De Opmerker/Jaargang 44/Nummer 26/Het Uitbreidingsplan van 's-Gravenhage I

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Opmerker Jaargang 44 Nummer 26 (26 juni 1909)

Het Uitbreidingsplan van 's-Gravenhage I
Door P.H. Scheltema

Eerste in serie Volgende in serie

[201]

[...]

Het Uitbreidingsplan van ’s-Gravenhage.


      Voor een overgroot aantal belangstellende toehoorders, hield de heer H. P. Berlage Donderdag 17 dezer in het z.g. Artizaaltje van het Zuid-Hollandsch Koffiehuis een voordracht over het Haagsche Uitbreidingsplan. Voor iets zoo belangrijks als men hier mocht verwachten was het zaaltje bepaald te klein, reeds daar binnen vergenoegden zich velen met een staanplaats en de laat-komers moesten zich getroosten, op het portaal voor de wijd geopende deuren op de stoelen staande de voordracht te volgen. En toch zijn niettegenstaande deze ongemakken zeker slechts weinigen onvoldaan huiswaarts gekeerd, want ofschoon verondersteld kan worden, dat de meeste aanwezigen, reeds uit de fraaie kaart, die een paar weken geleden werd uitgegeven, wel reeds met het Uitbreidingsplan hadden kennis gemaakt, men kreeg hier vele bijzonderheden te zien en te hooren, die tot heden niet gepubliceerd waren en men ontving die mededeelingen van den ontwerper van het plan, van den man, die er beter dan iemand anders in zit.
      Jammer, dat de spreker zich, met het oog op de op een avondvergadering beschikbare tijdruimte, zoozeer beperken moest en de blijkbaar reeds hierop berekende voordracht nog hier en daar moest bekorten, zoodat vele punten, waarover hij zelf wel gaarne wat meer zou hebben gezegd, slechts ter loops konden worden aangeroerd.
      Niettemin heeft de heer Berlage met zijn „Einführung”, zooals men in Duitschland zeggen zou, in zijn plan zeker velen een dienst bewezen en vooral aan die belangstellenden, wien tijd en gelegenheid ontbreekt, het plan grondig te bestudeeren. Voor hen die dit wenschen, hopen wij, dat het Gemeentebestur van ’s-Gravenhage die gelegenheid zal openen, door te zijner tijd het plan, met alle detailkaarten en perspectivische schetsen in het openbaar tentoon te stellen.
      Thans ging veel daarvan ons oog voorbij in den vorm van lichtbeelden, die elkaar vrij snel moesten opvolgen. Voor zoover zij naar potloodschetsen waren genomen lieten zij aan duidelijkheid te wenschen over, en door de onhandigheid van den operateur aan de projectielantaarn kwamen de beelden herhaaldelijk verkeerd, soms als onderstboven spiegelbeeld van het origineel, te voorschijn, zoodat de spreker zelf er soms moeilijk uit wijs kon worden.
      Ook dit verhinderde echter niet, dat de voordracht van het begin tot het eind met de grootste aandacht werd gevolgd.
      Alvorens tot de bespreking van zijn eigen ontwerp over te gaan vertoonde de heer Berlage eenige plattegronden van oude steden als: Brugge, Antwerpen, Milaan, Leiden, Brussel, Brescia. Daarbij werd met enkele woorden het ontstaan van een stadsplan in het algemeen besproken en erop ge-


[202]

