De Sonnetten van Shakespeare

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Sonnetten van Shakespeare

Auteur William Shakespeare
Genre(s) Poëzie
Brontaal Engels
Datering 1609
vertaling 2009-
Vertaler Jules Grandgagnage
Bron Vertaaldegedichten
Auteursrecht CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Meer over De Sonnetten van Shakespeare op Wikipedia

De Sonnetten van Shakespeare (1609)

naar het Nederlands vertaald

door Jules Grandgagnage (2009-)

Sonnet 1

Een mooie mens moet ons zijn kinderen geven,

Zijn gratie mag niet als een roos vergaan, 

Het is het kind dat hem doet verder leven

Als hij allang van ons is weggegaan.

Maar jij, gevangen door je eigen beeld,

Jij voedt je vlam met eigen vlees en wezen

Tot niets ons rest, niets dat je hebt gedeeld.

Je zoete zelf hoeft slechts zichzelf te vrezen.

Je siert de aarde als een frisse blom,

De bode van een kakelbonte lente,

Je eigen knop blijft echter dicht en stom

Jij lieve dwaas, bewaart het als een krent.

  Verteer jezelf en wat de wereld toebehoort

  niet in het graf, het ware kindermoord.


Sonnet 2

Na veertig winters, je gezicht doorploegd

Van tijd en weer waar is je schoonheid nu?

Versleten als een kleed dat je eens droeg!

Verdwenen met je praal, jij parvenu!

Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen,

Als iemand er om vraagt dan weet je 't niet.

Of wijs je dan op je verzonken ogen,

Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet?

Een zonde is het dat je zo verspilt

Wat voor je toekomst zoveel had betekend.

Als je kon zeggen:dit kind heb ik gewild,

Het gaf een zin en richting aan mijn leven:

  Zo vindt je bloed een warme levensstroom,

  Waar anders koude wacht als stervensloon.


Sonnet 3

Wat zegt de spiegel waar je nu in kijkt?

Dat je gelaat nu gauw een ander maakt,

Voordat je eens geroemde schoonheid wijkt.

Een dief ben je als je hierin verzaakt.

Want waar is zij wier ongebruikte schoot

Het planten van jouw schone zaad versmaadt?

En wie is die narcist die in de dood

Ons in zijn zelfzucht geen kind nalaat?

Je bent je eigen moeders spiegelbeeld,

En in jouw jeugd ziet men haar schoonheid prijken:

Zo zal ook jij door ouderdom vereelt

Doorheen je rimpels naar jezelf kijken.

  Maar ben je met dit leventje tevree,

  Sterf dan eenzaam, en neem je schoonheid mee.


Sonnet 4

Waarom verspil jij dit legaat alleen?

Jouw schoonheidserfenis duurt slechts één leven.

Wat je bezit gaf de natuur in leen,

Met gulle hand, aan hen die zelf geven.

Ik snap niet dat een vrek met mooie snoet, 

Van haar royaal geschenk zo misbruik maakt,

Die som op som leent waar hij niets mee doet,

En toch niets vindt dat hart en leven raakt.

Wie slechts zichzelve mint in het verkeer

Verraadt daardoor zijn eigen mooie ziel,

Want, komt de laatste dag, hoe haal je eer,

Als je niets nalaat, want je bleef steriel?

   Je onbenutte schoonheid sterft in ‘t graf

   Tenzij je die op tijd aan anderen gaf.


Sonnet 5

Dezelfde uren die met zachte handen

Jouw aanblik vormden tot ons oogfestijn,

Zullen daarop tekeer gaan als tirannen,

Tot alle schoonheid in die blik verdwijnt.

Want slapeloze Tijd drijft zomer voort

Naar gruwelijke winter, en bedwingt

Het sap met vorst, die ‘t groene blad vermoordt,

Gratie sterft waar barre sneeuw nu blinkt.

Ware het niet dat ‘s zomers distillaat

Haar overleeft, gevangen in het glas,

Dan zou noch haar parfum, noch haar gelaat

Ons nu herinneren aan wat ze was.

  Zelfs als de vorst het bloemschoon heeft vernield,

  Leeft nog het zoet parfum dat haar bezielt.


Sonnet 6

Laat toch niet toe dat winters ruwe klauw

Je zomer sloopt voor je hem distilleert.

Vul voor je sterft fiool met zoete dauw

Die ons je schat aan schoonheid conserveert.

Wat je dan wint dat is geen woekerwinst,

Als wie ontleent aan jou graag vrucht betaalt,

Je eigen evenbeeld dat wordt je kind

Of beter nog het geluk tienmaal herhaald;

Tienmaal gelukkiger dan je hier staat

Als tien van jou tienmaal je beeltenis wint,

Want wat vermag de dood zo je ons verlaat

Als elk kind ons met jouw beeld verbindt?

  Wees niet zo eigenwijs, je bent te mooi

  En noch voor dood of worm geschikte prooi.


