De Sonnetten van Shakespeare

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Sonnetten van Shakespeare

Auteur William Shakespeare
Genre(s) Poëzie
Brontaal Engels
Datering 1609
Integrale vertaling 2021
Vertaler Jules Grandgagnage
Bron 'Shakespearevertalingen: De sonnetten'
Auteursrecht CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Meer over De Sonnetten van Shakespeare op Wikipedia

Shakespeare's Sonnet CXLIV, illustrated in 1901.jpg


De Sonnetten van Shakespeare (1609)

naar het Nederlands vertaald

door Jules Grandgagnage (2021)

Tekstverantwoording: voor de Engelse tekst van de sonnetten werd gebruikgemaakt
van de 'The Yale Shakespeare' van 1923 in publiek domein.

Creative Commons License
Creative Commons Attribution icon
Deze vertaling heeft de licentie Creative Commons Naamsvermelding 3.0;. In het kort: het staat u vrij de tekst te gebruiken en te verspreiden, onder voorwaarde dat u de naam vermeldt van de auteur ("Jules Grandgagnage").


VERTALING


Sonnet 1

Een mooie mens moet ons zijn kinderen geven,

Zijn gratie mag niet als een roos vergaan,

Het is het kind dat hem doet verder leven

Als hij allang van ons is heengegaan.

Maar jij, gevangen door je eigen beeld,

Jij voedt je vlam met eigen vlees en wezen

Tot niets ons rest, niets dat je hebt gedeeld.

Je zoete zelf hoeft slechts zichzelf te vrezen.

Je siert de aarde als een frisse blom,

De bode van een kakelbonte lente;

Je eigen knop blijft echter dicht en stom:

Jij lieve dwaas, bewaart het als een krent.

Verteer jezelf en wat de wereld toebehoort
Niet in het graf, het ware kindermoord.


Sonnet 2

Na veertig winters, je gezicht doorploegd

Van tijd en weer waar is je schoonheid nu?

Versleten als een kleed dat je eens droeg!

Verdwenen met je praal, jij parvenu!

Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen,

Als iemand er om vraagt dan weet je 't niet.

Of wijs je dan op je verzonken ogen,

Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet?

Een zonde is het dat je zo verspilt

Wat voor je toekomst zoveel had betekend.

Als je kon zeggen: dit kind heb ik gewild,

Het gaf een zin en richting aan mijn leven:

Zo vindt je bloed een warme levensstroom,
Waar anders koude wacht als stervensloon.


Sonnet 3

Wat zegt de spiegel waar je nu in kijkt?

Dat je gelaat nu gauw een ander maakt,

Voordat je eens geroemde schoonheid wijkt.

Een dief ben je als je hierin verzaakt.

Want waar is zij wier ongebruikte schoot

Het planten van jouw schone zaad versmaadt?

En wie is die narcist die in de dood

Ons in zijn zelfzucht geen kind nalaat?

Je bent je eigen moeders spiegelbeeld,

En in jouw jeugd ziet men haar schoonheid prijken:

Zo zal ook jij door ouderdom vereelt

Doorheen je rimpels naar jezelf kijken.

Maar ben je met dit leventje tevree,
Sterf dan eenzaam, en neem je schoonheid mee.


Sonnet 4

Waarom verspil jij dit legaat alleen?

Jouw schoonheidserfenis duurt slechts één leven.

Wat je bezit gaf de natuur in leen,

Met gulle hand, aan hen die zelf geven.

Ik snap niet dat een vrek met mooie snoet, 

Van haar royaal geschenk zo misbruik maakt,

Die som op som leent waar hij niets mee doet,

En toch niets vindt dat hart en leven raakt.

Wie slechts zichzelve mint in het verkeer

Verraadt daardoor zijn eigen mooie ziel,

Want, komt de laatste dag, hoe haal je eer,

Als je niets nalaat, want je bleef steriel?

Je onbenutte schoonheid sterft in ‘t graf
Tenzij je die op tijd aan anderen gaf.


Sonnet 5

Dezelfde uren die met zachte handen

Jouw aanblik vormden tot ons oogfestijn,

Zullen daarop tekeer gaan als tirannen,

Tot alle schoonheid in die blik verdwijnt.

Want slapeloze Tijd drijft zomer voort

Naar gruwelijke winter, en bedwingt

Het sap met vorst, die ‘t groene blad vermoordt,

Gratie sterft waar barre sneeuw nu blinkt.

Ware het niet dat ‘s zomers distillaat

Haar overleeft, gevangen in het glas,

Dan zou noch haar parfum, noch haar gelaat

Ons nu herinneren aan wat ze was.

Zelfs als de vorst het bloemschoon heeft vernield,
Leeft nog het zoet parfum dat haar bezielt.


Sonnet 6

Laat toch niet toe dat winters ruwe klauw

Je zomer sloopt voor je hem distilleert.

Vul voor je sterft fiool met zoete dauw

Die ons je schat aan schoonheid conserveert.

Wat je dan wint dat is geen woekerwinst,

Als wie ontleent aan jou graag vrucht betaalt,

Je eigen evenbeeld dat wordt je kind

Of beter nog het geluk tienmaal herhaald;

Tienmaal gelukkiger dan je hier staat

Als tien van jou tienmaal je beeltenis wint,

Want wat vermag de dood zo je ons verlaat

Als elk kind ons met jouw beeld verbindt?

Wees niet zo eigenwijs, je bent te mooi
En noch voor dood of worm geschikte prooi.


Sonnet 7

Aanschouw hoe in het oosten goddelijk licht

Het brandend hoofd verheft en ieder wezen

Zijn ogen baadt in 't majesteitelijk zicht,

Als eerbetoon aan 't vuur dat is herrezen.

Bij het volbrengen van zijn steile klim,

Zijn jonge kracht verspillend in zijn vaart,

Bewondert ieder sterfelijk oog die pelgrim

Op zijn onstuimig gouden bedevaart.

Maar in het zenit eindt zijn heldentocht

En wacht hem slechts de daling naar de nacht,

En elke blik die hem daarnet nog zocht

Kijkt weg van deze grijsaard zonder kracht.

Als jij zo verder leeft wordt dit je loon,
Je sterft onbekend, of maakt een zoon.


Sonnet 8

Je hoort muziek maar droefheid treft je ziel;

Heeft zoet of vreugd dan ooit zichzelf geweerd?

Waarom bemin je wat je mijden wil,

Of neem je met plezier aan wat je deert? 

Als het akkoord van zoetgevooisd gepraat 

In harmonie vereend jouw oor niet streelt,

En jij hun zoete unisono versmaadt

Klinkt zacht verwijt omdat je eenzaam speelt.

Hoor toch hoe elke snaar, als zielenbroeder

Naar orde voor en door de andere klinkt

Als waar het koning, kind en blijde moeder,

Verbonden in één mooie stem die zingt,

Wier woordeloze lied, met velen één,
Verzucht: "Niets ben je, want je bent alleen".


Sonnet 9

Is het uit vrees voor droeve weduwtraan

Dat je jezelf verteert in eenzaamheid?

Ach, weet dat als je kinderloos zou gaan

Dan wordt de wereld als een vrouw die lijdt

Een weduwe gelijk die maar blijft huilen

Omdat geen beeltenis van jou haar rest

Troost haar door in een kinderoog te schuilen 

Zo blijft je vorm in haar geest geschetst.

Geef uit wat je belieft, jij kwistig heer,

De wereld heeft het nog, ‘t maakt geen verschil;

Maar schoonheid die je spilt komt nooit meer weer,

Hij doodt haar die haar niet gebruiken wil.

Geen liefde huist er in dat hartenbloed
Van wie zijn werelds schoon in schand verdoet.


Sonnet 10

Het is een schande dat je niemand mint

En onbekommerd bent om eigen heil;

Dat velen van je houden is niet verdiend,

Want voor een ander heb je zelf niets veil.

De dodelijke haat die je bezielt

Verandert jou in eigen moordenaar

Die ‘t trotse dak boven zijn hoofd vernielt,

Terwijl ‘t zijn zorg moest zijn het te bewaren.

Verander jezelf en zo ook mijn opinie!  

Of schenk je haat een mooier huis dan min?

Wees als je aanschijn schoon en vol van gratie

En duld in ‘t minst dat goedheid je herwint:

Maak dus een ander zelf dat mij behaagt,
Die al wat schoon en goed was verder draagt.


Sonnet 11

Wat snel verwelkt groeit weer in nageslacht,

Als deel van jou uit wat jou heeft verlaten

Met 't  jonge bloed, door jong bloed voortgebracht

Als jij je jeugd al lang hebt losgelaten.

Zo doet wie wijs is en hij blijft bestaan,

De dwaas kiest kille ouderdom en sneven.

Dacht iedereen zo, dan zou de tijd vergaan

En eindigde de wereld na één leven.

Want wie niet schenkt wat de natuur hem vraagt

Zal spoorloos kwijnen zonder evenbeeld.

Jij bent de gunsteling die zij behaagt

En gul gegeven dient ook gul gedeeld.

Ze maakte jou haar zegel en wacht verrukt
Naar meer van jou, als je andere zelven drukt.


Sonnet 12

Hoor ik de klok die uur na uur zal slaan,

En zie ik heldere dag in nacht verzinken;

Viooltjes na hun hoogste bloei vergaan

En zilver tussen zwarte haren blinken;

Zie ik geboomte uit zijn blad geschud

Dat eertijds lommer aan de kudde bood,

En zomergroen, nu schoof aan schoof gestut,

Met witte baard gemaaid uit aardes schoot,

Dan voel ik vrees dat eens de tijd je schoon

Zal treffen tot er niets van overblijft,

Want al wat lief en schoon is gaat teloor,

En sterft terwijl het andere gedijt.

De kille zeis des tijds kent geen verweer,
Tenzij je in nageslacht de dood trotseert.


Sonnet 13

O, bleef je maar jezelf heel de tijd,

Maar 't duurt slechts tot je hier niet langer leeft,

Als dus het einde komt, wees dan bereid,

En schenk je aanschijn aan je eigen vlees.

