De Opmerker/Jaargang 52/Nummer 48/De Stijl

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Stijl
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 1 december 1917
Titel De Stijl
Tijdschrift De Opmerker
Jg, nr, pg 52, 48, 377-378
Opmerkingen Bespreking van het eerste nummer van De Stijl; bevat citaten van Theo van Doesburg
Genre(s) Proza
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein
Logo Wikipedia
Meer over De Stijl op Wikipedia

[377]


[...]


De Stijl


      Maandblad voor de Beeldende Vakken. Redactie Theo van Doesburg. Uitgave X. Harms Tiepen.
      Volgens een aankondigingsbericht, waarschijnlijk van den uitgever, beoogt dit maandblad, „de lezers op de hoogte te houden met de ontwikkeling van het nieuwe streven in de Beeldende kunsten (architectuur, schilder., beeldhouwkunst en kunstnijverheid)”.
      „De voornaamste binnen- en buitenlandsche moderne kunstenaars zetten hierin hunne beginselen uiteen.
      Ieder nummer bevat minstens één reproductie als losse bijlage op kunstdrukpapier.”
      „Het eerste nummer bevat artikelen van Piet Mondriaan, B. v.d. Leck, J.J.P. Oud, Antony Kok e.a. met twee bijlagen.”
      In het tweede nummer, dat 1 December verschijnt, vangt o.a. een artikel aan van Gino Severini, en begint „Vilmos Huszàr zijn vergelijkende aesthetische studies”.
      De voornaamste binnen- en buitenlandsche moderne kunstenaars, dat wil wat zeggen en wij zouden wel eens willen weten aan welke eischen men voldoen moet, om daartoe gerekend te worden. Wellicht krijgen we daar een denkbeeld van uit hetgeen zij ons in dit maandblad over hun beginselen zullen mededeelen.
      Laat ons echter beginnen met hetgeen de Redactie ter inleiding in het eerste nummer schrijft en trachten ons daaruit een voorstelling te vormen van de bedoeling der nieuwe uitgave.
      Wij lezen dan:
      „Dit tijdschriftje wil zijn eene bijdrage tot de ontwikkeling van het nieuwe schoonheidsbewustzijn. Het wil den modernen mensch ontvankelijk maken voor het nieuwe in de Beeldende Kunst. Het wil tegenover de archaïstische verwarring — het „moderne barok” — de logische beginselen stellen van een rijpenden stijl, gebaseerd op zuivere verhouding van tijdgeest en uitdrukkingsmiddelen. Het wil de huidige denkrichtingen betreffende de nieuwe beelding, die, hoewel in wezen gelijk, zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hebben, in zich vereenigen.”
      Wat is schoonheidsbewustzijn? Wij weten het niet en vernemen het ook niet, maar er schijnt ook een oud schoonheidsbewustzijn te bestaan of te hebben bestaan, anders heeft het geen zin, van een nieuw te spreken. Maar wanneer dit zoo is, dan is schoonheidsbewustzijn iets, dat niet aan tijd gebonden is en kan men weer niet oud en nieuw daarin onderscheiden, doch alleen het aanwezig zijn, of niet aanwezig zijn daarvan. Nu moeten wij onder schoonheidsbewustzijn wellicht verstaan, onberedeneerd schoonheidsbegrip, en dat dit in onzen tijd ontbreekt, dat is vrijwel algemeen bekend aan allen, die nog eenig begrip van schoonheid hebben, of meenen te hebben.
      Het nieuwe tijdschrift wil dus den modernen mensch weder schoonheidsbegrip bijbrengen, hem daarvoor ontvankelijk te maken.
      Voorwaar een schoone, doch zware taak, want wanneer hij nu eens niet ontvankelijk blijkt, is er veel kans, dat het een ijdel pogen wordt. Maar laat ons niet pessimistisch zijn en hopen, dat het den vakman gelukken moge het schoonheidsbewustzijn bij den leek wakker te maken.
      De werkelijk moderne. — d.i. bewuste, — kunste-


[378]


