik in dit deel hier en daar te gekunsteld en te gedwongen geweest ben. Doch deze inleiding is zonder nut voor wie thans bouwt, want er wordt niet over het gebruik van ijzer gesproken, uitgezonderd waar het voor ankers en doken gebezigd is, en dus de rol van cement in het samenvoegen van steenen vervult.
      „In het tweede en derde deel wordt aangetoond, hoe de opkomst en het verval der Venetiaansche bouwkunst gelijken tred houden met de meerdere of mindere zedelijkheid der beginselen, waarnaar de Staat geregeerd werd. Dit duidelijk te maken was het hoofddoel van mijn boek; maar het beoogde twee dingen meer. Het wilde onderzoeken, welke betrekking er bestond tusschen den werkman en zijn werk in de middeleeuwen en in andere tijden. Het trachtte de vorming van de Venetiaansche Gothiek duidelijk te maken, van haar ontstaan uit de vroegste Romaansche kunst af, tot haar dood, toen de zoogenaamde herleving van de beginselen der klassieken in de 16e eeuw algemeen werd.”
      Gij ziet uit deze aanhaling, dat Ruskin zich allerminst op objectief standpunt plaatsen wil. Hij schroomt er nergens voor, zijn voorkeur en zijn afkeur te doen blijken; de middeneeuwen zijn voor hem alles. Wat daarna kwam, verwierp hij zoo goed als geheel.
      Bij het kiezen van den titel „de Steenen van Venetië” heeft de schrijver ongetwijfeld aan de spreuk „saxa loquuntur” gedacht. Zoo ergens, dan spreken de steenen in de stad der lagunen. Ook de afzonderlijke deelen van het werk hebben aan de bouwkunst ontleende titels. Het eerste heet „de fundamenten” het tweede „de zee-verdiepingen”, het derde „het verval”. Onder „zee-verdiepingen” moeten verstaan worden „verdiepingen gelijkstraats”; de naam komt daar van daan, dat in de voornaamste straten van Venetië de zee het plaveisel vormt.
      Het eerste hoofdstuk is „de steengroef” gedoopt. De schrijver maakt daar een vergelijking tusschen Tyrus, Venetië en Engeland, die alle drie door den zeehandel tot bloei kwamen. Hij gaat vervolgens de geschiedenis van Venetië na, en toont aan, welke de oorzaken waren van de opkomst en het verval van den Staat. De stijl van Carlyle treft ons reeds hier. Maar wij worden niet minder getroffen door een andere eigenaardigheid van Ruskin, en wel zijn gebrek aan systeem. De overvloed zijner gedachten is zóó groot, dat hij onophoudelijk op zijpaden afdwaalt; de lezer gaat daar gaarne met hem mede, doch wordt zoodoende van den eigenlijken hoofdweg afgeleid.
      Zoo volgt, onmiddellijk op de geschiedkundige beschouwingen een vergelijking tusschen Giovanni Bellini en Tiziano, waarbij hunne voornaamste schilderijen tot in onderdeden worden besproken. De aanleiding daartoe is de stelling, dat de achteruitgang van Venetië en zijn kunst dagteekent van 1418, en dat die achteruitgang veroorzaakt was door het verdwijnen van den echt-godsdienstigen zin. De uiteenzetting is belangwekkend, doch zij blijft op deze plaats een hors-d’-oeuvre, dat ergens anders beter aangebracht had kunnen worden.
      Na een kort overzicht van de bouwkunst van Europa, dat in zijn beknoptheid zóó vol van oorspronkelijke gedachten is, dat ik zou wenschen, dat mijn bestek had toegelaten het voor u te vertalen, geeft Ruskin zijn hart lucht over de Renaissance, die hij het bederf der bouwkunst noemt. Ik wil u een staaltje van des schrijvers betoogtrant niet onthouden.
      „Het bederf deed zich in alle richtingen gelden; alles werd door dwaasheid cn huichelarij overstroomd. In plaats van de Christelijke onderwerpen, koos de schilderkunst de godenleer, die eerst niet begrepen, later slechts tot een lage streeling der zinnen werd gebruikt. Goden zonder kracht, saters zonder boerschheid, nimfen zonder onschuld, menschen zonder iets menschelijks worden in onzinnige groepen op het doek samengebracht en dc straten raken vol van geaffecteerde en theatrale marmeren beelden. Het misbruikte verstand zinkt al lager en lager; de onwaardige landschappen nemen de plaats van de historiestukken in, die door de belachelijke pedanterie hunner makers tot algeheel verval komen. In het zuiden wil Salvator Rosa verheven zijn, en is slechts gemaakt, flanst Claude Lorrain zijn zoogenaamd ideale landschappen samen, fabriceeren Gaspard Poussin en Canaletto hun vervelende stukken; ten noorden van de Alpen wijden verdwaasde schilders hun leven aan het geduldig weergeven van steentjes, mist, dikke koeien en slootwater.”