Zo blijft het schoon bewaard dat je nu leent

En word je weer jezelf als na je dood

Je zelf is heengegaan; als wat je kweekt

De drager wordt van wat je schoon ons bood.

Wie laat zijn huis ten prooi aan woestenij,

Dat onder goed beheer nog trots zou staan

Te midden wintervlagen, stormtij

En rauwe woede van het kil vergaan?

Enkel verkwisters! Mijn liefste lief, 't is schoon
Een vader te hebben: gun dit dan ook je zoon.


Sonnet 14

Mijn oordeel heeft aan sterrenstand geen nood

En toch heb ik van deze kunst verstand,

Niet als een wichelaar van fortuin of dood,

Profeet van plaag en hongersnood in 't land.

Zo zeg ik niet waar het lot precies zal toeslaan,

Wanneer diens donder, bui of wind begint,

Of sus geen prinsen dat het goed zal gaan

Omdat ik tekens aan de hemelen vind.

Slechts in jouw ogen zit al mijn kennis bewaard;

Ik lees, alsof het vaste sterren zijn,

Dat al wat mooi en waar is bloesem draagt

Als je beleggen wil in eigen aanschijn.

Want anders voorspel ik je dat aan het eind
Al wat schoon en waar was met jou verdwijnt.


Sonnet 15

Als ik bedenk dat al wat groeit en leeft

Slechts tijdelijk zijn perfectie toont en bloeit,

En dat de wereld is als een toneel

Waarmee het firmament zich steels bemoeit;

Bemerk ik dat de mens groeit als gewas,

Door 't hemels plan gestuwd of afgeremd,

In opgang trots en kloek, in val alras

Vergeten en tot kwijnen voorbestemd.

Dan roept dit, broedend op vergankelijkheid,

Bij mij het beeld op van je jonge kracht,

Waarover 't verval zich beraadt met verkwistende tijd

Om jouw jeugdige dag te verkeren in donkere nacht.

Tijds almacht bied ik voor jou uit liefde het hoofd
Met vers dat telkens teruggeeft wat hij rooft.


Sonnet 16

Waarom voer je niet zelf een heviger strijd

Tegen de tijd, die bloederige tiran?

Versterk jezelf tegen bederf van tijd

Met beter middel dan mijn gerijmel kan.

Nu straal je op het toppunt van je dagen

Met menige ongerepte tuin bereid

Om jouw gezaaide bloem te mogen dragen

Als trouwer beeltenis dan je schilderij.

Zo heelt de levenslijn uit jou ontstaan

De scherpe lijnen van tijds ruw penseel;

Niets van je geest of aanschijn blijft bestaan

Dan wat herinnering draagt aan jouw origineel:

Je bent de bewaarder van je eigen leven
Door jezelf in een andere vorm te geven.


Sonnet 17

Wie zal er later in dit vers geloven

Als 't met jouw hoogste gaven is gevuld,

Terwijl het als in een tombe zit ingesloten

Die het grootste deel van wat je bent verhult?

Zelfs als ik wist jouw ogen te beschrijven

En over al jouw hoogste charmes bericht,

Dan zegt men later: 'Wat kan die overdrijven,

Zo schoon, dat is geen enkel aards gezicht!"

Men zou mijn schrijfsels, van ouderdom vergeeld,

Als grijsaards honen om hun absurd geklets,

Mijn lof geraaskal noemen van een poëet,

Wiens dichtkunst rijmt als vergezocht gezwets.

Hoop dus dat er een kind van jou verschijnt,
Tweevoudig leef je dan: in zoon en rijm.


Sonnet 18

Een zomerdag is jouws gelijke niet,

Niets is er dat jouw schoonheid overtreft.

Een knop in mei is weg voor je hem ziet

En het is winter voor je het beseft;

De zon? Die is te fel en veel te heet,

En is z' er wel, dan hangt ze achter wolken

En andere mooie dingen, voor je het weet,

Zijn die door ouderdom of ongeluk verzwolgen.

Als jij een zomer bent, dan ben jij eeuwig,

De schoonheid die je hebt zal nooit vervagen,

Zelfs in de dood zal niemand jou bewenen,

Want dit gedicht zal heel jouw wezen dragen:

De poëzie draagt verder dan het leven,
Zolang zij verder leeft, zal jij niet sneven.


Sonnet 19

Verslindende tijd, die leeuwenklauw verteert,

En aarde dwingt te zwelgen van haar broed,

Hoe fel de tijger ook, zijn tanden breekt

En d' oude feniks verzengt in eigen bloed.

Laat goede en slechte tijden vergankelijk vlieden,

Doe met de wereld en haar vluchtige have

Wat je belieft; maar toch wil ik je verbieden -

Spaar me van deze gruwelijke daad:

Kerf niet je uren in mijn vriends gelaat,

Noch kras met oude pen in zijn patroon;

Laat hem onaangeroerd, want hij bestaat

Als een model voor later mannelijk schoon.

Ach, oude tijd, doe wat je kan, je leed
Deert niet dit vers waar eeuwig liefde leeft.


Sonnet 20

Een vrouwengezicht, door de natuur geschilderd

Heb jij, hoogste gebiedster van mijn hart,

Een zachte vrouwenboezem, maar niet gehinderd

Door valse grillen waar zij ons mee verwart,

Een oog zo helder maar met vaster kijk,

Verguldt eenieder ding waar het op rust;

Een man met elke vorm en kleur verrijkt

Die mannenoog bekoort en vrouwenziel verrukt.

Als vrouw werd je aanvankelijk geschapen,

Tot de Natuur, verliefd op wat ze maakte,

Jou dat ding schonk waardoor ik ben verslagen,

Iets zonder doel voor mij, en zonder waarde.

Ze maakte je om vrouwen te plezieren,
Ga met mij liefde en met hen driften vieren.


Sonnet 21

Mijn pen wordt niet zoals bij hem beroerd

Die ieder opgemaakt gezichtje prijst,

Zelfs in zijn vers de hemel erbij roept

En elk schoon met het jouwe vergelijkt.

Met zon en maan, met zee en rijke aard,

Met d' eerst geboren bloemen van april,

Met elk schaars juweel word jij gepaard

Dat het gesternte ons tonen wil.

Mijn lief, ik vertel je wat ik werkelijk vind,

Want ware liefde duldt geen vals gerijm:

Je bent zo schoon als ieder moeders kind,

Maar stralen als een ster? Dat zal niet zijn!

Wie meer wil zeggen, moet dat zelf maar weten:
Wat geen prijs heeft, hoeft ook niet geprezen.


Sonnet 22

Geen spiegel toont hoe oud ik werkelijk ben

Zolang de tijd je jeugd niet heeft verlaten;

Maar zie ik hoe die tijd jouw voorhoofd schendt,

Beschouw ook ik het einde van mijn dagen.

Jij bent omkleed met dergelijk sierlijk schoon,

Dat ook mijn hart omhult, en leeft in mij

Alsof het in éénzelfde boezem woont.

Wie zegt dan dat ik ouder ben dan jij?

Mijn lief, draag zorg, je bent ons beider hoeder,

Zoals ook ik jouw hart in zorg zal dragen;

Niet voor mezelf, maar als een zachte voedster

Die haar kind behoeden wil voor het kwade.

Verwacht niets terug als je mijn hart laat kwijnen,
Het hart dat je gegeven hebt, blijft het mijne.


Sonnet 23

Een dwaas acteur lijk ik, die op 't toneel

Door plankenkoorts zijn eigen tekst vergat,

Of een wild dier, door eigen drift verdeeld,

Wiens hart bezwijkt door overvloed van kracht.

Zo voel ik me, te angstig om te spreken,

Wijl liefdesritus toch om woorden vraagt;

Mijn vurige passie onder de druk bezweken,

Zwijg ik, verpletterd onder liefdes macht.

O, laat mijn blik dan zo welsprekend zijn

Als stomme bode van mijn roepend hart,

En pleiten voor mijn diepe liefdespijn,

Meer dan een radde mensentong ooit sprak.

Leer wat mijn liefde is uit wat ik schrijf
En luister met je ogen zolang ik zwijg.


Sonnet 24

Mijn oog. dat schilder werd, schept met penseel,

Jouw beeltenis in mijn verliefde hart;

Mijn lichaam is het paneel waarin het leeft,

Voor jou heb ik dit beeld tot kunst gebracht.

Misschien dat door mijn kunst jij nu verlangt

Dit ware beeld van jou in mij te vinden,

Dat in mijn hart, mijn werkkamer, hangt,

Waar ramen door jouw ogenstraal oplichten.

Zie hoe ons beider ogen elkaar baten:

Mijn blik verbeeldde jou, terwijl jouw ogen

Als ramen in mijn borst de zon doorlaten

En zo de glans op jouw portret verhogen.

Hoe mooi ook ogenkunst schetst wat ze ziet,
Zij tekent slechts, maar kent het hart toch niet.


Sonnet 25

Laat hen wier sterren gunstig staan maar pralen

Met titels en publiekelijk eerbetoon,

Terwijl ik, die nooit eer wist te behalen,

Geniet van wat ik heb, zonder vertoon.

Geëerd door prinsen spreiden zij hun blad

Net als de goudsbloem naar het zonneoog,

Zo graven zij hun trots een donker gat

Want in een wenk is al hun roem verdroogd.

Zelfs helden met roemruchte reputatie 

Die op het slagveld duizend zeges streden

Zien naam en eer geschrapt uit 't boek der gratie,

En waar ze ooit om zwoegden wordt vergeten:

Maar onze liefde heeft ons nooit bedrogen,
Want wij zijn zelf beweger en bewogen.


Sonnet 26

Gebieder van mijn liefde, in leenmanschap

Heeft uw waarde mij aan u verplicht;

Om uwentwil wek ik mijn schrijverschap,

Geen blijk van kunst nochtans is dit gedicht.