378

naar, met deze definitie is waarschijnlijk bedoeld de kunstenaar, die precies weet, wat hij wil, die zich en anderen van al wat hij doet precies rekenschap weet te geven en voor hem is een dubbele roeping weggelegd. Ten eerste: het rein-beeldende kunstwerk voort te brengen.
      Dit is volkomen duidelijk, op het bijvoeglijk naamwoord „rein-beeldend” na, waarvan de beteekenis nog eenigszins in het duister ligt, maar wellicht later opgehelderd zal worden. Dat des kunstenaars roeping is het kunstwerk voort te brengen, zal wel door niemand ontkend worden en wanneer hij die roeping volgt, heeft hij, zouden wij zeggen, genoeg te doen en doet hij ook als kunstenaar genoeg.
      Waarom moet hem nog een tweede roeping worden opgedrongen? Een tweede roeping, die hem slechts kan afleiden van het ongestoord volgen van de eerste. Wanneer het hem niet gelukt, door het kunstwerk zelf, het publiek voor de schoonheid van zijn kunst ontvankelijk te maken, vreezen wij, dat het ook door andere middelen niet gelukken zal. Het maakt in dit geval weinig uit, of de fout bij het publiek of bij den kunstenaar ligt, men vergete niet dat beide mogelijk zijn; zoo goed als er een publiek en een tijdgeest zijn, die den kunstenaar niet begrijpen, zijn er ook kunstenaars, die vreemd staan tegenover het publeik en hun zijn.
      In dit tijdschrift nu bedoelen de moderne kunstenaars, zich in nader contact met het publiek te stellen, door middel van het geschreven woord en de reproductie van het kunstwerk, maar in hoofdzaak door het woord.
      Door het woord hoopt men het vooroordeel, als zou de moderne kunstenaar volgens vooropgestelde theoriën werken, te doen verdwijnen. Inderdaad is er voor dit vooroordeel wel eenige grond, althans het laat zich wel verklaren. Immers de moderne kunstrichtingen zijn elkander betrekkelijk snel opgevolgd, te snel blijkbaar, en het publiek daarvoor zonder meer ontvankelijk te maken, iets waarvoor altijd een eenigszins langdurige inwerking noodig is. Dit heeft de kunstenaars er toe genoopt de inwerking hunner kunst te bevorderen en te bespoedigen, door propaganda met andere middelen. De openbare kritiek werd daarbij te hulp geroepen en verleende welwillend hare medewerking, doch zij kon niet voorkomen, dat een door haar gepropageerde nieuwe kunstrichting spoedig door een nieuwere werd verdrongen. Veel steun ondervond de moderne kunstenaars dus op den duur niet van de openbare kritiek; zij bleef in gebreke het tekort aan schoonheidsontvankelijkheid voor de abstracte kunstopenbaring aan te vullen, zooals in het woord ter inleiding gezegd wordt.
      Wat onder de abstracte kunstopenbaring verstaan wordt, daarbij zullen wij weder niet stilstaan, ook dit zal wellicht later blijken, alleen, het zal wel waar zijn, dat de openbare kritiek te dien opzichte in gebreke is gebleven. Zij heeft waarschijnlijk nog geen tijd gehad, er zich mede bezig te houden en is misschien eenigszins angstvallig er zich mede in de laten op grond der in de laatste jaren opgedane ervaringen.
      Kunstkritiek is een hoogst ondankbaar werk bij een publiek, dat in de eerste plaats voor kunst in hooge mate onverschillig is en in de tweede plaats door de tegenstrijdigheid van de uitspraken der kritiek gedurig in de war gebracht wordt. Wij schrijven daaraan ook de begripsverwarring, het vooroordeel, toe, waarvan hier gesproken wordt.
      Wanneer de moderne kunstenaars er in slagen, op de wijze zooals zij zich dat voorstellen, bij het publiek de begripsverwarring, het vooroordeel, weg te nemen, dan zouden wij ons bijna kunnen vereenigen met het middel, dat zij er nu voor hebben aangegrepen, het woord. Wij blijven echter vooralsnog bij onze meening, dat het een veeg teeken voor de kunst beduidt, wanneer de kunstenaars, om begrepen te worden, bij hun werk een toelichting in woorden, een gebruiksaanwijzing, moeten geven.
      De abstracte kunstopenbaring, wij meenen wel in zoover te weten wat zijn bedoelt, om te kunnen vaststellen, dat zij de voorstelling van de natuur in het algemeen verwerpt, de symbolische voorstelling, de voorstelling van het gemoedsleven en van den hartstocht. Dit maakt, dat zij voorloopig weinig kans heeft, begrepen te worden door een groot deel van het publiek, dat, voor een kunstwerk staande, allereerst vraagt, wat het voorstelt. Slechts een kleine minderheid zal ontvankelijk blijken voor de beginselen, die voortvloeien uit den beeldenden arbeid dezer moderne kunstenaars. Dit moge voor hen voldoening genoeg zijn, gelijk menig profeet tevreden is, wanneer het hem gelukt een kleine gemeente van volgelingen bij elkander te krijgen, maar evenmin als dit laatste veel invloed heeft op het religieus bewustzijn van het publiek, beteekent zulk een kleine kunstgemeente veel voor de opwekking van het schoonheidsbewustzijn, die o.i. algemeen moet zijn, om voor de samenleving vrucht te dragen, in den vorm eener verdiepte kunstcultuur.
      Men is geneigd te vragen of het niet wat ver gaat, naar een verdiepte kunstcultuur te streven in een samenleving, die momenteel absoluut geen kunstcultuur meer heeft en mitsdien ook geen stijl. Wij zullen er echter de moderne kunst geen verwijt van maken, dat zij haar doel te ver en haar idealen te hoog stelt.
      Evenwel voor den modernen kunstenaar is het, meer dan voor die van het voorgeslacht gewenscht, zijn aandacht te schenken aan de dingen in zijn onmiddellijke omgeving en dat de Redactie daarvoor niet blind is blijkt uit het slot van de inleiding, waarin zij zegt:
      „Zoodra de kunstenaars in de verschillende beeldende vakken tot de erkenning zullen komen, dat zij in principe aan elkaar gelijk zijn, dat ze eene algemeene taal te spreken hebben, zullen ze niet meer angstvallig vasthouden aan hunne individualiteit. Zij zullen aan gene zijde eener beperkende individualiteit het algemeene principe dienen. Het algemeene principe diendende zullen zij vanzelf een organischen stijl moeten voortbrengen. Voor de verspreiding van het schoone is niet een sociale, maar eene geestelijke gemeenschap noodzakelijk. Eene geestelijke gemeenschap kan echter niet ontstaan zonder opoffering van eene eerzuchtige individualiteit.”
      „Slechts bij consequente doorvoering van dit beginsel kan, uit eene nieuwe verhouding van kunstenaar tot samenleving, de nieuwe beeldende schoonheid zich in alle voorwerpen als stijl gaan openbaren.”
      Ook dit slot, en niet minder de verdere inhoud dezer eerste aflevering van „de Stijl” leveren nog stof te over op voor opmerkingen, die wij evenwel voor een volgend nummer bewaren.