De Opmerker/Jaargang 34/Nummer 47/Venetië

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Venetië [3]
Auteur(s) [A.W. Weissman]
Datum Zaterdag 25 november 1899
Titel Venetië
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 34, 47, 371-373
Opmerkingen Vervolg van Venetië [2]; John Ruskin vermeld als Ruskin, Eugène Viollet-le-Duc als Viollet-le-Duc
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[371]


[...]


VENETIË. *)

(Vervolg van pag. 366.)

      De schrijver brengt ons dan binnen, niet door den hoofdingang, maar door de doopkapel aan de zuidzijde.
      „Wij zijn in een overwelfde ruimte; de zoldering is echter niet gevormd door gewone gewelven, maar door kleine koepels, met gouden sterren en sombere figuren bedekt. In het midden staat een bronzen doopvont, versierd met rijke reliefs en bekroond door een beeldje van Johannes den Dooper. De eenige lichtstralen vallen in door een klein venster, dat hoog geplaatst is. Zij vallen op een graftombe.
      „Zie deze ruimte eens rond. De vloer bestaat uit rijk mozaïek, omgeven door een laag plint van rood marmer. De muren zijn bekleed met platen van albast. Hier en daar zijn de marmeren platen verdwenen, zoodat het ruwe metselwerk voor den dag kwam, het albast heeft vlekken van ouderdom, wier rijk goudbruin aan de kleur van zeewier, door de zon beschenen, doet denken. Welk een verval, maar welk een schoonheid tevens! Het licht bereikt het altaar niet, en zijn beeldhouwwerk, dat den doop van Christus voorstelt, is nauwelijks te zien. Maar de figuren op de gewelven zijn duidelijk. Zij staan in twee cirkels; aan de eene zijde de Hemelsche Machten, aan de andere de apostelen, Christus in het midden. Op de muren is de magere figuur van den Dooper in alle omstandigheden van zijn leven verbeeld. De Jordaan stroomt tusschen steile rotsen; aan zijn oever staat de boom, die geen vrucht voortbracht en de bijl ligt er reeds bij. „Alle boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.” Ja, waarlijk, de mensch heeft geen andere keus dan of met vuur gedoopt, of in vuur geworpen te worden. De muziek van het plein dringt door het getraliede venster; maar luider klinkt in onze ooren het vonnis, dat de oude Griek op dezen muur heeft geschreven.
      „Venetië heeft gekozen. Maar hij, die onder de tombe ligt, Andrea Dandolo, de groote geschiedschrijver, ried zijn stad een betere keuze aan. Doch zij wilde niet naar hem luisteren; nu ligt het stof op zijn lippen en heeft zij hem en zijn raadgevingen reeds lang vergeten.
      „Laat ons nu door de getraliede bronzen deur, die zijn rustplaats afsluit, de kerk zelve binnentreden. Zij is in nog dieper schemering gehuld, waaraan het oog wennen moet, aleer het iets kan onderscheiden. Dan zien wij den kruisvorm van het geheel, de verdeeling in beuken door tal van zuilen. Het licht komt slechts binnen door nauwe openingen rondom de koepels. Hier en daar valt ook een straal uit een ver verwijderd venster in de schemering, en vormt een smalle streep van phosphorlicht op de marmeren golven, die in duizend kleuren over den vloer stroomen, zich ververheffen en dalen.
      „Verder slechts licht van waskaarsen of zilveren lampen, die dag en nacht in de duistere kapellen branden. De gewelven stralen van goud, de albasten muren weerspiegelen flauw het schijnsel der kaarsvlammen. De aureolen der heiligenbeelden schitteren als wij er voorbijgaan, om weer aanstonds in de schemering te verdwijnen.
      „Overal zien wij figuren, boven en beneden, als in een droom. Het schoone en het verschrikkelijke vermengen zich; draken en slangen, roofdieren en bevallige vogels, de hartstochten en genietingen der menschen, de geheimenissen der Verlossing zijn bont


      *) Voordracht van den heer A. W. Weissman, in de vergadering van Bouwkunst en Vriendschap, van 8 November 1899.