Met een plicht zo groot, mijn geest helaas zo bot

Dat hij niet eens de juiste woorden vindt,

Kan ik slechts hopen dat dit naakt gewrocht

Door uw bezielde geest aan leven wint,

Tot eens een ster mij gunstiger bestraalt

En ik, geleid door hogere inspiratie,

Dit stamelend vers in zijn te kaal gewaad

Veredel voor het winnen van uw gratie.

Uit liefde voor u zal ik u dan luidop loven;
Zolang vermijd ik het vorsen van uw ogen.


Sonnet 27

Van het reizen moe haast ik me naar mijn bed,

Voor langverbeide rust strek ik mijn leden,

Maar dan krijg ik mijn hoofd niet afgezet,

Het gaat dan zelf op reis ondanks mijn beden.

Want mijn gedachten willen niet bedaren,

En reizen terug naar waar jij bent gebleven;

Mijn zware ogen dwingen ze tot staren

Tot in de nacht jouw beeld komt aangedreven.

Aan blinde ogen toont verbeeldingskracht

Jouw schaduw, die daar hangt als een juweel

Dat luister geeft aan gruwelijke nacht,

En hem verjongt en zacht maakt als fluweel.

Zo vindt mijn lijf bij dag geen vree door lust
En 's nachts gun jij mijn geest en mij geen rust.


Sonnet 28

Hoe wordt de wonde van mijn reis verzacht

Als me de rust ontzegd wordt die me heelt?

Als dwingelandij van dag niet slaapt bij nacht

En dag mijn nacht en nacht mijn dag verspeelt.

Als zij, die nochtans elkaars vijand zijn,

Hun krachten bundelen voor mijn tortuur

Geeft d' een labeur, de andere chagrijn

Omdat de reisweg lengt van uur tot uur.

De dag vertel ik om zijn gunst te werven

Dat als de wolken dreigen je zijn glans verlicht,

En evenzo vlei ik de nacht als sterren

Even helder schitteren als jouw aangezicht.

Maar elke dag groeien mijn zorgen meer,
En zorgt de nacht voor langer hartenzeer.


Sonnet 29

Verdoemd door het lot en door de mens verlaten

Beween ik eenzaam mijn ellendigheid

En krijs mijn ijdele klacht ten doven hemel

Minacht mezelf en vloek om wat ik ben,

Verlangend hem te zijn die alles heeft,

Rijk aan hoop, met schoonheid en met vrienden,

Door afgunst om diens kunst, diens macht of lief

Vergeet ik het genot van wat ik heb:

Maar zelfs nu ik mezelf hierom veracht,

Klimt als ik blij aan u denk mijn gemoed

Gelijk een leeuwerik in de dageraad

Die vrij van d'aarde zingt aan d' hemelpoort;

Zo rijk maakt mij d' herinnering aan uw liefde 
Dat ruil met 's koningstroon mij zou verarmen.


Sonnet 30

Wanneer ik verzonken in troostgevende gedachten

Terugdenk aan het verleden,

Betreur ik mijn falen in alles wat ik wilde bereiken,

En ik herinner me met spijt hoe ik mijn beste jaren verspilde:

Dan kan ik huilen, hoewel ik huilen niet gewend ben

Huilen om lieve vrienden, nu verborgen in de eindeloze nacht van de dood,

Huilen om ellende die allang genezen was,

En om het verlies van vele dingen die ik heb gezien en liefgehad:

Dan kan ik weer treuren om voorbije smarten,

En voor mezelf mijn ellende weer doorleven

Alsof ik nooit de droeve rekening van smarten

Had betaald, betaal ik ze nu opnieuw.

Maar als ik in die droefheid aan je denk, mijn lieve vriend,
Vergoedt dit mijn verlies en eindigt mijn verdriet.


Sonnet 31

In jouw boezem kloppen alle harten

Die ik mis en lang gestorven achtte;

Daar heerst liefde met haar vele parten

En al die vrienden die ik begraven dacht.

Menige heilige traan werd mij ontstolen,

Want vrome liefde moest berustend huilen

Als schatting die verschuldigd was aan doden,

Maar eens verdwenen, gingen ze in jou schuilen.

Jij bent het schrijn waar dode liefdes verblijven

En bergt trofeeën van ieder die ik beween;

Zij gaven jou wat ik van hen mocht krijgen,

En wat zij van mij hadden, is nu jouw deel.

In jou zie ik het beeld van hen die ik liefhad,
En heel ons wezen zit in jou vervat.


Sonnet 32

Als jij mij overleeft en ik ben geest,

En 't stof der dood reeds lang mijn botten aardt,

Wanneer jij dan mijn verzen overleest,

Die sukkelrijmen van je dode minnaar,

Leg ze dan naast het beste van die tijd,

En ook al zingt dan iedere pen veel fraaier,

Bewaar ze voor mijn liefde, niet voor het rijm,

Want daarin zullen velen beter zijn.

O, Gun me dan deez' troostende gedachte:

'Had hij nog maar geleefd, met sterker muze,

Dan zou zijn liefde sterker verzen baren,

En hem verheffen tot de hoogste rang.

Maar daar hij stierf op laag dichterspeil,
Lees 'k hem om liefde, de anderen voor de stijl.'


Sonnet 33

Hoe vaak zag ik 's ochtends de glorie van de zon

Met vorstelijk oog de bergtoppen vleien,

De weiden kussend met haar vergulde mond,

En bleke stromen in gouden glans verglijden.

Hoe dra zij grauwe wolken dulden moet

Die het hemels aangezicht eensklaps versluieren,

En steels zich vluchtend naar het westen spoedt,

Om zich voor deze schande te verschuilen.

Eens voelde ik de ochtendzon ook schijnen

Op mijn gezicht in zijn gloedvolle pracht;

Helaas, hij was slechts voor een uur de mijne,

Een hoge wolk verborg hem in zijn nacht.

Verzwakt zijn licht, het deert mijn liefde niet,
Want zelfs de zon bevlekt soms in zijn zenit.


Sonnet 34

Waarom toch zei je: "'Het wordt een mooie dag"

En liet me zonder jas naar buiten gaan

Hoewel een zware wolk te wachten lag,

Wiens vuile nevel jouw glorie liet vergaan?

't Volstaat niet dat je door de wolken breekt

Om mijn door storm doorweekt gelaat te drogen;

Geen mens roemt balsem die slechts wonden heelt

En niet de schande, die zij blijft gedogen.

Mijn leed wordt door jouw wroeging niet verlicht,

En dit vertoon maakt mijn verlies niet goed,

Al ben jij, dader, voor berouw gezwicht,

Het kruis blijft zwaar dat ik nu dragen moet.

Maar ach, je tranen zijn als liefdesparels
Zo rijk dat ze betalen voor jouw slechte daden.


Sonnet 35

Treur niet om wat je me hebt aangedaan.

Want rozen hebben doorns, fonteinen slijk,

Eclips en wolk duisteren zon en maan,

En bloesemknop wordt door de worm ontwijd.

Ik faal als ieder mens en 't zal me spijten

Nu ik rechtvaardiging zoek voor wat jij deed:

‘k Bederf mezelf door zo voor jou te pleiten

Omdat mijn pleit jouw zonde overtreedt.

De fout van jouw wulpse lusten bestrijd ik met rede,

Jouw hoogste dager is jouw advocaat

Die zich in zijn pleidooi ook schuldig weet.

Verscheurd ben ik in strijd tussen liefde en haat,

Omdat jij, zoete dief, mij medeplichtig maakt
Aan wat jij mij ontroofde door je daad.


Sonnet 36

Ik erken dat onze wegen moeten scheiden,

Ook al bindt de liefde ons tot één,

Dus is de smet waaronder ik moet lijden

Zonder jouw hulp te dragen voor mij alleen.

Hoewel ons beider liefdes ons verenen,

Heeft het venijn van het leven dit verbrod,

En ook al kan het liefdes kracht niet breken,

Toch steelt het zoete uren van genot.

Misschien is het beter dat ik je naam niet noem,

Opdat wat op mij weegt jou niet ontwijdt,

Dat jij me in het openbaar niet roemt,

Zodat je eer nog ongeschonden blijft.

Of nee, zodanig is mijn liefdes aard
Dat, wat jou eert ook door mij wordt vergaard.


Sonnet 37

Zoals een manke vader zich verheugt

In het dartele spel van zijn stoutmoedig kind,

Zo schep ik, zelf door het Lot verlamd, nog vreugd

In al wat ik in u aan waarde vind.

Waar aard of geest of geld of zuiver schoon

Of één ervan of alle of nog meer

In u gezeteld zijn als op een troon,

Daar plant ik ook de loot van mijn liefde neer.

Niet langer lam, veracht of armoedig,

Doordat uw schijn mijn wezen vulling geeft,

Zolang uw weelde in mij overvloeit

En voor een deel uw glorie in mij leeft.

Wat u ook maar wenst, het is u gegund,
Mijn grootste geluk is uw wens vervuld.


Sonnet 38

Hoe kan het ooit mijn muze aan vinding ontbreken

Wanneer jij mijn vers bezielt met levensadem,

Je eigen zoete inhoud, te verheven

Voor gewoon papier om het te dragen?

O, mocht ik ooit iets scheppen, waard geacht

Door je blik, dan ben ik dit verplicht

Aan jou, want zelfs de domsten zijn bij machte

Wat moois te schrijven, badend in jouw licht.

Wees dus mijn tiende muze, tien keer meer waard

Dan negen oude knarren die rijmers eren.

Dat hij die jij bezielt de liederen baart

Die blijven klinken en de tijd trotseren!

Als straks mijn muze het kritisch oog verblijdt,
Deed ik wel 't werk, terwijl jij de eer opstrijkt.


Sonnet 39

Hoe kan ik jouw waarde gepaste eer bewijzen

Wanneer ik jou als mijn betere helft beschouw?

Wat baat het dat ik jou hooglijk zou prijzen,

Wanneer ik zo eerder mezelf prijs dan jou?

Laat ons om deze reden gescheiden leven,

Zo blijft onze liefde niet langer één;

Pas dan kan ik je eindelijk rechtens geven,

Wat jou toebehoort, aan jou alleen.