Sonnet 7

Aanschouw hoe in het oosten goddelijk licht

Het brandend hoofd verheft en ieder wezen

Zijn ogen baadt in 't majesteitelijk zicht,

Als eerbetoon aan 't vuur dat is herrezen.

Bij het volbrengen van zijn steile klim,

Zijn jonge kracht verspillend in zijn vaart,

Bewondert ieder sterfelijk oog die pelgrim

Op zijn onstuimig gouden bedevaart.

Maar in het zenit eindt zijn heldentocht

En wacht hem slechts de daling naar de nacht,

En elke blik die hem daarnet nog zocht

Kijkt weg van deze grijsaard zonder kracht.

  Als jij zo verder leeft wordt dit je loon,

  Je sterft onbekend, of maakt een zoon.


Sonnet 8

Je hoort muziek maar droefheid treft je ziel;

Heeft zoet of vreugd dan ooit zichzelf geweerd?

Waarom bemin je wat je mijden wil,

Of neem je met plezier aan wat je deert? 

Als het akkoord van zoetgevooisd gepraat 

In harmonie vereend jouw oor niet streelt,

En jij hun zoete unisono versmaadt

Klinkt zacht verwijt omdat je eenzaam speelt.

Hoor toch hoe elke snaar, als zielenbroeder

Naar orde voor en door de andere klinkt

Als waar het koning, kind en blijde moeder,

Verbonden in één mooie stem die zingt,

  Wier woordeloze lied, met velen één,

  Verzucht : "Niets ben je, want je bent alleen".


Sonnet 9

Is het uit vrees voor droeve weduwtraan

Dat je jezelf verteert in eenzaamheid?

Ach, weet dat als je kinderloos zou gaan

Dan wordt de wereld als een vrouw die lijdt

Een weduwe gelijk die maar blijft huilen

Omdat geen beeltenis van jou haar rest

Troost haar door in een kinderoog te schuilen 

Zo blijft je vorm in haar geest geschetst.

Geef uit wat je belieft, jij kwistig heer,

De wereld heeft het nog, ‘t maakt geen verschil;

Maar schoonheid die je spilt komt nooit meer weer,

Hij doodt haar die haar niet gebruiken wil.

  Geen liefde huist er in dat hartenbloed

  Van wie zijn werelds schoon in schand verdoet.


Sonnet 10

Het is een schande dat je niemand mint

En onbekommerd bent om eigen heil;

Dat velen van je houden is niet verdiend,

Want voor een ander heb je zelf niets veil.

De dodelijke haat die je bezielt

Verandert jou in eigen moordenaar

Die ‘t trotse dak boven zijn hoofd vernielt,

Terwijl ‘t zijn zorg moest zijn het te bewaren.

Verander jezelf en zo ook mijn opinie!  

Of schenk je haat een mooier huis dan min?

Wees als je aanschijn schoon en vol van gratie

En duld in ‘t minst dat goedheid je herwint:

  Maak dus een ander zelf dat mij behaagt,

  Die al wat schoon en goed was verder draagt.


Sonnet 11

Wat snel verwelkt groeit weer in nageslacht,

Als deel van jou uit wat jou heeft verlaten

Met 't  jonge bloed, door jong bloed voortgebracht

Als jij je jeugd al lang hebt losgelaten.

Zo doet wie wijs is en hij blijft bestaan,

De dwaas kiest kille ouderdom en sneven.

Dacht iedereen zo, dan zou de tijd vergaan

En eindigde de wereld na één leven.

Want wie niet schenkt wat de natuur hem vraagt

Zal spoorloos kwijnen zonder evenbeeld.

Jij bent de gunsteling die zij behaagt

En gul gegeven dient ook gul gedeeld.

  Ze maakte jou haar zegel en wacht verrukt

  Naar meer van jou, als je andere zelven drukt.


Sonnet 12

Hoor ik de klok die uur na uur vermaalt

En zie ik heldere dag vergaan in nacht,

Viooltjes na hun tijd de strijd opgeven,

En zilveren haren woekeren in het zwart;

Zie ik geboomte van zijn blad beroofd

Dat eertijds lommer aan de kudde bood,

En zomergroen, nu schoof aan schoof gebonden,

Als opgebaard met witte stoppels weggedragen,

Dan voel ik vrees dat eens de tijd je schoon

Zal treffen tot er niets van overblijft,

Want al wat lief en schoon is gaat teloor,

En sterft zo snel als t' anderen ziet bloeien;

   De zeis des tijds kent geen verweer, tenzij

   Je kinderen maakt en zo de dood trotseert.


Sonnet 13

O was je jezelf van heel je zelf, maar lief,

Het duurt zolang dat je hier zelf bent.

Als dus het einde komt, wees dan bereid,

En schenk je zoete aanschijn aan een ander.

Zo blijft het schoon dat je nu leent bewaard

En word je weer jezelf als na je dood

Je zelf is heengegaan; als wat je voortbrengt

Drager wordt van wat je zelf eens droeg.

