De Opmerker/Jaargang 35/Nummer 15/De zeven lampen der bouwkunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De zeven lampen der bouwkunst [4]
Auteur(s) A.W.W.
Datum Zaterdag 14 april 1900
Titel De zeven lampen der bouwkunst. IV
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 35, 15, 113-116
Opmerkingen Vervolg van De zeven lampen der bouwkunst [3]; John Ruskin vermeld als Ruskin
Brontaal Nederlands
Bron tresor.tudelft.nl
Auteursrecht Publiek domein

[113]


[...]


DE ZEVEN LAMPEN DER BOUWKUNST.

IV.

      Het derde hoofdstuk van Ruskin’s boek heet „de Lamp der Macht”. De schrijver heeft dezen titel gekozen, omdat hij wil nagaan, op welke wijze in de bouwkunst grootschheid tot uitdrukking kan komen.
      Na eene korte inleiding, waarin een vergelijking gemaakt wordt tusschen de macht en de majesteit der natuur en die van menschenwerk, bespreekt de schrijver de macht, die zich toonen kan door groote afmetingen.
      „Het schijnt niet mogelijk, om, wat afmetingen aangaat, met de verheven scheppingen der natuur te wedijveren; dit is ook zoo, wanneer de bouwmeester met de natuur in het strijdperk wil treden. Het zou dwaasheid zijn piramiden in het dal van Chamounix te gaan oprichten. De St. Pieterskerk te Rome lijdt er onder, dat zij op de helling van een onbeteekenenden heuvel geplaatst is. Maar stel u dit gebouw eens voor in de Po-vlakte bij Marengo geplaatst of als de Superga bij Turijn, of La Saluté te Venetië!”
      „Het besef van de grootte, zoowel bij het aanschouwen van voortbrengselen der natuur als van die der bouwkunst, wordt den mensch meer bijgebracht door zijn opgewekte verbeelding, dan door meten met het oog. De bouwmeester heeft het in zijn macht des aanschouwers verbeelding te hulp te komen, en hem den indruk van grootschheid te geven.
      „Er zijn weinig rotsen, zelfs in de Alpen, die zoo loodrecht oprijzen als het koor der kathedraal te Beauvais. Hooge gebouwen, geplaatst daar, waar geen reusachtige natuurvoortbrengselen met hen kunnen vergeleken worden, zullen altijd een grootschen indruk te weeg brengen.”
      „Het strekt tot aanmoediging, maar valt te betreuren tevens, dat het den mensch gemakkelijker is, de verhevenheid der natuur te doen verdwijnen, dan zijn werk door de natuur te doen verpletteren. Er is niet veel voor noodig, om een berg klein te doen schijnen. Een enkele hut is soms al genoeg. Ik kan nooit uit het dal van Chamounix naar den Col de Balme zien of ik erger mij aan het logement, dat op den top staat en welks helder witte muren duidelijk onderscheiden worden, zoodat de indruk ten eenenmale verloren gaat.”
      „Een enkel buitenhuis bederft dikwijls een geheel landschap, een gansche heuvelreeks; de Acropolis te Athene, met het Parthenon en de overige gebouwen lijkt kinderspeelgoed, nu er een paleis aan zijn voet gesticht is. Heuvels zijn nooit zoo hoog, als wij ons voorstellen. Maar als een gebouw van betrekkelijk groote afmeting de gedachte opwekt aan het werk van de hand en het vernuft der menschen, dan is een verhevenheid aanwezig, die alleen door grove vergissingen in het ontwerpen der onderdeelen kan te loor gaan.”
      „Men moet niet vergeten, dat ofschoon groote afmetingen alleen een slecht onwerp niet kunnen redden, toch die grootheid een zekeren adel in zich sluit. Wie bouwen gaat moet daarom wel overwegen, of hij in de eerste plaats naar schoonheid dan wel naar verhevenheid wil trachten. Wenscht hij de laatste, dan moet hij zich niet te veel om de onderdeelen bekommeren, daar deze, te zeer uitgewerkt, de schaal zouden doen verloren gaan. Maar het behoort in de macht des bouwmeesters te zijn, ten minste die afmetingen te kunnen bereiken, waar de verhevenheid gezegd kan worden te beginnen; deze uitkomst is verkrege, wanneer levende wezens, met het gebouw vergeleken, kleiner schijnen, dan zij in werkelijkheid zijn.”
      „Het is het ongeluk van onze hedendaagsche bouwwerken, dat wij ze aan alle eischen, die gesteld kun-