Afwezigheid zou louter kwelling zijn,

Ware het niet wat wrange vrijheid biedt:

Te kunnen dromen over liefdesschijn,

Waarmee de tijd jouw denken zo zoet bedriegt.

Alleen zijn leert: hoe maak je twee van één,
Door hier degeen te prijzen die verdween.


Sonnet 40

Neem al mijn liefdes, vriend, de hele hoop;

Wat heb je dan dat je voordien niet had?

Geen ware liefde is 't, al noem je het zo;

Je had mijn liefde, maar wou meer van dat.

Je liefde voor mij dreef je naar mijn geliefde

Mijn liefde gebruikte je, jou treft geen schuld,

Doch schuldig ben je omdat je jezelf bedriegt;

En je geweten verdooft met grillige lust.

Je diefstal is je vergeven, jij tedere dief,

Al nam je het weinige dat ik nog bezat,

Nochtans is het een grotere pijn om liefdes

Leed te dragen dan diepste haat vermag.

Wellustige schoonheid, drager van al het kwaad
Kwel me met je wreedheid, maar blijf mijn maat.


Sonnet 41

Die kleine zonden die jij weleens begaat

Wanneer je hart mij soms vergeten moet,

Wijt ik aan schoonheid en je jonge jaren,

Want de verleiding volgt je op de voet.

Je bent zo zacht dat je niet anders kan

Dan zwichten als je schoonheid wordt belaagd

Want, als een vrouw je het hof maakt, welke man

Zou nors weerstaan wanneer hij haar behaagt?

Maar toch, wee mij! Dat jij mijn plaats bezet?

Tem die schoonheid voor je jeugd zich wreekt,

Of wil je dat hun dwaasheid je zo ver besmet

Tot je je eed van trouw tweemaal verbreekt:

Voor haar die door je schoonheid werd verleid,
Voor mij, omdat je schoonheid valsheid blijkt.


Sonnet 42

Dat jij haar hebt, is niet geheel mijn smart,

Al had ik haar, zo dient gezegd, echt lief,

Dat zij jou heeft, dat breekt pas echt mijn hart,

Verlies van liefde dat me dieper grieft.

Zondige minnaars, zie hier 't excuus voor ontrouw:

Jij houdt van haar omdat ik dat ook wil,

En voor mijn goed bedroog zij mij met jou,

Mijn vriend? Die liet ze erin om mijn bestwil!

Verlies ik jou, dan is dit winst voor haar,

Ben ik haar kwijt, dan oogst hij mijn verlies.

Verlies ik ze beide, dan vinden ze elkaar,

Kortom: het best word ik aan 't kruis gespietst.

Maar 't valt nog mee: mijn vriend en ik zijn één,
Dus, wat geluk! Zij houdt van mij alleen!


Sonnet 43

Ik zie jou het scherpst met gesloten ogen;

Terwijl bij heldere dag zij achteloos kijken,

Zien zij jou als ik slaap in heldere dromen,

En waar zij lichten, moet het donker wijken.

Maar jij, wiens schaduw schaduwen verlicht,

Hoe sterk zou je vorm dan niet zijn

Bij klare dag en zoveel klaarder licht,

Als zelfs je schim bij dichte blik zo schijnt?

Wat wacht mijn ogen in het heldere licht,

Als zelfs jouw schone, vage schim bij nacht

Zijn beeld kan werpen op niet-ziende blik,

En mij in dromen zoveel zegening bracht?

Een dag is nacht, tot ik u weer zie komen,
En nacht is dag als ik van u kan dromen.


Sonnet 44

Was deze logge vleesklomp puur gedachte,

Dan was die wrede afstand geen bezwaar

En vloog ik tot waar jij op me zou wachten

En waren wij in geest weer bij elkaar.

Het zou niet geven waar 'k mijn voeten zet,

Al was het de verste plek van jou vandaan,

Geen land, noch zee heeft ooit idee belet

Om jou te vinden en ernaartoe te gaan.

Maar ach, het valt me zwaar want ik begrijp

Dat ik geen gedachte ben, die mijlen springt

Naar jou, want ik besta uit vocht en klei:

Een slaaf die grient om tijd die 't al bedingt.

Die trage elementen geven me niets,
Tenzij de tranen van ons beider droefenis.


Sonnet 45

De ijle lucht en 't louterend vuur, die twee

Zijn nu bij jou, waar ik me ook bevind;

De een mijn denken, de andere mijn begeerte,

Ze komen snel en vluchten ook gezwind.

Maar stuur ik die kwieke elementen naar jou

Als beide bodes van mijn tere min,

Dan resten mij twee, al ben ik op vier gebouwd,

En mangelt het me opnieuw aan levenszin.

Om heel te worden is het mij geboden

Te wachten op de komst van de gezanten,

Die van je zijde wijken om mij te troosten

Dat jij gezond verblijft in verre landen.

Dan springt het vuur terug in mijn hart, voor even,
Maar zijn ze weg, sluipt dood weer in mijn leven.


Sonnet 46

Mijn hart en oog zijn bitter aan het strijden

Wie recht heeft op 't verwerven van jouw beeld:

Mijn oog belet mijn hart ernaar te kijken,

Terwijl mijn hart niet wil dat ze het deelt.

Jouw kwintessens, zegt 't hart, ligt in mijn borst,

Gekluisterd en onttrokken aan je blik,

De ander spreekt dat tegen en houdt vol

Dat juist in hem jouw pure schoonheid zit.

Een rechtbank van verkorenen ontwart

Gedachten, verwanten van het hart, en bedingt

Uiteindelijk na onderzoek welk part

Het klare oog en 't lieve hart nu wint.

Aldus bezit mijn oog jouw uiterlijk schoon,
En krijgt mijn hart jouw warme liefdesstroom.


Sonnet 47

Mijn oog en hart die sloten een verbond,

Waarbij ze elkaar om beurt ten dienste zijn:

Als 't oog weer hunkert naar jouw figuur en mond,

Of als mijn hart zich smoort in liefdespijn.

Jouw beeltenis is als een oogfestijn

Waar ook het hart zijn dorst naar liefde lest.

Soms wil het hart dan weer de gastheer zijn

En deelt met 't oog gedachten op diens rekwest.

Zelfs na het afscheid ben je nog tegenwoordig,

Want beeld en liefde brengen je nabij,

Gedachten kun je immers niet ontlopen

Zolang ze bij me zijn, ben jij bij mij.

Of, als ze slapen, wekt jouw gelijkenis
Mijn hart, dat net als het oog weer vrolijk is.


Sonnet 48

Hoe telkens ik op weg ging om te reizen,

Sloten lei op elk luttel ding,

Dat ongebruikt voor mij bestemd kon blijven

En niet in dievenhanden overging!

Maar jij, naast wie juwelen prullen lijken,

Mijn grootste troost en nu mijn zwaarste grief,

Mijn liefste voor wie andere zorgen wijken,

Laat ik te grabbel voor d' eerste beste dief.

Jou sloot ik niet in een of andere kast,

Behalve daar waar je niet bent, tenzij

Teder omsloten in mijn eigen hart,

Alwaar je naar believen snelt en wijkt.

Maar zelfs daar, vrees ik, rooft men je uit,
Want trouw is steels bij zulke dure buit.


Sonnet 49

Ik vrees de tijd – indien die tijd ooit komt,

Dat mijn gebreken jou afkerig maken,

Wanneer je mijn liefdes eindbalans opsomt,

Tot audit aangespoord na lang beraden;

Ik vrees dat jij mij ooit als vreemd passeert,

En mij die zon – je ogenstraal - ontzegt

Als liefde in haar tegendeel verkeert,

En overgaat in een bezonken ernst;

Tegen die tijd zal ik me aan wijsheid wijden,

In het besef van eigen kleine waarde;

Met eigen hand zal ik mezelf bestrijden

Als je mij, daartoe gerechtigd, verlaat.

Mijn arme zelf verlaten is je volste recht,
Nu elk motief om mij te minnen is geslecht.


Sonnet 50

O, mijn hart voelt zo zwaar langs de wegen die ik ga, daar het einde

Der reis, hoewel rust en comfort, mij ook leert wat me deert:

Dat hoezeer ik ook verlang naar de rust die me wacht, 't niet volstaat

Om jouw beeld te vergeten en d'afstand steeds groeit die ons scheidt.

Het paard dat me draagt torst bedaard mijn verdriet, zo traag

Ploetert het voort alsof 't zware gewicht van mijn wee

Hem bedrukt, 't arme dier lijkt te weten vanuit zijn instinct

Dat zijn ruiter niet wil om met haast van zijn lief weg te gaan.

Zelfs 't bloederige spoor in zijn zij dat zijn ruiter uit woede

Soms stoot, drijft hem niet tot een snellere tred,

Slechts een zucht als een kreun is zijn antwoord op mij; meer verwond

Voel ik me dan het spoor in het vlees van mijn rijdier vermag.

Door het scherpe gekreun en de pijn van mijn paard ben ik bewust
Dat ellende voor mij ligt, in 't verleden het plezier en de lust.


Sonnet 51

'k Vergeef mijn paard, hoe sloom het me ook voert

Want als dit pad me verder brengt van waar

Jij nu vertoeft, waarom dan dit gespoed?

Zet wisselpaarden pas op terugreis klaar.

O, knol, 't benieuwt me welk excuus je vindt

Als snelste spoed me nog te traag zal schijnen:

Dan zal ik, spoorslags rijdend op de wind,

Ondanks de vleugels nog onbeweeglijk lijken!

Geen paard houdt mijn verlangen dan nog bij;

Verlangen - uit ware liefde ontsproten - spoort hier

Het wakkere vlees aan tot vurige razernij,

Maar liefde vergeeft aldus het moeë dier:

Liep hij met opzet traag bij jou vandaan,
Nu ren ik zelf naar jou en laat hem gaan.


Sonnet 52

Ik noem mezelf rijk omdat mijn sleutel

De zoete opgeborgen schat ontsluit,

Die hij met mate slechts bezoeken zal

Om 't schaars genot van 't liefdesvuur te sparen.