Wie laat een huis ten prooi aan het verval

Dat onder goed beheer nog trots zou staan

Te midden wintervlagen, stormweer 

En rauwe woede van de kille dood?

   Enkel verkwisters! Mijn liefste lief, 't is schoon

   Dat je een vader had: gun dit je zoon. 


Sonnet 14

Mijn oordeel lees ik niet uit sterrenstand

En toch heb ik verstand van deze kunst,

Maar niet als wichelaar van het fortuin,

Noch over plaag, seizoen of hongersnood;

Ik zeg niet waar het lot precies toeslaat,

Wanneer diens donder, bui of wind begint,

Of sus geen prinsen dat het goed zal gaan

Omdat ik tekens aan de hemelen vind.

Mijn kennis haal ik uit jouw mooie ogen,

In hen, mijn vaste sterren, lees ik hoe

Trouw en schoonheid zullen samengaan

Als je niet slechts in zelfzucht belegt.

   Want anders kan ik je precies voorspellen

   Dat met jou 't ware en het schoon zal sterven.


Sonnet 15

Als ik bedenk dat al wat groeit en leeft

Slechts tijdelijk bloeit en zijn perfectie toont,

En dat de wereld als een podium is

Dat de sterren in het geheim besturen,

Bemerk ik dat de mens groeit als een plant,

Door 't hemels plan gestuwd of afgeremd

Eerst trots op het stromen van zijn sappen, later

Kwijnend tot zijn jeugd vergeten is,

Dit roept, in het besef hoe kort dit duurt,

Bij mij het beeld op van je jonge kracht

Waarover tijd en neergang zich beraden

Om jouw dag in nacht te doen verkeren,

   Mijn liefde strijdt met d' almacht van de tijd

   Door wat hij rooft in verzen terug te geven.


Sonnet 16

Waarom voer je niet zelf een heviger strijd

Tegen de tijd, die bloederige tiran?

Probeer met beter middel bederf te weren

In plaats van te vertrouwen op mijn rijm.

De zon van je jeugd staat nu krachtig aan de hemel,

Boven zedig ongerepte tuinen 

Die jouw gezaaide bloemen willen dragen,

Met trouwer beeltenis dan je portret.

Zo heelt de levenslijn uit jou ontstaan

De scherpe lijnen die de tijd jou gaf.

Niets van je geest of aanschijn blijft bewaard

Dat je herinnering kan levend houden,

   Alleen door geven blijf je zelf leven,

   En door met eigen kunst jezelf te tekenen.


Sonnet 17

Zou iemand waarheid vinden in dit vers

Als het ons sprak van al jouw hoogste waarden?

God weet nochtans dat 't slechts een tombe is

Waarin jouw leven maar gedeeltelijk schuilt.

Zelfs als ik wist jouw ogen te beschrijven

Of maat te nemen van je vele charmes,

Dan zegt men later: 'Wat een leugenaar, 

Zo schoon dat is geen enkel aards gezicht'.

Zo worden schrijfsels geel van ouderdom,

Gehoond als grijsaards die bedrog verspreiden,

Jouw deugd geraaskal van een dwaas poëet

In vergezocht en ouderwets gerijm.

   Maar leeft een kind van jou tegen die tijd

   Tweevoudig leef je dan: in zoon en rijm.


Sonnet 18

Een zomerdag is jouws gelijke niet,

Niets is er dat jouw schoonheid overtreft.

Een knop in mei is weg voor je hem ziet

En het is winter voor je het beseft;

De zon? Die is te fel en veel te heet,

En is z' er wel, dan hangt ze achter wolken

En andere mooie dingen, voor je het weet,

Zijn die door ouderdom of ongeluk verzwolgen.

Als jij een zomer bent, dan ben jij eeuwig,

De schoonheid die je hebt zal nooit vervagen,

Zelfs in de dood zal niemand jou bewenen,

Want dit gedicht zal heel jouw wezen dragen:

  De poëzie draagt verder dan het leven,

  Zolang zij verder leeft, zal jij niet sneven.


Sonnet 19

Verslijt, verterende tijd, de leeuwenklauw

En laat de aarde haar zoete broed verzwelgen;

Trek tanden uit de kaken van de tijger,

Veras de feniks in zijn eigen bloed.

Laat de seizoenen vlieden, goed en kwaad,

Doe wat je wil, snelvoetige, de wereld

En haar vluchtig goed buigt naar je wil.

Maar spaar me van éen gruwelijke daad:

Kerf niet je uren in zijn mooi gelaat,

Noch kras met oude pen er lijnen in.

Laat hem onaangeroerd in je passage

Als het patroon voor later mannelijk schoon.

   Doe, oude tijd, maar wat je kan, je leed

   Deert niet dit vers waar liefde eeuwig leeft.