      Deze regels zijn zeer karakteristiek voor Ruskin’s zienswijze. Die eenmaal vooropgezette meening maakt hem onrechtvaardig, en doet hem met één pennestreek alle waarde aan de Nederlandsche schilderschool der 17e eeuw ontzeggen. Toch bestaat er geen het minste verband tusschen de eigenlijke Renaissance en die schilderschool. Vreemder nog wordt het, als Ruskin hier ook het geloof bij te pas brengt en beweert, dat de Renaissance het Christendom, de zedelijkheid, de wetenschap en de kunst ten val gebracht heeft, en de ondergang van Italië, de omwenteling in Frankrijk, ja zelfs den treurigen toestand van de Engelsche kunst onder George II op haar geweten heeft.
      Dat hier schromelijk overdreven wordt, springt aanstonds in het oog. Ruskin zelf schijnt bevreesd geweest te zijn, dat men hem van overdrijving beschuldigen zou. Daarom wilde hij op meer overtuigende wijze aantoonen, hoe verderflijk de Renaissance gewerkt heeft. Hij brengt ons daartoe in de kerk van San Giovanni e San Paolo, waar vele dogen begraven liggen, en vergelijkt de monumenten van Tomaso Mocenigo en Andrea Vendramin. Dit laatste gedenkteeken, van 1487, is een der beroemdste werken der Renaissance; het andere is in 1424 door een Floren-


[359]


359

tijnsch meester gemaakt. En nu wordt het monument van Vendramin veroordeeld, omdat Ruskin, toen hij op een ladder geklommen was, zag, dat van de liggende figuur des overledenen alleen datgene was algewerkt, wat in het gezicht kwam, terwijl het overige slechts ten ruwste was behakt.
      Verder zoekt Ruskin verband tusschen ’t karakter der beide dogen en dat van hun grafteeken. Mocenigo had een lange en gelukkige regeering, terwijl Vendramin slechts twee jaar het bewind voerde, en aan de pest stierf. Eindelijk deelt hij mede, dat Alessandro Leopardo, de vervaardiger van het monument voor Vendramin, in 1487 wegens gepleegde valschheid uit het Venetiaansch grondgebied werd verbannen.
      Dit alles is ver gezocht. Om aan te toonen, hoe het geloof der Venetianen langzamerhand verminderde, komt Ruskin met een soortgelijk bewijs aan. Sommige kapiteelen van het Dogenpaleis zijn 15-eeuwsche navolgingen van andere, die ongeveer een eeuw vroeger werden gemaakt. Een dezer kapiteelen vertoont de hoop, met de hand Gods boven haar. In de navolging heeft men die hand weggelaten, en daaruit leidt Ruskin af, dat het geloof toen verdween.
      Maar terwijl het eerste hoofdstuk dus reeds de minder gelukkige eigenaardigheden van Ruskin toont, bevat het toch ook zeer schoone bladzijden, vol van oorspronkelijke gedachten. Ik wijs slechts op het gedeelte, waar de wijze, waarop de Venetiaansche kunst zich vormde, wordt behandeld.
      „De Grieksche bouwkunst werd door de Romeinen onhandig nagevolgd, en zonder dat daardoor veel bereikt werd. Hunne verdienste is echter geweest het gebruik van bogen algemeen te maken. Maar het Dorische kapiteel werd bedorven, toen zij beproefden het te verbeteren; slechts het Dorische kapiteel werd gevarieerd en verrijkt door beeldwerk, dat dikwijls zeer schoon is, en van veel verbeelding getuigt. Toen kwam het Christendom en maakte zich van den boog meester, om dien, met telkens nieuw genoegen, te versieren. Een nieuw kapiteel werd bedacht, dat in de plaats van het bedorven Dorische kon treden. Overal ging het Christendom in het Romeinsche rijk aan den arbeid, om met de voorhanden bouwstoffen aan zijn denkwijze uitdrukking te geven, om toepasselijke versiering aan te brengen.