[114]


114

nen worden, willen laten voldoen. Daarom besteden wij een deel der bouwsom aan schilderwerk, een ander aan verguldsel ,aan behangerswerk, aan gekleurde vensters, aan torens, aan velerlei versierselen. En toch is dit alles niets waard.”
      „Het bevattingsvermogen van de menschen is door een harde korst omgeven. Wordt die niet doorboord, dan treft hen niets. En nu werkt de veelheid onzer versierselen op deze korst als speldeprikken zouden doen. Zij bereiken de kern niet. Wij moeten op één plaats dieper doordringen, en wij kunnen dit door een zwaar gewicht. De korst die door een toren niet doorboord kan worden, bezwijkt onder het gewicht van een zwaren muur.”
      „Daarom moet de bouwmeester, die slechts over beperkte middelen kan beschikken, wel weten, wat hij wil. Wenscht hij indruk te maken, dan dient hij alle versierselen weg te laten, om alleen door de massa te werken. Hij moet niet vragen, of zijn kapiteelen niet beter zouden doen, als zij gebeeldhouwd waren – hij late ze als groote blokken. Hij kan zijn bogen ongeprofileerd laten, – als hij ze maar zoo wijd spant, als hij kan. Een meter meer breedte van zijn groote zaal moet hem meer waard zijn dan een mozaiekvloer daarin. Een meter meer hoogte van zijn buitenmuren behoort hij te verkiezen boven een heirleger van bekronende pinakels. Slechts door het doel, waarvoor zijn werk bestemd is of door den grond, die beschikbaar is, mag de bouwmeester zich dan laten beperken.”
      „Als een gebouw zijn grootschheid zal toonen, dan behoort het in één oogopslag overzien te kunnen worden .Zijn grenzen dienen dan door groote lijnen gevormd te zijn. De grens van boven naar beneden kan schuin zijn, zoodat de massa dan die eener piramide is; loodrecht, alsof het een rots ware; of naar boven zich verbreedend, als bij Grieksche tempels en bij alle gebouwen met lijsten.”
      Ruskin verkiest de loodlijn. „Ik voor mij, zegt hij, houd er van, als een gebouw door zuivere loodlijnen begrensd wordt, of als de loodlijn van boven door een plechtig fronsen van het voorhoofd, gelijk bij het Palazzo Vecchio te Florence, wordt afgebroken. De dichters kennen dit strenge karakter steeds aan rotsen toe. In werkelijkheid hangen ritsen maar zelden dus over. Maar toch hebben de dichters gelijk, want de voorsprong van boven geeft iets dreigends aan een vlak, dat trotscher werkt dan groote afmetingen alleen kunnen doen. Daarom vind ik de bekroningen van het Palazzo Vecchio en de kathedraal te Florence veel grootscher dan die der Grieksche tempels.”
      Deze uitingen van Ruskin zijn zeer belangrijk. Men herkent er de beginselen in, waaruit de „nieuwe kunst”, een vijftig jaar later, zou voortkomen. Ware het Ruskin gegeven geweest de voltooide Amsterdamsche beurs te aanschouwen, hij zou er veel van zijn idealen in verwezenlijkt hebben gevonden.
      Maar niet alle. Want later zegt hij: „Wanneer grootsche eenvoud schoon zal zijn, dan moet de stof, waaruit zij bestaat, schoonheid bezitten. Daarom moeten wij de bouwmeesters van het noorden, die in veelheid van versierselen hun heil zochten, niet te haastig veroordeelen. Want wij dienen ons te herinneren, welk een onderscheid er is tusschen een muur, geheel glad van Noordschen steen opgetrokken, en een derhelijke uit tweekleurig marmer gebouwd. Waar Genua en Carrara hun groen en wit mengen, is het alsof serpentijnsteen door sneeuw wordt afgewisseld.”