[372]


372

dooreen geplaatst. Overal vinden wij het Kruis, soms met de slang der eeuwigheid erom heen, dan weer met vogels en planten aan zijn voet. Het meest treft ons het groote kruisbeeld boven het koorhek, dat in schitterende tinten tegen de schaduw van de koornis uitkomt. Dit stralend kruis is het eerste, wat het oog van den binnentredende onderscheidt; in het midden van ieder gewelf troont Christus in heerlijkheid of richtende.
      Het kaarslicht beschijnt de bijbelsche geschiedenissen, die op gewelven en muren in mozaïek verbeeld zijn. Maar ik heb nog nooit een Venetiaan die mozaïeken met een blik zien verwaardigen. De San Marco wordt nog wel gebruikt voor het doel, waarvoor de kerk werd gesticht, maar de indrukwekkende zinnebeelden, die zij bevat, worden door de hedendaagsche geloovigen niet meer begrepen. Men voelt haar schoonheid niet, de taal die zij spreekt heeft men verleerd. Nu staat de kerk te midden van de slad, ten wier behoeve zij werd opgericht, treuriger dan een bouwval, omdat de afstammelingen van de stichters, die nog steeds haar vullen, het schrift op haar muren reeds lang niet meer begrijpen.”
      Ruskin wijst er dan op, dat de meest in het oog vallende eigenaardigheid van het gebouw is, dat de constructie niet zichtbaar bleef, omdat de gebakken steen, waaruit het eigenlijk bestaat, overal met kostbaarder materiaal werd bekleed. Dit verbergen van de eigenlijke samenstelling acht hij geen gebrek, maar een deugd, die de kerk niet de beste werken der oudheid gemeen heeft. Dat zulk eene bekleeding een bedrog zou zijn, bestrijdt hij ten sterkste, en hij is dus een geheel andere meening toegedaan dan Viollet-le-Duc. Hij zegt niet onaardig, dat, wanneer men het gebouw zou willen laken, omdat het niet geheel van marmer is, men met hetzelfde recht zou mogen veronderstellen, dat een geharnast man geheel uit ijzer bestaat.
      De reden, waarom de Venetianen het gebouw dus bekleedden, zoekt hij in hun gevoel voor kleur, dat niet bevredigd werd door den gebakken steen. Nu gaat Ruskin de regelen na, die de bouwmeesters van San Marco in acht genomen hebben. Hij vindt zeven wetten.
      De eerste is, dat de plinten en lijsten allen fijn zijn en weinig voorsprong hebben; de tweede, dat geen poging gedaan werd om de constructie naar buiten zichtbaar te maken; de derde, dat alle zuilschachten uit één stuk bestaan; de vierde, dat de zuilen in geen verband zijn met de eigenlijke samenstelling; de vijfde, dat de zuilen zeer verschillende afmetingen hebben; de zesde, dat alle beeldhouwwerken weinig voorspringen; de zevende en laatste, dat de indruk onafhankelijk is van de afmetingen.
      Het is zeer de moeite waard de opmerkingen te lezen, die Ruskin omtrent deze regelen maakt. Vooral wie tot dusverre, op gezag van Viollet-le-Duc, als vaststaande heeft aangenomen, dat alleen de zichtbare samenstelling aan een gebouw schoonheid verleent, kan hieruit veel leeren, dat zijn blik zal verruimen. Ik moet echter, om niet te uitvoerig te worden, mij tot deze aanduidingen bepalen, om nog het een en ander mede te deelen over de mozaïeken, dal zoo kenmerkend sieraad van de kerk.
      Ruskin begint met een breede beschouwing over wat eigenlijk onder kerkelijke kunst moet worden verstaan. Hij ontkent, dat er in vroegere tijdperken een bijzondere kerkelijke kunst was; zij smolt met de wereldlijke samen. Wanneer wij nu de Gothiek als alleen voor geestelijke gebouwen geschikt beschouwen, dan komt dit, omdat haar kerken bijna alleen overbleven, terwijl haar huizen, torens, poorten en kasteelen grootendeels zijn verdwenen.