202

wezen, hoe weinig in deze plattegronden van een aanleg volgens bepaalde denkbeelden te ontwaren is. Ook al kan men in enkele gevallen aannemen, dan aanvankelijk volgens een vast plan begonnen is, en al zijn daarvan nog sporen aanwezig, zoo bemerkt men toch, hoe nagenoeg overal de ontwikkeling van den plattegrond is beheerscht geworden, door toevallige omstendigheden. Toeval en nog eens toeval, het klinkt wel niet erg wijsgeerig, maar de spreker zal gedacht hebben, dat zijn auditorium wel begreep, dat hij deze uitdrukking alleen bedoelde als tegenstelling tegenover het, zoowel op practische als aesthetische overwegingen berustende, weldoordachte plan, waarin ook met omstandigheden, die zich in de toekomst zouden kunnen voordoen, rekening gehouden is.
      Zeker behoort de heer Berlage niet tot degenen, die een Fransch schrijver op het oog had, toen hij het woord „hasard” aldus verklaarde:
      „Ce mot n’exprime rien si ce n’est l’ignorance de celui qui s’en sert comme s’il exprimait quelque chose. Il n’y a point de hasard dans le monde, et même dans un sens secondaire, il n’y a point de désordre.”
      Hoe onregelmatig en verward ons dus ook de plattegronden van vele oude steden mogen voorkomen, wij mogen daarbij toch niet spreken van wanorde.
      Zooals de spreker terecht opmerkte is de zucht naar orde en regelmaat bij den redelijken mensch iets natuurlijks, waarvan hij niet zonder oorzaak afwijkt en zoo moet dan ook voor elke onregelmatigheid, die wij in een oud stadsplan aantreffen, een oorzaak bestaan.
      Die oorzaken aan te wijzen is in heel veel gevallen zeer moeilijk, de wetenschappelijke beoefening van den stedenbouw dagteekent nog slechts van betrekkelijk korten tijd, en de verklaring van dingen als de hierbedoelde zou zonden uitvoerige historische uiteenzettingen niet wel mogelijk zijn.
      Dat deze in een populaire voordracht voor een gemengd publiek niet op hun plaats zouden zijn geweest zal niemand betwisten, maar toch hadden wij wel gaarne gezien, dat de spreker iets uitvoeriger had stilgestaan bij de hoofdzaken, die den vorm van een stadsplan van den aanvang af beheerschen.
      Van vele oude steden is het bekend, of althans tot een zekere hoogte na te gaan, hoe zij ontstaan zijn.
      In vele gevallen was het de strategische beteekenis van het een of ander punt, die aanleiding gaf tot stichting van een sterkte of militaire nederzetting, waaromheen zich later een burgerlijke ontwikkelde. Later zijn het ook de geestelijke gestichten, kloosters en abdijen geweest, die den kern van dergelijke nederzettingen waren. Kruispunten van wegen, rivierovergangen, ankerplaatsen of natuurlijke havens zijn dikwijls van grooten invloed geweest op de keuze van de plaats en evenzeer de geschiktheid van de omliggende landstreek voor sommige bedrijven.
      Dan is nog van veel belang de gesteldheid en geaardheid van den bodem en blijkt het hoe deze vaak eerst in de tweede plaats in aanmerking is gekomen en hoe men zich dikwijls groote moeilijkheden getroost heeft, om op een bepaalde plaats te bouwen, hoe men moerassen daartoe geschikt gemaakt, rotsen uitgehouwen of bergen gedeeltelijk afgegraven heeft.
      Van al de overwegingen, die zich in een korter of langer tijdsverloop hebben doen gelden kan men in de plattegronden van oude steden de sporen terugvinden, van vele schijnbare toevalligheden kan men nog wellicht de oorzaken ontdekken en nieuwe phasen in de ontwikkeling der steden teekenen zich meestal vrij duidelijk in den plattegrond af.
      Maar het zou te veel gevergd geweest zijn van den spreker te verwachten, dat hij bij elke vertoonde plattegrond bij al deze punten zou hebben stilgestaan.
      Hij moest er zich toe bepalen, na de plannen voor voornamelijk in de middeleeuwen ontstane steden, er eenige te vertoonen, waarin de klassieke regelmatigheid der hoofdtoon voerde, zooals dit in steden der oudheid als Pompeji en Palermo, maar ook in de moderne steden Weenen en Parijs het geval is.
      Elk stadsplan bestaat, welbeschouwd uit niet anders dan pleinen en straten. De pleinen zijn het voornaamste en vragen het allereerst de aandacht van den ontwerper van een stadsplan, evenals de kamers van een huis. Hoeveel gewicht men reeds in de oudheid hechtte aan een doelmatigen en fraaien aanleg der pleinen, werd aangetoond met lichtbeelden van het Forum van Pompeji en dat van Athene. Ook de middeleeuwsche steden kunnen meestal op fraaie, hoewel niet altijd ruime, maar dikwijls zeer schilderachtige pleinen wijzen, zooals het Domplein te Hildesheim, het Domplein te Padua, de Piazza della Signoria te Florence en in de Renaissance- en Baroktijdperken zien wij weder de beginselen van pleinenaanleg uit de oudheid, de klassieke regelmatigheid toegepast, strenger somtijds dan in de oudheid zelf, toen men zich niet altijd slaafs aan de aslijnen hield. Welk effect echter bijna altijd met een regelmatigen aanleg verkregen kan worden toonen verschillende pleinen te Rome, Venetië, Rouaan, Nancy, Dresden, enz.
      Wat een tegenstelling toen, na de beelden dezer meerendeels beroemde pleinen, eensklaps een plan van een modern stadsgedeelte, geknipt uit den plattegrond van Charlottenburg, op het doek verscheen, waaraan gedemonstreerd kon worden hoe het in de negentiende eeuw met de practijk der stadenbouw gesteld was, niettegenstaande die eeuw toch ook wel kunstenaars opgeleverd heeft als Semper, die voor Dresden en Weenen pleinen ontwierp, die als grootsche concepties beschouwd mogen worden en ook in sommige andere steden als Leipzig en Luik wel wat beters tot uitvoering kwam.
      Wij mogen het betreuren, dat het type Charlottenburg, om het zoo eens te noemen, zonder daarmede te willen beweren, dat men het daar heeft uitgevonden, in onze moderne stadsgedeelten zooveel bedorven heeft, in elk geval heeft het uitsluitend gebruik van de teekenhaak bij het ontwerpen van stadsuitbreiding, ons in zijn betreurenswaardige gevolgen geleerd, dat het zoo niet langer ging. Toen heeft men gedacht, dat het alleen aan de rechte lijn lag en de toepassing der gebogen lijn uitredding zou brengen, maar dat hiermede alleen nog niet veel te bereiken was, kan ook met verschillende voorbeelden worden aangetoond. Eerst toen men verder terugging en ging vragen, waaraan de straten en pleinen in de oude stadsgedeelten hun schoonheid ontleenden, die zoo opvallend afstak bij de leelijkheid der nieuwere, eerst toen kwam men op den weg die tot verbetering zou leiden. Het is vooral Camillo Sitte, die dank zijn optreden op het