      „Macht en majesteit komen echter slechts door breedheid van behandeling tot uitdrukking. Daarom moeten de muren door niets gebroken worden, of zij van gebakken steen of van jaspis zijn gemaakt. Het licht des hemels, om hen te beschijnen, de zwaartekracht der aarde om hen op hun plaats te houden, meer is niet noodig. De menschelijke geest is zóó, dat hij aan geen bouwstof of wijze van werken meer denkt, wanneer hij tegenover zeer groote vlakken komt. Hij herinnert zich dan slechts de vreugde, die het aanschouwen van breede vlakten of wijde zeeën hem gaf.”
      „Wanneer wij met onze gehouwen of gebakken steen kunnen bereiken, dat een muur zich als oneindig aan den beschouwer voordoet, dat zijn bovenlijn als een gezichtseinder tegen de lucht afsteekt, ja zelfs wanneer wij dit niet geheel en al kunnen bereiken, dan vinden wij er een genoegen in, op te merken, hoe het wisselende licht op het groote vlak speelt, hoe tijd en weder daarop hunne stoute teekeningen met zoo veel tinten en schaduwen weten aan te brengen.”
      Ruskin wijst op de Romaansche werken van Italië als voorbeelden, hoe men bouwen moet. Ook bij het Dogenpaleis te Venetië staat hij uitvoerig stil, en in een noot van 1880 vermeldt hij nog San Paolo fuori le mura te Rome.
      Belangrijk is, wat de schrijver omtrent de samenstelling van muren opmerkt.” Een muur moet onvermijdelijk uit een opstapeling van kleinere stukken bestaan. Door groote kunstvaardigheid kan men de voegen haast onzichtbaar maken; ik vind het echter onverstandig en oneerlijk dus te handelen. De voegen moet men laten zien, en ik meen, dat met enkele uitzonderingen, bij kleine gebouwen juist groote stukken steen noodiegr zijn, om de muren samen te stellen .Want als een gebouw slechts geringe afmetingen heeft, dan is dit voor een ieder te zien, en kunnen wij die afmetingen niet grooter doen schijnen, door het uit kleine stukken te doen bestaan.”
      „Maar als wij zulk een bouwwerk uit groote steenen optrekken, dan kunnen wij het een zekere grootschheid verleenen. Er kan geen majesteit zijn in een buitenhuis, van gebakken steen gemaakt; maar als zulk een huis, zooals in Wales, Cumberland of Schotland, van ruwe, groote stukken steen wordt gebouwd, dan is er wel een zekere verhevenheid aanwezig.”
      „Als wij maar beseften, welke waardigheid in ruwe blokken te vinden is, dan zouden wij ze niet vlak gaan hakken, of nauwsluitende voegen willen maken. Wij zouden onze gebouwen dikwijls heel wat hooger hebben kunnen optrekken, als wij de steenen maar gelaten hadden zooals ze uit de groeve kwamen.”
      „Wij moeten echter ook eerbied toonen voor de bouwstoffen, die wij gebruiken. Het is bekend, dat marnier en kalksteen gemakkelijk te bewerken zijn; als wij ze ruw laten, dan zal de beschouwer denken, dat wij ons geen moeite hebben willen geven. Daarom doen wij goed, gebruik te maken van de betrekkelijke zachtheid der stof, en bij ons ontwerp rekening te houden met effen vlakken en fijne versierselen. Als wij echter graniet bezigen, is het dwaashed, dit vlak te gaan maken; wij doen dan goed, de blokken ruw te laten.”
      „Ik ontken niet, dat er pracht en kracht kan aanwezig zijn in gepolijst graniet; dat het harde materiaal zich heeft moeten voegen naar den mensch, is een overwinning. Maar ik meen, dat in de meeste gevallen het polijsten slechts tot vermorsen van tijd en geld heeft geleid. Er is een majesteit in de natuurlijke breukvlakken van den steen, waartegen de kunst het moet afleggen. Wie zou willen, dat de steenen van het Palazzo Pitti te Florence gelijk werden gehakt?”
      „De bouwmeester werkt met massa’s van licht en