Sonnet 20

Een vrouwengezicht, door de natuur geschilderd

Heb jij, hoogste gebiedster van mijn hart,

Een zachte vrouwenboezem, maar niet gehinderd

Door valse grillen waar zij ons mee verwart,

Een oog zo helder maar met vaster kijk,

Verguldt eenieder ding waar het op rust;

Een man met elke vorm en kleur verrijkt

Die mannenoog bekoort en vrouwenziel verrukt.

Als vrouw werd je aanvankelijk geschapen,

Tot de Natuur, verliefd op wat ze maakte,

Jou dat ding schonk waardoor ik ben verslagen,

Iets zonder doel voor mij, en zonder waarde.

   Ze maakte je om vrouwen te plezieren,

   Ga met mij liefde en met hen driften vieren.


Sonnet 21

Mijn pen wordt niet beroerd zoals bij hem

Die ieder opgemaakt gezicht bezingt,

En zelfs niet schuwt de hemel erbij te roepen

Om eigen vers met ornament te sieren:

Met maan en zon, met aarde en met zee,

Met elk rijk juweel wordt jij gepaard;

Met d' eerst geboren bloemen van april,

Met al wat schaars is onder dit gesternte.

Mijn lief, laat mij naar waarheid jou beschrijven,

Want ware liefde duldt geen vals gerijmel:

Je bent zo schoon als ieder moeders kind

Maar stralen als een ster, dat doe je niet.

   Wie meer wil zeggen moet dat zelf maar weten,

   Wat geen prijs heeft hoeft ook niet geprezen.


Sonnet 22

Geen spiegel toont hoe oud ik werkelijk ben

Zolang jouw jeugd je niet verlaten heeft;

Maar zie ik hoe de tijd jou diepe rimpels geeft

Beschouw ik ook het einde van mijn dagen.

Want meer nog dan jouw schoonheid jou omkleedt,

Omhult ze heel mijn hart; Zij leeft in jou

Alsof zij in eenzelfde boezem woont.

Wie zegt dan dat ik ouder ben dan jij?

Mijn lief, draag zorg, je bent ons beider hoeder

Zoals ook ik jouw hart in zorg zal dragen

Niet voor mezelf, maar als een zachte voedster

Die haar kind voor kwaad behoeden wil.

   Verwacht niets terug als je mijn hart laat kwijnen,

   Het hart dat je gegeven hebt is het mijne.


Sonnet 23

Een dwaas acteur lijk ik, die op 't toneel

Door plankenkoorts zijn tekst vergeten is,

Of een wild dier verlamd door eigen drift

Waar 't hart bezwijkt door overvloed van kracht,

Zo voel ik me, te angstig om te spreken.

Wijl liefdesritus toch om woorden vraagt,

Sta ik te stamelen ondanks mijn passie,

Of zwijg, verpletterd onder liefdes macht.

Laat dan mijn blikken zo welsprekend zijn

Als stomme bodes van mijn roepend hart,

En om jouw liefde smeken, vervoerender

Dan ooit een mensentong vermocht te spreken.

   Leer wat mijn liefde is uit wat ik schrijf

   En luister met je ogen zolang ik zwijg. 


Sonnet 24

Mijn oog. dat schilder werd, maakte op 't canvas

Van mijn hartenkamer jouw portret,

Mijn lichaam is de lijst waarin het leeft

Het is je beeltenis, tot kunst verheven.

Door kunstenaarshand geleid ben je in staat

Dit ware beeld van jou in mij te vinden,

Dat in mijn hart, mijn werkkamer, hangt,

Waar ramen lichten door jouw ogenstraal.

Zie hoe ons beider ogen elkaar baten:

Mijn ogen tekenden je vorm, de jouwe

Zijn ramen in mijn borst waardoor in lust

Naar jouw portret de zon naar binnen gluurt.

   Hoe mooi ook ogenkunst schetst wat ze ziet

   Zij tekent slechts, maar kent het hart toch niet.


Sonnet 25

Laat hen wier sterren gunstig staan maar pralen

Met titels en publiekelijk eerbetoon,

Terwijl ik, die nooit eer wist te behalen,

Geniet van wat ik heb, zonder vertoon.

Geëerd door prinsen spreiden zij hun blad

Net als de goudsbloem naar het zonneoog,

Zo graven zij hun trots een donker gat

Want in een wenk is al hun roem verdroogd.

Zelfs helden met roemruchte reputatie 

Die op het slagveld duizend zeges streden

Zien naam en eer geschrapt uit 't boek der gratie,

En waar ze ooit om zwoegden wordt vergeten:

   Maar onze liefde heeft ons nooit bedrogen,

   Want wij zijn zelf beweger en bewogen.


Sonnet 26

Gebieder van mijn liefde, in leenmanschap

Heeft uw verdienste mijn plicht aan u gebonden

Uit dienstbaarheid richt ik aan u dit schrijven,

Niet om mijn geest in eigen kunst te tonen.