      De mozaïeken in de San Marco zijn niet gemaakt om de kerk op te smukken, maar tot leering van de geloovigen. Zoo is het gebouw eigenlijk een reusachtig geïllustreerd gebedenboek, gemaakt in een tijd, toen haast niemand kon lezen, en deze afbeeldingen de eenige mogelijkheid gaven, om het volk met de Heilige Schrift bekend te maken. De San Marco is de verluchte Bijbel van een groot volk in zijn opkomst.
      De figuren der mozaïeken hebben iets plechtigs. Zij zijn in breede lijnen gehouden, om vooral duidelijk waargenomen te kunnen worden. Vol majesteit zien zij van muren en gewelven op den beschouwer neer.
      Dan gaat Ruskin de zinnebeeldige beteekenis van wat voorgesteld werd na. In de voorhal, waar de ongedoopten en de pas bekeerden zich ophielden, werden zij bekend gemaakt met de geschiedenis des Ouden Verbonds, van de schepping der wereld tot den mannaregen toe. Zoo werd de ongenoegzaamheid van het Oude Verbond aangetoond, want het manna was het ware brood des levens nog niet.
      Wanneer de gedoopte binnenging, zag hij boven den hoofdingang Christus op zijn troon, met de woorden: „Ik ben de deur” en de verdere teksten, die daarop betrekking hebben. Het mozaïek van den eersten koepel verbeeldt de uitstorting des H. Geestes, waaraan de binnentredende ook deel had. Twaalf stroomen van vuur vloeien uil de duif naar de apostelen; lager zingen de engelen het „Heilig, heilig, heilig”, om den geloovige te herinneren, dat ook van hem heiliging geëischt werd.
      Op den volgenden koepel en de daaraansluitende gewelven is de lijdensgeschiedenis voorgesteld, met de hemelvaart, die den geheelen koepel vult. Daarbij zijn de Christelijke deugden, de vier Evangelisten en de vier stroomen van het Paradijs verbeeld.
      „De derde koepel, boven het koor, bevat de Oud-Testamentische voorbeduidingen. Maar de geloovigen konden die slechts zelden zien. Hun verkondigde de middenste koepel: „Christus is opgestaan”.
      „In de oogen van het oude Venetiaansche volk”, zegt Ruskin, „was het huis van den Heiligen Marcus meer dan een kerk; het was ook een boek, waarop Gods Woord stond geschreven. Het verzinnelijkte voor hen de Bruid met haar kleed van gedreven goud, de tafelen der wet en de getuigenissen. Om zulk een gebouw te versieren werd niets gespaard; de muren werden, naar het woord van de Openbaring, van jaspis, de fundamenten met allerlei kostelijk gesteente versierd, zoodat op de kerk dc zegevierende uiting van den Psalmist zou kunnen worden toegepast: „Ik ben vroolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom”.
      „Als wij weten, met welk een hooge bedoeling de zuilen naast het plaveisel van het levendige plein werden opgesteld, dan zien wij de zeven poorten en de gloeiende koepels van den tempel met andere oogen aan.
      „Hier berustte de kracht van Venetië, zoolang het zich de leering van het gedenkteeken herinnerde; maar zoodra het die niet meer begon te achten, kwam zijn ondergang, onherroepelijk. Geen stad had een prachtiger Bijbel. In het noorden werden de tempels met ruw en moeilijk leesbaar beeldwerk versierd, maar te Venetië had de kunst van het oosten alles verguld, zoodat de kerk straalde als een ster van Bethlehem. De muren, die de getuigenissen spraken, waren slechts door enkele duimen dikke marmeren platen gescheiden van die welke de geheimen der raadsvergaderingen of de slachtoffers der politiek