Want wat maakt feesten schaars en zo plechtstatig?

Dat ze in het jaarlijks wederkeren schitteren

Als spaarzaam uitgestrooide diamant,

Of edelstenen in een halssieraad.

Zo is de tijd die jou voor mij bewaart

Net als een kast voor 't kostbare gewaad,

Zodat het dubbel rijke zegening wordt

Wanneer het uit zijn kerker wordt gehaald.

Gezegend ben jij, door wiens waarde wint
Wie jou verkrijgt, en anders toch blijft hopen.


Sonnet 53

Wat is je essentie, waaruit ben jij gemaakt,

Dat zo veel schaduwen zich naar jou wenden?

Waar ieder mens slechts over één schim waakt,

Word jij in elk schaduwbeeld herkend.

Beschrijf Adonis, en die beeltenis

Toont maar een flauwe schaduw van jouw schoon;

Helena's praal is slechts wat Grieks vernis;

Aan jou alleen behoort de hoogste kroon.

Spreek van de lente en de rijke oogst:

De ene spiegelt enigszins jouw weelde,

De andere toont jouw overvloed het hoogst,

Die huist in elke gratie om ons heen.

Aan al wat fraai en schoon is heb jij deel;
In trouw aan jou gelijk is er geeneen.


Sonnet 54

0, Hoeveel schoner toch zich schoonheid toont,

Wanneer zij zoete glans erft van het ware!

Hoe mooi de roos ook is, wanneer gekroond,

Door zoete geur wint zij nog meer aan waarde.

De hondsroos bloeit met eendere diepe tint,

En haar parfum geurt net zoals de rozen,

Zij is doornig; en door dartele zomerwind

Wordt iedere verborgen knop ontsloten.

Daar zij slechts pronkt met schijn en rozerood

Verwelkt zij onbemind en zonder eer,

Terwijl van rozen na hun zoete dood

Hun geur in een fiool nog verder leeft.

Zo ook met jou: vergaat je schone aard,
Dan rest je slechts dit vers dat hem bewaart.


Sonnet 55

Noch marmer, noch vergulde monumenten

Van prinsen leven langer dan dit vers;

Maar jou laat ik meer stralen in mijn rijm

Dan een door tijd verweerde steen vermag.

Als oorlog alle beelden heeft verwoest

En van de bouwsels niets meer rest dan stof 

Brandt zelfs het zwaard van Mars of oorlogsvuur

Deze herinnering aan jou niet weg.

Trots dood en machtige vergetelheid

Zal jij je weg nog gaan, in lof bewaard,

Voor ogen die nog niet geboren zijn

En lijdzaam wachten op de Oordeelsdag.

Zo leef je tot je zelf weer herrijst
In mijn gedicht, en dwaalt in minnaarsogen.


Sonnet 56

Vernieuw, mijn zoete Liefde toch uw kracht, 

Zodat zij als weleer aan scherpte wint; 

Meer nog dan lust door voeding wordt verzacht, 

Wordt liefde sterker voor wie haar bemint:

Zelfs als je ogen vol verzadigd lijken

En d' ergste liefdeshonger is gestild,

Mag geest van liefde niet voor dofheid wijken; 

Zo zoek haar morgen weer voor ze verkilt.

De eenzaamheid die als een oceaan 

Geliefden scheidt kan niet voor eeuwig duren, 

Die droeve tussentijd is slechts een waan

Want hoop doet daag'lijks in de verte turen;

Of laat dit onze droeve winter zijn
Die zomerlust verjaagt met zonneschijn.


Sonnet 57

Wat bezigheden heb ik als jouw knecht

Dan me te richten naar jouw tijd en smaak;

Mijn tijd en dienst staan stil tot jij me zegt

Hoe ik die voor jouw profijt best nuttig maak.

Het trage slepen der uren treft geen verwijt,

Hoe bitter ook het wachten op me weegt;

Noch blijf ik wrokken om jouw wrede afscheid

Toen je mij als knecht hebt afgescheept.

Jaloersheid sta ik niet toe om me krenken,

Om wie en met welk doel je bent weggegaan;

'k Wil gelaten en droef als een slaaf aan niets denken,

Behalve aan wie jij geluk bracht in hun bestaan.

Zo dwaas is trouwe liefde dat, wat je ook doet,
Ze jou vergeeft omdat ze geen kwaad vermoedt.


Sonnet 58

God behoede het, die mij aan jou verknecht,

Dat ik je vrije tijd en je plezieren

Zou controleren als jaloerse gek;

Het past een slaaf slechts om zijn heer te dienen.

Laat me maar lijden in mijn eenzaamheid,

De kerker die ik op jouw last bewoon,

Verdraag ik als prijs voor jouw precieuze vrijheid,

Gelaten, zonder schelden of klaaglijk vertoon.

Ga waar je wil, het is je vorstelijk recht,

Je hebt een vrijbrief voor je vrije tijd,

Zo krachtig, dat geen misdaad je wordt ontzegd

Omdat je zelf gratie verleent voor elk feit.

Wachten is mijn deel, in helse pijn,
Of nu je daden goed of slecht zijn.


Sonnet 59

Is er niets nieuws en alles wat bestaat

Voordien reeds was, hoe kan het dat ons brein

Zichzelf misleidt en denkt dat 't vinding baart

Die reeds werd uitgebroed in vroeger tijd!

O, drong mijn geestesoog de tijd maar door:

Vijfhonderd zonnecirkels terug zou ik reizen

En in een antiek boek, stel ik me voor,

Jouw beeltenis vinden bij die oude wijzen.

Dan wist ik hoe ze het wonder van jouw leden

In deze oude tijden zouden beschrijven;

Zijn wij verbeterd, of zij nog steeds de beteren?

Of maakt ons wenteling der tijd gelijken?

Ach, 't is zeker dat die oude wijzen
Hun lof aan minderen dan jij wijdden.


Sonnet 60

Zoals de golven glijden naar het kiezelstrand, 

Zo spoedt zich onze tijd naar 't onvermijdelijke eind,

Elk wisselt plaats met wie er voor hem gaat,

En allen zwoegen voorwaarts in een rij.

Geboorte, eens badend in het grote licht,

Kruipt naar de rijpheid met haar verworven kroon,

Waarna haar glorie door eclipsen wordt belaagd,

En eens zo gulle tijd 't geschenk weer rooft.

De bloesem van de jeugd verandert tijd

Als zij in schoonheid diepe voren ploegt;

En schaars natuurschoon dient haar slechts tot voedsel,

Want niets wat rechtstaat kan haar zeis weerstaan.

En toch, ondanks haar wrede hand, hoop ik
Dat dit gedicht zijn lof aan jou blijft zingen.


Sonnet 61

Is het jouw geest die mij 's nachts wakker maakt,

Jouw beeld waarnaar mijn moede blik zich wendt?

Wil je dan echt dat ik aan slaap verzaak,

Wijl 't donkerte mij slechts jouw spotbeeld zendt?

Is het jouw schim die je naar mij laat gaan,

En mij van verre schaduwt en bespiedt,

Naar ledigheid of schaamtelijke daad,

Om door jaloersheid gedreven mijn zonde te zien?

Ach nee, zo groot schat ik jouw liefde niet;

Mijn liefde drukt mijn oog in sluimer neer!

Mijn ware liefde doet mijn rust teniet,

En speelt de nachtwacht over jouw wel en wee.

Ik waak over jou, terwijl jij ver van mij
Ook wakker bent, met ander lief nabij.


Sonnet 62

Verdorven zelfmin maakt mijn oog onrein,

Dringt in mijn ziel en ieder ander part;

En voor die zonde bestaat geen medicijn,

Daar zij verankerd is in heel mijn hart.

Geen schoonheid kan zich meten met de mijne,

Geen vorm zo mooi, geen woord zo waar gezegd;

Moest ik mijn eigen waarde willen peilen,

Dan bleek dat ze alle anderen overtreft.

Maar toont de spiegel hoe ik werkelijk ben,

Door tijd verweerd, gekrompen en verdord,

Dan dwingt dit strijdige schrikbeeld me dat ik beken:

Mezelf te minnen doet de deugd tekort.

Jij bent mijn ware zelf, die ik zo vereer,
En door jouw jeugd vind ik mijn vreugde weer.


Sonnet 63

Omdat mijn liefste eens zijn zal als ik,

Wanneer tijds ruwe hand hem uitperst en verslijt;

Als tijd zijn bloed heeft weggevloeid en zijn gezicht

Doorgroefd met rimpels is, als deze jonge dageraad

Is doorgereisd naar leeftijds avondval,

En het schoon waar hij als koning over heerst 

Stilaan verdwijnt tot niets meer overblijft,

En al zijn lenteschatten hem ontstolen zijn;

Tegen zulke tijden versterk ik me nu,

Tegen vernietiging van tijds wrede zeis,

Opdat, ook al knipt ze ooit zijn levensdraad, 

Ze niets van hem uit mijn geheugen snijdt.

In deze verzen blijft zijn schoonheid eeuwig groen
En zal hij verder leven zolang zij de ronde doen.


Sonnet 64

Zie ik hoe fel de tijd het trots vertoon

Van oude torens met zijn hand ontwijdt,

Onsterfelijk brons wreed van zijn glans berooft

En slecht wat werd gebouwd voor eeuwigheid,

Hoe de oceaan, met woeste golfslag

Vreet aan de kust en het strand van het koninkrijk

Hoe elders vaste grond weer wint aan kracht,

Zijn goed vermeerderend in een nieuwe strijd.

Wanneer ik merk dat elke staat weer keert

Tot andere staat of tot het niets vergaat,

Dan heb ik daaruit deze les geleerd:

Mijn lief, dit duurt slechts tot de tijd jou kaapt.

Ik leef met angst, maar weet: ik kan niet kiezen,
Tenzij te huilen als ik jou moet verliezen.


Sonnet 65

Als koper, noch steen noch aarde noch wijde oceaan

De trieste macht van dood kunnen weerstaan,

Hoe kan dan schoonheid dit geweld trotseren,

Wier kracht niet sterker is dan een bloem?