Een plicht zo groot dat mij de geest ontbreekt

Om uit te drukken wat zij voor mij betekent;

Ik kan slechts hopen dat u dit schamele dichtsel

In uw grootmoedigheid bewaren zal,

Tot eens een ster mij gunstiger bestraalt

En ik geleid door hogere inspiratie

Dit stamelend vers in zijn te kaal gewaad

U waardig maak en uw respect herwin.

   Uit liefde voor u zal ik u dan luidop loven;

   Zolang vermijd ik het vorsen van uw ogen.


Sonnet 27

Van het reizen moe haast ik me naar mijn bed,

Voor langverbeide rust strek ik mijn leden,

Maar dan krijg ik mijn hoofd niet afgezet,

Het gaat dan zelf op reis ondanks mijn beden.

Want mijn gedachten willen niet bedaren,

En reizen terug naar waar jij bent gebleven;

Mijn zware ogen dwingen ze tot staren

Tot in de nacht jouw beeld komt aangedreven.

Aan blinde ogen toont verbeeldingskracht

Jouw schaduw, die daar hangt als een juweel

Dat luister geeft aan gruwelijke nacht,

En hem verjongt en zacht maakt als fluweel.

   Zo vindt mijn lijf bij dag geen vree door lust

   En 's nachts gun jij mijn geest en mij geen rust.


Sonnet 28

Hoe wordt de wonde van mijn reis verzacht

Als me de rust ontzegd wordt die me heelt?

Als dwingelandij van dag niet slaapt bij nacht

En dag mijn nacht en nacht mijn dag verspeelt.

Als zij, die nochtans elkaars vijand zijn,

Hun krachten bundelen voor mijn tortuur

Geeft d' een labeur, de andere chagrijn

Omdat de reisweg lengt van uur tot uur.

De dag vertel ik om zijn gunst te werven

Dat als de wolken dreigen je zijn glans verlicht,

En evenzo vlei ik de nacht als sterren

Even helder schitteren als jouw aangezicht.

   Maar elke dag groeien mijn zorgen meer,

   En zorgt de nacht voor langer hartenzeer.


Sonnet 29

Verdoemd door het lot en door de mens verlaten

Beween ik eenzaam mijn ellendigheid

En krijs mijn ijdele klacht ten doven hemel

Minacht mezelf en vloek om wat ik ben,

Verlangend hem te zijn die alles heeft,

Rijk aan hoop, met schoonheid en met vrienden,

Door afgunst om diens kunst, diens macht of lief

Vergeet ik het genot van wat ik heb:

Maar zelfs nu ik mezelf hierom veracht,

Klimt als ik blij aan u denk mijn gemoed

Gelijk een leeuwerik in de dageraad

Die vrij van d'aarde zingt aan d' hemelpoort;

   Zo rijk maakt mij d' herinnering aan uw liefde 

   Dat ruil met 's koningstroon mij zou verarmen.


Sonnet 30

Wanneer ik verzonken in troostgevende gedachten

Terugdenk aan het verleden,

Betreur ik mijn falen in alles wat ik wilde bereiken,

En ik herinner me met spijt hoe ik mijn beste jaren verspilde:

Dan kan ik huilen, hoewel ik huilen niet gewend ben

Huilen om lieve vrienden, nu verborgen in de eindeloze nacht van de dood,

Huilen om ellende die allang genezen was,

En om het verlies van vele dingen die ik heb gezien en liefgehad:

Dan kan ik weer treuren om voorbije smarten,

En voor mezelf mijn ellende weer doorleven

Alsof ik nooit de droeve rekening van smarten

had betaald, betaal ik ze nu opnieuw.

   Maar als ik in die droefheid aan je denk, mijn lieve vriend,

   Vergoedt dit mijn verlies en eindigt mijn verdriet.


Sonnet 31

In uw boezem kloppen alle harten

Waarvan ik dacht dat ze gestorven waren

Daar heersen liefde en haar liefdesdelen,

En al die vrienden die ik begraven dacht.

Hoe menig heilige traan werd mij ontstolen

Door vrome liefde die berustend weent,

Als schatting die men aan de doden geeft,

Maar zij zijn slechts verhuisd naar uwe boezem.

U bent het monument waar zij nog leven,

En bergt trofeeën van mijn voorbije liefdes,

U kreeg het deel dat eens mij toebehoorde,

En allen zijn verplicht aan u alleen.

   In u zie ik het beeld van hen die ik liefhad

   En heel ons wezen zit in u vervat.


Sonnet 32

Als jij mij overleeft en ik ben geest,

En 't stof der dood reeds lang mijn botten aardt,

Wanneer jij dan mijn verzen overleest,

Die sukkelrijmen van je dode minnaar,

Leg ze dan naast het beste van die tijd,

En ook al zingt dan iedere pen veel fraaier,

Bewaar ze voor mijn liefde, niet voor het rijm,

Want daarin zullen velen beter zijn.

O, Gun me dan deez' troostende gedachte:

'Had hij nog maar geleefd, met sterker muze,

Dan zou zijn liefde sterker verzen baren,

En hem verheffen tot de hoogste rang.