[373]


373

bewaarden. Hoe groot was niet de zonde der stad, toen zij alle schaamte liet varen, en het groote plein zich liet vullen door de dwaasheid der geheele aarde! Want dit alles geschiedde in het aangezicht van Gods Huis, waar de muren brandende waren met de letters Zijner wet. Spelers en gemaskerden kwamen en gingen. Nu is de stilte gekomen, maar niet onverwacht. Want de witte koepel van St. Marcus had door eeuwen van toenemende ijdelheid en schuld steeds Venetië toegeroepen: Gij zult over dit alles verantwoording moeten doen”.
      Zoo eindigt Ruskin zijn hoofdstuk over de St. Marcuskerk, om dan een nieuw te wijden aan de weinige paleizen uit den Byzantijnschen tijd, die Venetië nog bezit. Het belangrijkste daarvan is de Fondaco de’ Turchi. Thans is het gerestaureerd, en als stedelijk museum ingericht. Wanneer men van het station het Canal Grande opvaart, ligt het paleis aan de rechterhand, juist tegenover het bekende paleis Vendramin-Calergi, waar Richard Wagner gestorven is. Of Ruskin met de restauratie vrede heeft gehad, valt te betwijfelen.
      Hij beschrijft het gebouw als volgt: „Het is een treurige bouwval; al zijn eerwaardigheid is verloren gegaan door de pogingen, die gedaan zijn om het voor zijn tegenwoordige bestemming als pakhuis geschikt te maken. Het bestaat uit bogen, door marmeren zuilen gedragen, ingesloten door muren van gebakken steen, met marmer bekleed. De bekleeding is er echter grootendeels afgerukt, als het doodskleed van een lijk. De muren, met duizend scheuren, en overal met gebakken steen bijgelapt, met klei dichtgesmeerd, met witkalk bestreken, zijn door de eeuwen in stoffig verval gekomen. Gras en klimplanten groeien in de scheuren; verrotte houten planken zijn in de gangen gespijkerd, en het geheel is een vormelooze hoop, die weldra in zal storten.”
      Wanneer men thans het gerestaureerde gebouw in zijn witte naaktheid ziet, dan begrijpt men niet, hoe Ruskin de paleizen uit den Byzantijnschen tijd, zoogoed als de St. Marcuskerk, als voorbeelden van kleurige versiering kan aanhalen. Maar de schrijver heeft door een nauwkeurig onderzoek van de overblijfselen uit deze periode, vastgesteld, dat de gevels met mozaïeken bedekt waren, dat de zuilen uit gekleurd marmer bestonden, dat de kapiteelen met goud en blauw werden versierd. Ook serpentijnsteen in groote schijven vond toepassing, en gaf met zacht rood marmer een prachtige tegenstelling.
      In het hoofdstuk over de Byzantijnsche paleizen zijn gedeelten, die ik u gaarne zou vertalen. Doch de Gothische stijl vraagt thans onze aandacht.
      Ruskin begint met te zeggen, welke volgens zijne meening de eigenaardigheden der Gothiek zijn. Hij verschilt hier geheel en al van Viollet-le-Duc, die alles tot de bouwkundige samenstelling terugbrengt, want hij somt ze als volgt op: wildheid of ruwheid; afkeer van eentonigheid; liefde voor de natuur; zin voor het belachlijke; onbuigzaamheid; mildheid.
      Het wilde, eenigszins ruwe karakter der Gothische kunst prijst hij, omdat het een gevolg is van de vrijheid, die iederen werkman gelaten werd. Hij maakt een vergelijking tusschen de arbeiders der Assyriërs, Egyptenaars en Grieken, die zich allen slaafs moesten voegen naar wat hun meesters hen voorschreven, en de Gothische werklieden, die geen werktuigen, doch denkende wezens waren. Hieraan knoopt Ruskin een beschouwing vast over de noodzakelijkheid, om weer zelfstandige werklieden aan te kweeken, die niet slechts gegeven teekeningen volgen, maar die hun eigen ontwerpen maken. Was er meer tijd beschikbaar, dan zoude deze beschouwing, waarin een uiteenzetting van de beginselen, die wij thans door der volgers der „nieuwe kunstrichting” zien toepassen, wordt gegeven, zeker uwe belangstelling wekken, vooral in verband met den tijd, 1852, toen zij werd neergeschreven. Doch hoezeer ook de aandacht waard, is dit gedeelte toch eigenlijk een „hors d’oeuvre”, een dier afdwalingen, waar het boek vol van is, zooals ik reeds vroeger zeide. Men zou er een avond over kunnen spreken, zonder zijn gehoor te vervelen, maar van Venetië zou het dan niets vernemen.
      Daarom laat ik nu dit hoofdstuk rusten, om mij te bepalen tot eenige mededeelingen over het hertogelijk paleis, dat door Ruskin, en terecht, als het voornaamste voortbrengsel van de Venetiaansche Gothiek wordt beschouwd.

(Wordt vervolgd.)