Hoe kan de zoete zomerbries het winnen

Van het vernietigend beleg der dagen,

Als zelfs onwrikbare rotsen dit niet kunnen,

En poorten van staal uiteindelijk begeven?

O, schrikkelijk denkbeeld! Waar toch kan

Tijds mooist juweel zich voor diens kist verbergen?

Welke sterke hand weerhoudt die snelle voet ?

Of wie stopt die verspilling van het schoon?

Ach, niemand, tenzij mijn zwarte inkt jouw stralend
Beeld voor eeuwig met de wereld deelt.


Sonnet 66

Hondsmoe ben ik, en sterven is mijn wens

Van eerzamen als bedelaar t' aanschouwen, 

En onbenullen met een rijke pens,

En door het valse lot geschaad vertrouwen,

En eerbetoon aan dwaze baantjesjagers

En onbesmette deugd tot hoer verlaagd,

En zuivere perfectie afgekraakt,

En kracht door zwakkeren ten val gebracht.

En kunst door blind bestuur monddood gemaakt,

En dwaasheid in een doktersjas verkleed,

En simpele waarheid om zijn aard versmaad,

En goedheid die moet buigen voor de zweep.

Het liefste ging 'k moegestreden heen,
Maar jij, mijn liefde, laat ik niet alleen.


Sonnet 67

Waarom leeft hij temidden van het kwaad

En geeft het kracht met zijn aanwezigheid?

De zonde hoopt te stelen van zijn waarde

En sier te maken met zijn edelheid.

Waarom schildert vals poeder wangenrood,

En bootst het leven na met dode gloed?

Is schoonheid dan op zoek naar valse roos

Die slechts een schaduw is van het ware bloed?

Wat leeft hij na bankroet van de natuur,

Te arm aan bloed om aders te doen leven?

Hij is voor haar het bewijs van haar bestuur

Dat hem als toonbeeld schiep om na te streven.

In hem toont zij een allerlaatste keer
In kwade tijden haar rijkdom van weleer.


Sonnet 68

Zo toont zijn aanschijn de kaart van eerdere dagen,

Toen schoonheid in leven en dood was als de rozen,

Voordat die valse blanketsels het licht zagen

Die het gelaat brutaal als woning kozen.

Voordat de gouden lokken van de doden,

Ontroofd aan het graf, gretig bijeen geschaard,

Aan een nieuw levend hoofd werden geboden,

Een dode vacht, die nu een ander draagt.

Alleen in hem is schoonheid nog als toen,

Oprecht en zonder sier zichzelf gebleven,

Geen zomer veinzend met gestolen groen:

Hij hoeft geen dode pruik of kleed te lenen.

Natuur moet als een kaart zijn beeld bewaren,
En zo kan kunst ooit 't oude schoon ervaren.


Sonnet 69

De schoonheid die je aan de wereld toont

Vult hart en denken met oprecht ontzag.

Eenieder zingt je lof op zulke toon,

Dat wie jou haat het ook de waarheid acht.

Je uiterlijk schoon wordt uiterlijk gekroond,

Maar door de tongen die je nu zo prijzen,

Word je na verder onderzoek gehoond

Wanneer ze dieper dan hun ogen kijken.

Zij meten dan de schoonheid van je hart

En gissen zo je waarde door je daden.

Het gunstig oordeel van hun blik verhardt

Wanneer jouw bloem in onkruidstank zou baden.

Waarom jouw geur niet strookt met jouw vertoon?
De poel waaruit je groeit, die stinkt gewoon.


Sonnet 70

Jou treft geen schuld, zo schandelijk veracht,

Want gratie was steeds doelwit van veel smaad.

Het ornament van schoonheid is verdacht:

Een kraai die zich in het hemels zwerk waagt.

Wees jij gewoon jezelf, hoezeer geschokt,

De liefde van de tijd geeft jou meer waarde.

Besef dat mooie bloesem kanker lokt,

En jij nu eenmaal straalt als 't maagdelijk voorjaar.

Uit alle hinderlagen van je jeugd

Kwam jij onaangetast uit het krijgsgeweld.

Maar afgunst wijt ik aan je falende deugd

Omdat zij dat lasterend beest niet heeft geveld.

Want zonder 't kleed van kwaad dat je omhult
Was elk hart met liefde voor jou vervuld.


Sonnet 71

Treur niet langer om mijn dood

Dan 't trage dreunen van de droeve klok

Die tijding brengt aan deze lage wereld

Dat ik gevlucht ben en bij wormen dwaal:

Neen, als jij deze regel leest, vergeet

De hand die het schreef; om liefdeswil: 

Geen droefenis is mijn herinnering waard,

Als aan mij denken jouw zoete hoofd ontrust. 

O, als jij ooit een blik slaat op dit vers, 

Wanneer de klei zich reeds met mij vermengt,

Verzucht dan zelfs mijn naam niet meer, 

Maar laat je liefde met mij sterven. Of wil je

Dat de wijze wereld jou beschimpt 
Om je verdriet voor mij, vergeten schim.


Sonnet 72

Stel dat de wereld verklaring van jou vraagt

Om welke deugd in mij je mij beminde;

Nadat ik sterf, zorg dat mijn beeld vervaagt,

Want niets in mij heeft enigszins verdienste.

Tenzij je een deugdzaam leugentje bedacht,

Dat na mijn dood mijn eerbaarheid zou prijzen

En mij veel meer toeschreef dan ik volbracht,

Veel meer dan kale waarheid kon bewijzen.

Laat toch geen valse schijn uw trouw onteren,

Mij prijzend om een deugd waarin ik faal.

Vergeet mijn naam, laat hem in het graf verteren,

Opdat hij mij noch jou te schande maakt.

Even beschaamd als ik voor dit gedicht
Moet jij zijn dat je voor mij bent gezwicht.


Sonnet 73

Aanschouw in mij die tijd van het jaar

Dat takken beven in de gure wind

In een verwoeste kruin met gele bladeren

Waar ooit nog zoete vogelzang weerklonk.

Zoals bij schemering van zulke dag

In het westen het zonnelicht verkwijnt

Zo word ook ik verzwolgen door de nacht,

Doods tweede zelf die alles rusten laat.

Het vuur dat je nog meent te zien in mij

Is slechts het gloeien van de as der jeugd,

Het doodsbed van mijn eens zo felle vuur,

Verteerd door dat waarmee het werd gevoed. 

Toch heeft jouw liefde bij dit weten baat:
Zij koestert diep wie haar weldra verlaat.


Sonnet 74

Maar wees getroost: als straks de diender mij daagt,

En ik, geen borg verleend, word weggeleid,

Dan hoop ik dat dit gedicht je toch behaagt,

Als heugenis die eeuwig bij je blijft.

Herlees je dit, dan vind je weer dat goed,

Mijn kostbaar wezen dat ik jou voorbehield.

Wat aarde is, komt aarde rechtens toe;

Aan jou schenk ik mijn beste deel, mijn ziel.

Wat je verloor is immers droes van leven:

Mijn dode lijf, voor wormenprooi bestemd,

Door tijds zeis lafhartig weggesneden,

Is het niet waard dat jij het nog herdenkt.

Wat echt van waarde is, vloeit uit mijn schrijven:
Dit vers als vrucht van geest zal bij je blijven.


Sonnet 75

Voor mijn gedachten ben jij als brood voor 't leven,

Een zoete regenbui die d' aarde drenkt;

In onrust strijd ik om behoud van vrede,

Net als een vrek die aan zijn schatten denkt.

Nu trots bezittend, kort daarop vol zorgen

Om eenieder die mijn schat zou stelen;

Nu weer liefst alleen met jou, verborgen,

Dan weer met de wereld mijn wellust delend.

Soms gans verzadigd als ik jou adoreer,

Dan, hongerig naar je blik, de dood nabij;

Genot of vreugd smaak ik niet langer meer

Tenzij wat was of zijn zal mijn hart verblijdt.

Zo kwijn ik weg of vreet ik net teveel,
En zo wordt alles, of helemaal niets mijn deel.


Sonnet 76

Waarom is mijn vers zo wars van nieuwigheid,

Zo schraal en saai gewrocht op eender patroon?

En volg ik niet de mode van de tijd,

Met nieuwe vinding en complex vertoon?

Waarom toch steeds hetzelfde liedje zingen,

Gekleed in al te zeer vertrouwd gewaad,

Moet dan uit ieder woord mijn naam weerklinken,

Waar het ontstond en hoe het werd gemaakt?

Weet wel, mijn liefste, dat jij mij inspireert,

Jouw liefde geeft mij stof en argument,

Dus al wat 'k maak is oud in een nieuw kleed,

Gewiekst verpakt als was 't een fris geschenk.

Zoals de zon weer elke dag verschijnt,
Zo klinkt mijn zang als een herhaald refrein.


Sonnet 77

Je spiegel toont je wat je het meeste vreest,

Je zonnewijzer hoe snel je tijd vergaat:

Vertrouw aan blanke bladen toch je geest,

Een boek, waaruit je deze lering haalt:

Elke rimpel die je glas weerkaatst

Wijst naar het open graf dat jou verbeidt,

En de schaduw op je wijzerplaat

Hoe steels de tijd zich sleept naar eeuwigheid.

Zie wat je kunt vergeten, schrijf het neer,

En zo je kroost, eens uit je hoofd ontvoogd,

Je geest weer vindt, heeft hij tot eigen eer

Bij nieuwe vondst de oude bedenksels geoogst.

Kijk dikwijls in dit boek: hoe meer je vindt,
Hoe meer je het boek verrijkt en zelf wint.


Sonnet 78

Zo vaak riep ik jou als mijn muze aan,

Als steun en inspiratie bij mijn rijm,

Wat elke vreemde pen ook heeft gedaan

Wier roemvol vers zo jouw heraut kon zijn.