   Maar daar hij stierf op laag dichterspeil,

   Lees 'k hem om liefde, de anderen voor de stijl.'


Sonnet 33

Hoe vaak zag ik de glorie van de ochtend

Met vorstelijk oog de bergtoppen vleien,

De weiden baden in 't verguld gezicht,

En bleke stroom met alchemie doen schitteren, 

Maar spoedig duldt dat 't hemels aangezicht

Versluierd wordt door grauwe rijen wolken.

Hoe ‘t zonlicht dan ‘t ellendig oord ontvlucht

En westwaarts vliedt ver van de grauwe schande.

Zo scheen de glorie van mijn eigen zon

Op mijn gezicht in zijn verheven luister,

Helaas, hij was slechts voor een uur de mijne,

Een donkere wolk verbergt hem nu voor mij.

  Mijn liefde echter matigt niet hierom,

  Wat geeft het als zelfs 't hemelsoog soms duistert?


Sonnet 34

Waarom toch zei je: "'Het wordt een mooie dag"

en liet me zonder jas naar buiten gaan

hoewel een zware wolk te wachten lag,

wiens vuile nevel jouw glorie liet vergaan?

'‘t Volstaat niet dat je door de wolken breekt

om mijn door storm doorweekt gelaat te drogen;

Geen mens roemt balsem die slechts wonden heelt

en niet de schande, die zij blijft gedogen.

Mijn leed wordt door jouw wroeging niet verlicht,

en dit vertoon maakt mijn verlies niet goed,

Al ben jij, dader, voor berouw gezwicht,

het kruis blijft zwaar dat ik nu dragen moet.

  Maar ach, je tranen zijn als liefdesparels

  zo rijk dat ze betalen voor jouw slechte daden.


Sonnet 35

Treur niet om wat je me hebt aangedaan.

want rozen hebben doorns, fonteinen slijk,

eclips en wolk duisteren zon en maan,

en bloesemknop wordt door de worm ontwijd.

Ik faal als ieder mens en 't zal me spijten

nu ik rechtvaardiging zoek voor wat jij deed:

‘k bederf mezelf door zo voor jou te pleiten

omdat mijn pleit jouw zonde overtreedt.

De fout van jouw wulpse lusten bestrijd ik met rede,

Jouw hoogste dager is jouw advocaat

die zich in zijn pleidooi ook schuldig weet.

Verscheurd ben ik in strijd tussen liefde en haat,

  omdat jij, zoete dief, mij medeplichtig maakt

  aan wat jij mij ontroofde door je daad.


Sonnet 43

Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik u het scherpst,

Terwijl bij dag zij achteloos naar alles kijken, 

Maar als ik slaap beschouwen z' u in dromen,

En lichten stralend in de duisternis.

Dan gij, wiens schaduw schaduwen verheldert,

Hoe sterk zou uw vorm dan niet zijn

Bij klare dag en zoveel klaarder licht,

Als zelfs uw schim bij dichte blik zo schittert?

Hoe worden, zeg ik, mijn ogen steeds gezegend

Wanneer ze in 't levend licht u mogen zien?

Als zelfs 's nachts uw schone, vage schim

Zijn beeld kan werpen op niet-ziende ogen?

  Een dag is nacht, tot ik u weer zie komen,

  En nacht is dag als ik van u kan dromen.

 

Sonnet 48

Hoe, telkens ik op reis ging, alles borg,

En sloten lei op elk luttel ding,

Dat ongebruikt voor mij bestemd kon blijven

Opdat het niet in valse handen viel!

Maar jij, naast wie juwelen prullen lijken,

Mijn grootste troost en nu mijn zwaarste grief,

Mijn allerliefste en ook mijn enige zorg,

Laat ik voor d' eerste beste dief te grabbel.

Jou sloot ik niet in een of andere kist,

Behalve daar waar je niet bent, tenzij

In tedere omsluiting van mijn eigen hart,

Alwaar je naar believen snelt en vliedt.

  Maar zelfs daar, vrees ik, word je ontstolen,

  Want trouw is steels bij zulke dure buit. 


Sonnet 49

Ik vrees de tijd – indien die tijd ooit komt –

Dat mijn gebreken bij jou afkeer wekken,

Wanneer jouw liefdes eindbalans is opgemaakt,

Tot audit aangespoord na diep beraad,

Ik vrees de tijd dat gij mij vreemd voorbijgaat,

En mij die zon – uw ogenstraal - ontzegt,

Als liefde in haar tegendeel verkeert, 

En overgaat in een bezonken ernst; 

Jegens die tijd verschans ik mij hier 

In het besef van eigen onvolkomenheid, 

Met deze hand, die 'k naar mezelf ophef, 

Zal ik mezelf berechten naar jouw wet,

  Mijn arme zelf verlaten is uw volste recht,

  Nu elk motief om mij te minnen is geslecht.