      „Deze Romeinsch-Christelijke bouwkunst is de juiste uitdrukking van het Christendom uit dien tijd. Beiden zijn oprecht en schoon – maar toch onvolmaakt. Zij spreken van groote onwetendheid en stralen toch door het sterke licht eener kinderlijke verbeelding, dat onder Constantijn begint te schijnen, de stranden van den Bosphorus, de Egeïsche en de Adriatische Zee met zijn helderheid vervult, en dan, als het volk zich aan afgodendienst gaat overgeven, verduistert tot een flauw schijnsel, gelijk aan dat, hetwelk doode lichamen afgeven.
      „De bouwkunst, zoowel als het geloof, waaraan zij uitdrukking geeft, begint dan te verstijven, en wordt als een vergulde en gebalsemde mummie ter ruste gelegd. Die rust bleef bestaan, waar zij niet verstoord werd. Doch het was geordineerd, dat ruwe wekkers zouden verschijnen.
      „Deze Christelijke kunst van het ondergaande Romeinsche rijk verdeelde zich in twee takken, de Westersche en de Oostersche. De eene had haar middenpunt te Rome, de andere te Byzantium. Uit de eerste ontstond het vroeg Christclijk-Romaansch, en de andere ontwikkelde zich door de verbeeldingskracht en de bekwaamehid der Grieksche werklieden tot den Byzantijnschen stijl.
      „Beide deze stijlen zijn een natuurlijk gevolg van de kunst der oude Romeinen, zij vloeien voort uit dezelfde bron. Men kan ze daarom beiden beschouwen als Christelijk-Romeinsch, als een bouwkunst, die de verfijning der heidensche tijdperken verloren had, maar die door het Christendom in dienst van een hooger beginsel was gesteld, en die door de verbeeldingskracht der Grieksche werklieden met nieuwe vormen werd verrijkt.
      „Deze kunst was meer of minder ruw, al naarmate zij verder of minder ver verwijderd was van de zetels der regeering. Haar schoonheid ontleende zij aan de innigheid en de frischheid van het geloof, dat haar bezielde. Toen die beiden verdwenen, verloor zij haar levenskracht, en verzonk in ontzenuwing en rust, wel nog niet zonder schoonheid, doch verdoofd en onmachtig tot vooruitgaan of veranderen.
      „Maar er zou vernieuwing komen. Terwijl te Rome, te Constantinopel en in streken, die onder hun invloed stonden, de kunst haar zuiversten antieken vorm behield en in al haar verfijning beoefend werd, konden de minder bekwame werklieden der verwijderde provincies die zuiverheid niet bereiken. En nog ruwer was het werk der barbaren, die het groote rijk aan alle zijden omgaven. Doch die barbaren hadden de kracht der jeugd, en terwijl in de middenpunten van het rijk de kunst tot een vormendienst werd, begon de barbaarsche kunst steeds meer vorderingen te maken.
      „Sommige dezer barbaarsche volken stonden in het geheel niet onder den invloed der Romeinen. De Longobarden deden niets anders, dan het ontzenuwde lichaam, den zwakken geest van het Christendom versterken. De Arabieren straften den afgodendienst, en verkondigden, dat alle godsdienst geestelijk moet zijn. De Longobarden bedekten de kerken die zij bouwden met gebeeldhouwde voorstellingen van lichaamsoefeningen als jacht en oorlog. De Arabieren verbanden alle voorstellingen van het onzienlijke uit hun plaatsen van samenkomst, en verkondigden van hunne minaretten: „Daar is geen God dan God”. Verschillend in aard en roeping kwamen zij van het Noorden en van het Zuiden, als een gletscherbeek en een lavastroom. Zij ontmoetten elkander te Venetië, en daar bleef het water stilstaan, beladen met drijvende wrakstukken uit den Romeinschen tijd. Het Dogen-paleis te Venetië beval de drie elementen, Romeinsch, Lombardisch en Arabisch, in gelijke hoeveelheden. Daarom is het als gebouw het middenpunt der wereld.”
      Dit zijn schoone regelen, die ons Ruskin in zijn volle kracht toonen. Het zou mij te ver voeren, indien ik u hier ook de wijze, waarop Ruskin zijn stelling uitwerkt, zou willen mededeelen. Wie het Engelsch voldoende machtig is, zal hier het oorspronkelijke met onvermengd genot lezen.

(Wordt vervolgd.)