Jouw blik, die bij de stommen zang verwekt,

Domheids zwaarte dwingt in hogere sferen,

Wijze vleugels met meer veren sterkt,

En gratie dubbele majesteit kan verlenen;

In mij toont zich pas echt jouw hoogste kunst,

Door jou verwekt, op jouw gezag geboren:

Aan anderen verleen jij slechts de gunst

Hun verzen te verbeteren met jouw woorden.

Maar jij bent al wat ik mijn Kunst kan heten,
En tovert ruwe kennis om tot weten.


Sonnet 79

Zolang u mij als enige hulp bood,

Genoot alleen mijn vers uw volle gratie,

Maar nu is al mijn vers van gunst beroofd,

En schenkt u aan een ander inspiratie.

Ik geef het toe: uw liefste schoon verdient

Wellicht ter uwer glorie vaardiger veer,

Maar toch, wat ook hij over u verzint,

Hij steelt het van U en geeft het U dan weer.

Wanneer hij spreekt van deugd, dan is dat woord

Aan uw gedrag ontleend; noemt hij U knap,

Dan vond hij dit in wat U toebehoort.

Zijn lof brengt niets dan wat U reeds bezat.

Dank hem dus niet voor wat hij U verklaart,
Zijn schuld aan u? U bent het die betaalt!


Sonnet 80

O, hoe mijn kracht, als ik jou beschrijf, verflauwt

Omdat een betere geest jouw naam bezingt,

En heel zijn kunst en lof aan jou vertrouwt,

Mijn tong verlammend terwijl zijn ode klinkt.

Jouw waarde is echter wijd als de oceaan,

Die zowel 't kleinste als 't grootste zeil wil dragen,

Zo durft mijn schamel bootje het ook aan

Om in je brede schoot naast hem te varen.

Terwijl zijn kloeke bark je diepten peilt,

Houd jij mij helpend recht in het ondiep,

En zo ik strand, of in het noodweer blijf,

Dankt hij zijn bouw dat hij de storm ontliep.

Vaart hij dan wel, en moet ik ondergaan,
Dan is mijn troost dat liefde me deed vergaan.


Sonnet 81

Leef ik het langst, dan schrijf ik jouw epitaaf

En leeft jij ‘t langst, zal ik in d’ aard verrotten.

Ondanks de dood blijft jouw herinnering gaaf

Terwijl van mij niets rest dan kale botten.

Jouw naam sterft nooit en leeft in ieders mond;

Als ik verdwijn ben ik voorgoed vergaan,

Een simpel graf wacht mij onder de grond,

Wijl jij in ieders ogen blijft bestaan.

Mijn zachte vers wordt jouw gedenkteken,

Aanschouwd door vele ongeboren ogen

En nieuwe tongen die het declameren

Als al wat nu nog ademt is verloren.

Zo leef jij voort in wat mijn veder zong -
In ieders adem en op ieders tong.


Sonnet 82

Het is waar: mijn muze heb jij niet getrouwd,

Dus noem ik het geen ontrouw of geen misdaad

Wanneer je lof van anderen overschouwt,

Wier boeken dwepen met jouw overmaat.

Zowel aan kennis als aan schoonheid rijk

Ga jij, wiens waarde mijn kunst zo ver overtreft,

Op zoek naar poëzie die jou gelijkt

En meer dan ik vermag jou hoog verheft.

Het zij zo, vriend, maar eens hun retoriek

Je eigendunk voldoende heeft gestreeld,

Word ik frank sprekend weer je trouw publiek,

En schets je onvervalste evenbeeld.

Hun kliederkunst past het bloedeloos gelaat,
Bij jouw natuurlijk schoon is het overdaad.


Sonnet 83

Ik merkte nimmer dat jij verf behoeft

Om je natuurlijk schoon te camoufleren;

Daar het elk likje verf overtroeft

Dat een begrensd poëet je aan wil smeren.

Daarom zweeg ik in plaats van jou te prijzen,

Opdat jouw levende zelf zou kunnen tonen

Hoe zwak moderne pennen jouw deugd beschrijven,

Die reeds volmaakt is door in jou te wonen.

Hoewel mijn zondig zwijgen jou schoffeert,

Is het mijn verdienste om jou zo stil te roemen;

Zo wordt je schoonheid niet gedeerd, en leeft

Terwijl de anderen haar naar het graf verdoemen.

Immers, er zit meer leven in een van jouw ogen,
Dan die beide poëten van jou kunnen betogen.


Sonnet 84

Wie zegt het meest, wie overtreft mijn lof:

Dat alleen jij jij bent, en niemand meer?

Want wie bewaart de stempel voor de stof,

Daarvan gelijken makend naar jouw beeld?

Wat arm gevormde pen moet het wel zijn

Die haar stof niet enige luister schenkt;

Wie jou kiest als subject voor zijn refrein

Volstaat het na te praten hoe je bent.

Laat hem gewoon je eigen tekst kopiëren,

Zonder natuur te schenden in haar kunst;

Dan zal deze kopij zijn geest vereren:

Roem wordt zijn deel, als dichter in de gunst.

Eén smet kan jouw zo schoon talent wel schaden:
Dat je, verslaafd aan lof, steeds meer wil vragen.


Sonnet 85

Mijn zangster roert sinds kort haar tong niet meer,

Terwijl zich boeken vullen die jou prijzen,

Met rijke woorden uit een gouden veer

Die jou bewaren en muzen eer bewijzen.

Ik denk het goede terwijl zij 't goede zingen,

'k Roep veinzend "Amen!" en luister in stille eerbied

Naar elk fraai gezang vol goede dingen

Die fijnere veders kwelen in hun lied.

Bij elke lof zeg ik dom "'t Is waar! 't Is waar!"

Maar geef het hoogste prijzen steels iets meer;

Mijn liefdevol gedacht is mij meer waard:

Een liefdeswoord, zelfs laatst gedacht, komt eerst.

Als lege pennezuchten je zo bekoren,
Acht mij dan ook, om mijn gedachte woorden.


Sonnet 86

Was het zijn zwellend zeil, zijn kunst zo groot,

Belust op buit - jouw al te kostbaar zelf! -

Dat mijn brein en mijn gedachten als dood

Achterliet in 't hoofd als grafgewelf?

Was het zijn geest, door geesten begeleid,

Die met zijn hemels schrijven mij versmachtte?

Toch niet, noch hij, noch duistere nachtgeleide

Hebben tesaam mijn vers van ziel ontkracht.

Noch hij, noch dat beminnelijke spook

Dat hem bij nacht bezoekt en hem misleidt,

Mogen zich prijzen om mijn dichtersnood:

Het is niet uit vrees voor hen dat ik nu zwijg.

Maar sinds zijn vers zich vult met jouw bekoren,
Verzwakt het mijne, daar jij mij bent ontstolen.


Sonnet 87

Vaarwel! Te kostbaar bezit ben jij voor mij,

Zo goed als zeker ken jij je eigen waarde;

Het handvest van je waarde maakt je vrij,

Mijn aanspraak op jouw schat is nu verjaard.

Ik hield je vast zolang je luim dit toestond,

Want waar zou mijn verdienste uit bestaan?

Dit rijk geschenk vindt in mijn doen geen grond

En keert nu weer om eigen weg te gaan.

Je schonk jezelf weg, toen je niet wist

Hoeveel je waard bent en hoe licht ik weeg,

Maar nu je inziet dat je je hebt vergist,

Vorder je terug wat ik onbillijk kreeg.

In dwaze dromen zie ik jou nog als de mijne,
Des nachts een koning, bij dag wordt alles schijn.


Sonnet 88

Zo het jou believen zou om mij te smaden,

En mijn verdienste openlijk te hekelen,

Dan zal ik mezelf aan jouw zijde scharen,

Jou deugdelijk noemen, jou meinedig wetend.

Met eigen zwakheden het best bekend

Zal ik, je helpend, een verhaal verzinnen

Over elke zonde die mij bevlekt;

Zo zou jij, mij verliezend, glorie winnen.

Jou te helpen zou ook mezelf baten,

Door elk van mijn gedachten aan jou te wijden,

Zo wordt de pijn van mijn denkbeeldig falen

Meer winst voor jou, en dubbel winst voor mij.

Zo sterk is mijn liefde dat ik veeleer
Jou recht wil doen en mezelf onteer.


Sonnet 89

Stel: ik doe een fout, en jij gaat heen,

Wel, dan verwijt ik mezelf mijn eigen falen;

Noem je me mank, dan strompel ik meteen,

Ik heb geen verweer: ik zal mijn schuld betalen.

Ik voel me nog niet half zo gegriefd

Wanneer je je bedrog verhult in schijn

Als wat ik doe omdat het jou belieft;

Het is je wil dat ik een vreemde lijk,

Je uit de weg ga en je naam verzwijg,

Zodat mijn mond die zoete klank vergeet;

Goddeloos oneerbiedig zou het zijn

Te zeggen wat ons vroeger samen smeedde.

Ik kies dus jouw kant wanneer je me belaagt,
Want ik mag nooit liefde voelen voor wie jij haat.


Sonnet 90

Wil je me haten, haat me dan liever nu;

Nu allen me zo hinderen en verachten,

Help het kwaad fortuin dat op mij spuwt,

En breek me nu, in plaats van nog te wachten.

Kom niet, eens mijn hart aan zorgen ontsnapt,

In nasleep van dat overwonnen leed,

Als regenmorgen op een stormnacht,

En draal dus niet met d' aanslag die je smeedt.

Wil je verdwijnen, doe het vooral niet laatst,

Nadat ik andere kleine pijnen versloeg;

Maar val als eerste aan en gun me die haast

Zodat ik het ergste noodlot al heb geproefd.

Al het volgend leed wordt dan slechts schijn,
Want jou verliezen blijft mijn grootste pijn.


Sonnet 91

De een bluft met geboorte of zijn weten,

De ander met zijn rijkdom of zijn kracht,

Die wil zich volgens laatste mode kleden,

Of gaat met valk, hond of paard op jacht;

Zo vindt eenieder zijn geschikt vermaak,

Dat boven elke vreugd verheven is.