Sonnet 55

Noch marmer, noch vergulde monumenten

Van prinsen leven langer dan dit vers;

Maar jou laat ik meer stralen in mijn rijm

Dan een door tijd verweerde steen vermag.

Als oorlog alle beelden heeft verwoest

En van de bouwsels niets meer rest dan stof 

Brandt zelfs het zwaard van Mars of oorlogsvuur

Deze herinnering aan jou niet weg.

Trots dood en machtige vergetelheid

Zal jij je weg nog gaan, in lof bewaard,

Voor ogen die nog niet geboren zijn

En lijdzaam wachten op de Oordeelsdag.

   Zo leef je tot je zelf weer herrijst

   In mijn gedicht, en dwaalt in minnaarsogen.


Sonnet 56

Vernieuw, mijn zoete Liefde toch uw kracht, 

Zodat zij als weleer aan scherpte wint 

Meer nog dan lust door voeding wordt verzacht 

Wordt liefde sterker voor wie haar bemint:

Zelfs als je ogen vol verzadigd lijken

En d' ergste liefdeshonger is gestild,

Mag geest van liefde niet voor dofheid wijken; 

Zo zoek haar morgen weer voor ze verkilt.

De eenzaamheid die als een oceaan 

Geliefden scheidt kan niet voor eeuwig duren, 

Die droeve tussentijd is slechts een waan

Want hoop doet daag'lijks in de verte turen;

  Of laat dit onze droeve winter zijn

  Die zomerlust verjaagt met zonneschijn.


Sonnet 60

Zoals de golven glijden naar het kiezelstrand, 

Zo spoedt zich onze tijd naar 't onvermijdelijke eind,

Elk wisselt plaats met wie er voor hem gaat,

En allen zwoegen voorwaarts in een rij.

Geboorte, eens badend in het grote licht,

Kruipt naar de rijpheid met haar verworven kroon,

Waarna haar glorie door eclipsen wordt belaagd,

En eens zo gulle tijd 't geschenk weer rooft.

De bloesem van de jeugd verandert tijd

Als zij in schoonheid diepe voren ploegt;

En schaars natuurschoon dient haar slechts tot voedsel,

Want niets wat rechtstaat kan haar zeis weerstaan.

  En toch, ondanks haar wrede hand, hoop ik

  Dat dit gedicht zijn lof aan jou blijft zingen.


Sonnet 63

Omdat mijn liefste eens zijn zal als ik,

Wanneer tijds ruwe hand hem uitperst en verslijt;

Als tijd zijn bloed heeft weggevloeid en zijn gezicht

Doorgroefd met rimpels is, als deze jonge dageraad

Is doorgereisd naar leeftijds avondval,

En het schoon waar hij als koning over heerst 

Stilaan verdwijnt tot niets meer overblijft,

En al zijn lenteschatten hem ontstolen zijn;

Tegen zulke tijden versterk ik me nu,

Tegen vernietiging van tijds wrede zeis,

Opdat, ook al knipt ze ooit zijn levensdraad, 

Ze niets van hem uit mijn geheugen snijdt.

  In deze verzen blijft zijn schoonheid eeuwig groen

  En zal hij verder leven zolang zij de ronde doen.


Sonnet 65

Als koper, noch steen noch aarde noch wijde oceaan

De trieste macht van dood kunnen weerstaan,

Hoe kan dan schoonheid dit geweld trotseren,

Wier kracht niet sterker is dan een bloem?

Hoe kan de zoete zomerbries het winnen

Van het vernietigend beleg der dagen,

Als zelfs ownrikbare rotsen dit niet kunnen,

En poorten van staal uiteindelijk begeven?

O, schrikkelijk denkbeeld! Waar toch kan

Tijds mooist juweel zich voor diens kist verbergen?

Welke sterke hand weerhoudt die snelle voet ?

Of wie stopt die verspilling van het schoon?

  Ach, niemand, tenzij mijn zwarte inkt jouw stralend

  Beeld voor eeuwig met de wereld deelt.


Sonnet 66

Hondsmoe ben ik, en sterven is mijn wens

Van eerzamen als bedelaar t' aanschouwen, 

En onbenullen met een rijke pens,

En door het valse lot geschaad vertrouwen,

En eerbetoon aan dwaze baantjesjagers

En onbesmette deugd tot hoer verlaagd,

En zuivere perfectie afgekraakt,

En kracht door zwakkeren ten val gebracht.

En kunst door blind bestuur monddood gemaakt,

En dwaasheid in een doktersjas verkleed,

En simpele waarheid om zijn aard versmaad,

En goedheid die moet buigen voor de zweep.

  Het liefste ging 'k moegestreden heen,

  Maar jij, mijn liefde, laat ik niet alleen.


Sonnet 71

Treur niet langer om mijn dood

dan 't trage dreunen van de droeve klok

die tijding brengt aan deze lage wereld

dat ik gevlucht ben en bij wormen dwaal:

Neen, als jij deze regel leest, vergeet

de hand die het schreef; om liefdeswil: 

Geen droefenis is mijn herinnering waard,

als aan mij denken jouw zoete hoofd ontrust. 