[115]


115

schaduw. Men bedenkt niet genoeg, dat een muur voor hem is, wat een geplumuurd doek voor den schilder is. Maar de muur heeft reeds verhevenheid in zich zelf door zijn afmetingen, en daarom is het gevaarlijk, daarop schaduwen aan te brengen.”
      Het zou mij te ver voeren, als ik hier alles wilde weergeven, wat Ruskin over het aanbrengen dezer schaduwen zegt. De talrijke teekeningen hebben vermoedelijk ook hier tot de bijzondere uitvoerigheid van den tekst aanleiding gegeven.
      „Het versieren der wanden door schaduwen was in de middeleeuwen zoowel bij de bouwmeesters van het noorden als bij die van het zuiden algemeen. Maar het geschiedde op verschillende wijzen. De meesters van het zuiden hadden marmer tot hun beschikking; zij kenden de klassieke werken, en brachten uitmuntend blad-ornament of andere fijne versierselen aan. De architecten van het noorden kenden de klassieke werken niet, en hadden geen fijne bouwstoffen om te gebruiken; daarom maakten zij tracceringen op hun muren, die krachtige schaduwen konden geven.”
      „Er is veel over compositie en inventie geschreven. Ik meen echter, dat dit geen nut heeft gehad, want men kan niemand leeren te componeeren of te inventeeren. Deze beide elementen van de macht, die door bouwkunst kan worden uitgeoefend, laat ik dus onbesproken. Ook zal ik niets zeggen over de beperking, die men in alle groote tijdperken der bouwkunst heeft in acht genomen, waar het gold, de natuur in de ornamenten na te volgen, omdat ik dit onderwerp in het volgend hoofdstuk wensch te behandelen.”
      „De majesteit der gebouwen hangt meer af van de zwaarte hunner massa’s. Groote vlakken van licht, groote vlakken van schaduw, groote vlakken van kleur zijn noodig. Bij alle onderdeelen moet dit insgelijks in het oog gehouden worden. Hier in Engeland bijvoorbeeld zijn wij gewoon de galmgaten onzer klokketorens met keurig nette jalouziebordjes te dichten; de vele scherpe waterpaslijnen, die daarvan het gevolg zijn, vormen een onaangename tegenstelling met die der omgeving, en het nette timmerwerk maakt een prozaïschen en vervelenden indruk. Op het vasteland gebruikt men drie of vier hellende galmborden boven elkander, die de volle zwaarte van de muren innemen. Hier ziet men dus, in de plaats van onze met een liniaal getrokken lijntjes, vier of vijf groote massa’s schaduw, met de grijze galmborden, die door warm gekleurde mossen bedekt worden, een prachtige tegenstelling vormende. Deze galmborden zijn dikwijls nog fraaier dan de omringende architectuur, daar zij breede en eenvoudige schaduwen geven.”
      „Het doet er niet toe welke middelen gebruikt worden, om schaduw te verkrijgen – een overstekend dak, een inspringend portiek, een balcon, een nis, een waterspuwer, een kanteeling, alles kan worden gebruikt. Men moet eerst op de schaduwen bedacht zijn, dan komt het overige van zelf.”
      Ruskin velt ten slotte een zeer streng oordeel over de Engelsche kunst .„Sinds de dertiende eeuw”, zegt hij, „hebben wij gebouwd alsof wij kikvorschen of muizen waren. Welk een tegenstelling is er tusschen de treurige kleine duiven-gaatjes, die in de kathedraal te Salisbury als deuren dienst doen, en de koninklijke portalen der hoofdkerken te Abbeville, te Rouaan en te Rheims, de als uit rotsen gehouwen pijlers te Chartres, de gewelfde ingangen en de kostelijke zuilen te Verona! Over onze burgerlijke bouwkunst behoeft in het geheel niet gesproken te worden. Zelfs waar zij op haar best is, blijft zij toch kleingeestig, arm, en ten eenenmale beneden peil. Als wij ons van Picardië naar Kent verplaatsen, welk een overgang! Wij moeten onze bouwkunst verbeteren, wij moeten haar meer frischheid geven. Zoolang de muren onzer burgerhuizen nog zoo dun zijn, mogen wij onze bouwmeesters er geen verwijt van maken, dat zij geen monumenten kunnen scheppen. Hun oogen zijn gewend aan bekrompenheid en poverheid; hoe kunnen zij dan in eens in breedheid en monumentaliteit smaak krijgen?”
      „Onze bouwmeesters moesten niet in steden wonen. Hun verbeelding is daar ingemetseld. Zend een bouwmeester naar ons heuvelland, dat hij zien kan, wat de natuur verstaat onder een steunbeer, onder een koepel.”
      „Het is waar dat de gebouwen, die ik het hoogst stel, hun ontstaan danken aan de oproeren van het volk. Ik zou niet willen, dat in ons Engeland zulk een oorzaak tot het gebruiken van groote steenen, het smeden van forsch ijzerwerk zou nopen.”
      „Doch wij kunnen uit andere bronnen putten. Onze motieven zijn te vinden in onze trotsche kusten en blauwende heuvelen. Daar schuilt een macht, zuiverder en niet minder helder dan de kluizenaarsgeest, die eens haar witte kloosters tusschen de pijnboomen der Alpen deed verrijzen, die van de woeste rotsen hooge klokkentorens vormde aan de zee der Noormannen, die aan het kerkportaal de diepte en de duisternis van Elia’s grot op den berg Horeb gaf, die, uit de bevolkte steden eenzame grauwe rotsen deed oprijzen, die slechts door de stille lucht omspoeld, door de vliegende vogels omzwermd worden.”