[203]

203

gunstige oogenblik, zich als wegwijzer in deze materie naam heeft gemaakt.
      Sitte heeft met veel scherpzinnigheid getracht de factoren op te sporen, waaraan de indruk, die de pleinen in oude, en wel in het bijzonder in middeleeuwsche, steden op den beschouwer maken, zijn ontstaan te danken heeft en dit is hem in vele gevallen gelukt.
      Het is, alhoewel men hem niet ten onrechte een zekere eenzijdigheid en vooringenomenheid ten aanzien van het schilderachtige verweten heeft, zijn groote verdienste een hoofdfactor te hebben aangewezen, welke men zou kunnen noemen die der geslotenheid. Wil een plein onze schoonheidszin bevredigen, dan moet het een afgesloten geheel zijn. Deze grondstelling is het, die de theorie van het gesloten stadsbeeld heeft doen ontstaan een theorie, die onoordeelkundig toegepast tot gezochte effecten kan leiden, doch zoo zij met oordeel des onderscheids in practijk wordt gebracht, in den stedenbouw, ook bij den aanleg van straten, als uitgangspunt goede diensten kan bewijzen. Immers ook in de straten verlangt het oog af en toe rustpunten en het was haast onnoodig ons nog met lichtbeelden te laten zien het verschil tusschen een straat, die het uitzicht heeft op eenig belangrijk bouwwerk en een waarvan de lijnen zich verliezen in een nevelig verschiet.
      Het spreekt van zelf, dat evenals dit met het beginsel van regelmatigheid en symmetrie het geval is, de ontwerper zich ook aan het beginsel der geslotenheid niet al te slaafs moet binden. Onregelmatigheden, die niet te vermijden zijn, late men bestaan, trachtte men vooral niet door gezochte kunstmiddelen weg te werken en het zal blijken, dat zij in de regel al zeer weinig hinderlijk zijn dikwijls zelfs bijdragen, om het eigenaardig karakter van het verkregen geheel te verhoogen, maar evenmin worde er naar gestreefd, om door opzettelijke onregelmatigheid een kunstmatige schilderachtigheid te verkrijgen.

(Slot volgt).