O, als jij ooit een blik slaat op dit vers 

wanneer de klei zich reeds met mij vermengt,

verzucht dan zelfs mijn naam niet meer, 

maar laat je liefde met mij sterven. Of wil je

  dat de wijze wereld jou beschimpt 

  om je verdriet voor mij, vergeten schim.


Sonnet 73

Aanschouw in mij die tijd van het jaar

dat takken beven in de gure wind

in een verwoeste kruin met gele bladeren

waar ooit nog zoete vogelzang weerklonk.

Zoals bij schemering van zulke dag

in het westen het zonnelicht verkwijnt

zo word ook ik verzwolgen door de nacht,

doods tweede zelf die alles rusten laat.

Het vuur dat je nog meent te zien in mij

is slechts het gloeien van de as der jeugd,

het doodsbed van mijn eens zo felle vuur

verteerd door dat waamee het werd gevoed. 

  Toch heeft jouw liefde bij dit weten baat:

  Zij koestert diep wie haar weldra verlaat.


Sonnet 78

Zo vaak heb ik jou, mijn Muze, aangeroepen,

Jij was mijn steun en hulp bij het dichten

En menige andere pen heb jij geleid

Die dankzij jou haar poëzie verspreidt.

Jouw blik, die stommen leerde zingen,

En logge onwetendheid verhief,

De vlucht der wijzen nog meer veders gaf

En gratie dubbele majesteit verleende,

Schenk aan mijn werk je grootste trots,

Wat ik gedicht heb gaf jij geest en leven.

Bij anderen verbeter je slechts hun stijl,

En kunst werd edeler door jouw adel;

   Maar jij bent aan mijn Kunst gelijk, 

   En tovert ruwe kennis om tot weten.


Sonnet 81

Leef ik het langst, dan schrijf ik jouw epitaaf

En leeft jij ‘t langst, zal ik in d’ aard verrotten.

Ondanks de dood blijft jouw herinnering gaaf

Terwijl van mij niets rest dan kale botten.

Jouw naam sterft nooit en leeft in ieders mond

Als ik verdwijn ben ik voorgoed vergaan,

Een simpel graf wacht mij onder de grond

Wijl jij in ieders ogen blijft bestaan.

Mijn zachte vers wordt jouw gedenkteken

Aanschouwd door vele ongeboren ogen

En nieuwe tongen die het declameren

Als al wat nu nog ademt is verloren.

   Zo leef jij voort in wat mijn veder zong-

   In ieders adem en op ieders tong.


Sonnet 116

Waar ziel aan ziel zich in het huwelijk bindt

Zwijgt elk bezwaar; het mag geen liefde heten

Als zij verkeert waar zij verandering vindt

En willoos wijkt waar zij wordt heengedreven.

O nee, zij is de ster aan ‘t firmament

Die onbewogen neerziet op tempeesten.

De baak waarnaar ‘t verloren schip zich wendt;

Haar hoogte kenbaar, haar waarde ongemeten.

Zij duldt van tijd geen dwang, zelfs als zijn zeis

De jeugd en glans rooft van haar lippenrood: 

Tijd deert geen liefde op zijn korte reis 

En heeft geen vat op haar tot aan de dood.

   Zo er bewijs is dat ik dwaal hierin

   Dan schreef ik niets, en werd er nooit bemind.


Sonnet 144

Twee liefdes heb ik: vertroosting en smart,

Twee geesten waarmee ik mijn leven leid:

De goede engel, een man met deugdzaam hart,

de slechte geest een vrouw die donker dreigt;

Om me nog sneller in haar hel te krijgen,

lokt zij mijn engel weg met veel vertoon.

en wil met wulpsheid hem tot 't kwade neigen;

Verleidt haar zwarte trots zijn pure schoon?

En of mijn engel reeds de duivel dient,

dat weet ik niet, al neem ik het wel aan;

Maar beiden weg van mij, en elkaars vriend,

doen ze, denk ik, elkaar de duivel aan.

   Met die onzekerheid vind ik in wachten baat

   tot ooit mijn slechte geest de goede geest ontslaat.


Sonnet 146

Arme ziel, spil van mijn zondige stof,

Wat voed je de rebelse macht die je omhult,

Waarom kwijn je vanbinnen en lijd je zo,

En is je buitenkant zo vrolijk uitgedost? 

Waarom zoveel besteed in korte pacht,

Als deze fraaie woonst toch snel verkrot? 

Want wormen zijn de erven van die praal.

Wordt dit je dragers lot, je lichaams eind?

Teer liever zelf op je dienaars leed,

En laat zijn honger je eigen schat vergroten;

Verkoop dat schuim, beleg in eeuwigheid;

Wees innerlijk doorvoed en uiterlijk arm:

   Zo wordt de dood je voedster, die zelf de mens verteert,

   En eens Dood is gestorven, is er geen sterven meer.