      Zoo eindigt het hoofdstuk, dat „de Lamp der Macht” heet. In de noten van 1880 heeft Ruskin zijn eigen werk op zeldzaam onpartijdige wijze gecritiseerd. In een daarvan zegt hij: „Ik heb vele zinnen geschreven, die uiterst eenzijdig zijn, of die mijn bedoeling slechts onvolkomen weergeven; die zinnen misleiden den lezer, als hij ze neemt, zooals ze zijn, en niet let op wat ik elders verbeterde of aanvulde.”
      Het slot van dit hoofdstuk behoort onder die gedeelten. Want de krijtrotsen en de heuvelen van Engeland kan men slechts onder voorbehoud als bronnen van inspiratie voor den bouwmeester erkennen. Bepaalde motieven kunnen zij niet gezegd worden, op te leveren. Slechts dit kunnen zij den ontwerper leeren, dat hij door groote omtreklijnen zijn effect moet trachten te bereiken. Ruskin wilde niet een paar fraaie zinnen zijn hoofdstuk eindigen, en daarom nam hij het zoo nauw niet met wat hij eigenlijk zeide.
      Een zekere neiging tot rhetoriek is bij den schrijver niet te miskennen. Des te meer moeten wij het in hem prijzen, dat hij zelf op de onwaarheid van de gedeelten, waarin deze rhetoriek zich toont, wijst.
      Dit derde hoofdstuk behoort ongetwijfeld tot de meest belangwekkende van het boek. Ruskin’s pleidooi voor majesteit, macht, verhevenheid in de bouwkunst is te merkwaardiger, omdat het in 1849 reeds gehouden werd. De bewondering van den schrijver voor sommige gebouwen van Italië is duidelijk merkbaar. In deze scheppingen vindt hij de verhevenheid, waartoe de bouwkunst in staat is, bereikt.
      Reeds bij een vroegere gelegenheid heb ik opgemerkt, dat Ruskin altijd zeer subjectief oordeelt. Voor hem is de middeleeuwsche kunst van Italië de meest bewonderenswaardige van alle tijdperken. Doch voor gebouwen, hoe fraai ook overigens, die in Renaissance-geest ontworpen zijn, heeft hij geen oog. Ook het nationale, dat er in kunst gelegen is, ontgaat hem.
      De gebouwen van Italië zijn daar uit den bodem uitgegroeid, zij zouden elders misplaatst zijn. Ja zelfs


[116]


116

wie in andere landen van dezelfde beginselen zou willen uitgaan bij het ontwerpen als de oude Italianen, zou toch niet bereiken, wat zij bereikten.
      Zijn liefde voor Italië maakt Ruskin onbillijk tegenover de kunst van andere landen. De Engelsche bouwkunst, die de schrijver zoo laag stelt, had op meer waardeering aanspraak. De wereld zou er niet bij gewonnen hebben, indien de bouwkunst in alle landen de Italiaansche voorbeelden uit de middeleeuwen had gevolgd. De schoonheid, ook de verhevenheid kan zich op zeer verschillende wijzen toonen.
      Zelfs ten opzichte van Italië is Ruskin onbillijk. Van wat daar na 1420 gebouwd is, wil hij bijna nooit iets weten; toch komen er onder die scheppingen werken voor, die volkomen aan de idealen, die hij heeft, beantwoorden.
      Evenwel bevat dit hoofdstuk zeer belangrijke gedeelten. In het bijzonder Ruskin’s beschouwingen over de waarde van eenvoud en groote lijnen in de bouwkunst zullen door hare tegenwoordige beoefenaars met waardeering en belangstelling gelezen worden.

A. W. W.