Maar neem ik al die dingen in beraad,

Dan heeft één ding groter betekenis:

Jouw liefde is belangrijker voor mij

Dan titels, praal of eigentijds gewaad;

Zij schenkt meer vreugd dan jacht of stoeterij,

Jij bent het bezit dat anderen dromen laat.

Jou te verliezen is dus mijn grootste vrees,
Want eenmaal weg, word ik een arme wees.


Sonnet 92

Doe het dan maar! Bedenk wel als je gaat:

Jij was in eed van trouw aan mij gebonden;

Mijn leven eindigt zodra je mij verlaat,

Maar onze liefdesband wordt nooit ontbonden.

Daarom mag het ergste kwaad mij niet meer deren,

Als zelfs het minste leed mij zo verstoort.

Een beter lot wacht me dat rust kan geven,

Dan toestaan dat jouw kuur mijn hart doorboort.

Neen, die grilligheid van jou ben ik moe,

Ik kan mijn bestaan niet bouwen op zulk verraad;

O, welk geluk komt mij in tweevoud toe:

Als ik jou bezit, en eeuwig als ik doodga!

Maar wat is schoon en zonder vlek besmeurd?
Wellicht ben je ontrouw, en heb ik het niet bespeurd.


Sonnet 93

Zo zal ik leven, in je trouw geloven,

Veinzend als een teveel bedrogen gemaal

Dat liefde nog steeds in jouw gelaat zou wonen,

Maar 't hart op drift, ben jij niet meer loyaal.

Doordat ik uit je ogen geen haat vermoed,

Ben ik niet in staat verandering te lezen.

In veler blik nochtans is het gemoed

In frons en rimpel op hun huid geschreven.

Bij hemels decreet werd bij jouw geboorte

Bepaald dat liefde nooit je gezicht verlaat,

Wat ook je hart of denken ooit verstoort,

Uit je blik blijkt niets dat dit verraadt.

Als uit Eva's appel is jouw glans verwekt:
Een zoet vertoon dat het valse hart bedekt.


Sonnet 94

Wie macht heeft om te kwetsen en het niet doet,

Niet uitvoert wat op hem geschreven staat;

Wie, anderen sturend, zelf niet verroert,

Als steen zo koud is en bekoring weerstaat;

Die erft met recht de gratie van de hemel,

Springt zuinig om met wat natuur wil bieden,

Als heer en meester over eigen wezen,

Waar anderen zijn edelheid slechts dienen.

Hoewel de zomerbloem de zomer zoet,

Is zij alleen op eigen leven uit,

En eens die bloem een gore smet ontmoet,

Is zij nog minder waard dan 't laagste kruid.

Wat zoet is wordt door slechte daad vergald,
Een lelie, rottend, stinkt het ergst van al.


Sonnet 95

Hoe zoet en lieflijk maak jij toch de schande;

De worm die de roos haar schoonheid schaadt

Gelijkt hoe jij je goede naam verpandt!

O, welk zoet vertoon verhult jouw kwaad!

Wie melding maakt wat jij in het leven doet,

Met gore woorden jouw gedrag verslaat,

Lijkt het te prijzen, ofschoon hij het laken moet,

Alsof jouw naam te noemen zegening draagt.

O, heerlijke woonst, waar elke zonde intrekt

Die jou verkiest als eersterangs verblijf,

Waar elke smet met schoonheid wordt bedekt

En alles blinkt voor wie niet verder kijkt.

Dit voorrecht, liefste, neem het goed in acht,
Want misbruik maakt het hardste lemmer zacht.


Sonnet 96

Je fout is jeugd, zegt d' een, de ander: wulpsheid;

En nog een zegt: je jeugd en het minnespel;

Zij het deugd of fout, de liefde voor jou blijft,

Bij jou wordt elke fout als deugd geteld.

Zoals een valse ring aan waarde wint

Wanneer hij blinkt aan koninginnehand,

Zo worden ook je fouten die ik vind

Veranderd, en aan het schone en het ware verwant.

Mocht een wolf zich in een schaapsvacht kleden,

Hoeveel lammeren zou hij dan niet bekoren?

Hoevelen meer zou jij niet charmeren

Wanneer jij al je charme en kracht zou tonen?

Of nee, dat ik je liefheb op deze wijze
Maakt ook je goede naam geheel de mijne.


Sonnet 97

De tijd die ik ver van jou heb doorgebracht

Leek als een winter na ons vrolijk jaar!

Wat koude leed ik elke sombere nacht!

Decemberkaalheid nam ik overal waar!

Toch was het zomer toen wij gescheiden leefden

En daarna herfst met rijk gezwollen oogst,

Die zwanger was door lentes losse zeden,

Gelijk een weeuw met ongeboren kroost.

Als dwaze hoop hing daar die overdaad

Aan arme wezen en vaderloze vruchten,

Want zomer komt niet als je me verlaat;

Zelfs vogels zwijgen in hun droeve vluchten.

Of, als ze zingen, is het een droevig lied
Dat het blad uit wintervrees van kleur verschiet.


Sonnet 98

Ik was van jou afwezig in de lente,

Toen bont getooide april in al zijn pracht

De geest der jeugd in alle dingen prentte,

Dat zelfs sombere Saturnus lachte.

Noch 't lied der vogels, noch het zoet bouquet

Van vele bloemen dat mij eertijds verrukte,

Bracht mij tot dichten van een zomers vers

Of alles wat de aarde bood te plukken.

Ik heb de witte lelie niet geloofd,

Noch van de roos haar vermiljoen geëerd,

Daar al hun zoete fraaiheid mij bedroog

Met tweedehands schoon, dat jou slechts imiteert

Zo bleef het winter, stil en bar voor mij,
Slechts schaduwspel, als schimmen waren zij.


Sonnet 99

Toen het vroeg viooltje vrank zijn kop verhief,

Zei ik: dief! Vanwaar stal jij die zoete geur?

Zo ruikt mijn liefjes mond! En hemellief!

Die paarse gloed die nu je wangen kleurt?

Die heb je uit zijn aderen geroofd!

Jouw blanke hand maakte de lelie buit

En marjolein graait haren van je hoofd;

Zie rozen sidderen in de doornstruik:

De ene bleek, de andere rood van schaamte,

Een derde die noch rood noch wit, van beide

Stal, en zich tegoed deed aan jouw adem,

Maar om die roof in volste bloei zou lijden,

Toen zich een worm wreekte om haar daden.

Nog veel meer bloemen zag ik, maar ik meen:
Zij hadden slechts jouw geur en kleur in leen.


Sonnet 100

Waar ben je, Muze, die haar spraak verloor,

Vergat je wie je zo veel macht verleent?

Verspil je vuur niet aan iets waardeloos;

Je macht slinkt als je daar je licht aan geeft.

Vergeetachtige Muze, keer weer en doe boete

Voor die ledigheid met lieflijk rijm,

Zing in het oor dat trouw je verzen roemt,

En aan je pen de kunst en dichtstof reikt.

Lome Muze, beschouw dit zoet gelaat,

En zo de tijd er rimpels in verdiept,

Maak van zijn werk een hekeldicht, gehaat,

Bespot, door ieder die zijn buit beziet.

Geef liefde sneller roem dan tijd kan slopen,
Om diens zeis en kromme mes te ontlopen.


Sonnet 101

O, schelmse Muze, wat zijn nu je smoezen

Waarom je waarheid, in het schoon gedrenkt,

Verwaarloost, die beide in mijn vriend vertoeven?

Je vangt slechts eer met glans die hem bedekt.

Spreek op, Muze! Je antwoord luidt wellicht

Dat waarheid vaste kleur heeft en je denkt

Dat verf geen baat brengt aan een mooi gezicht;

Best is beter als het niet wordt vermengd?

Daar hij al straalt, blijf jij de stomme spelen?

Een lam excuus, want jij hebt heerschappij

Om hem zijn graf te laten overleven

En lof te oogsten tot in de eeuwigheid.

Aan het werk dus, Muze, zodat ik je kan leren
Hem later schijn van huidig schoon te geven.


Sonnet 102

Mijn liefde is sterker dan ze lijkt te zijn;

Zij mindert niet, maar geeft niet om vertoon;

Liefde wordt handel die zich verkoopt, verrijkt

Door wat haar tong publiekelijk verwoordt.

Toen onze liefde lente was en jong,

Bejubelde ik haar met kracht om te behagen;

Nadat de nachtegaal in 't voorjaar zong,

Verstom ook ik bij groei van rijper dagen.

Niet dat de zomer minder vreugde brengt

Dan toen zijn treurig lied de nacht bekoorde,

Maar 't zoet gezang wordt driftig overstemd;

Op elke tak valt nu muziek te horen.

Daarom, mijn lief, verstom ik soms mijn lied,
Want jou ermee vervelen wil ik niet.


Sonnet 103

Helaas! Mijn povere muze heeft gefaald

Om jou te tonen zoals je werkelijk bent:

Haar naakte onderwerp is veel meer waard

Dan de lof die hem mijn zangkunst brengt.

Maar laak mij niet omdat mijn veder zwijgt;

Kijk in je spiegel hoe je perfect gelaat

Met groot gemak mijn vinding overstijgt,

Die, meer dan jou te prijzen, mezelf schaadt.

Zou het geen zonde zijn ernaar te streven

Iets te verfraaien dat dit niet eens vereist,

Al is het slechts mijn doel jouw pracht te delen

In een gedicht dat al jouw deugden prijst.

En meer, veel meer dan mijn gerijm hier biedt,
Ontdek je zelf, als je in de spiegel ziet.


Sonnet 104

Mijn schone vriend, voor mij ben jij nooit oud

Want zoals ik je voor het eerst aanschouwde

Zo mooi ben je nog steeds. Drie koude winters

Schudden drie zomers' fierheid uit het bos,

Drie mooie lentes werden gele herfsten;

Ik was getuige van de loop van de seizoenen,

Hoe hete juni's aprilse geuren schroeiden,

Jij bent nog fris net als die eerste keer.

Maar ach! Toch steelt de schoonheid van zijn vorm

Zoals de wijzer van de tijd steelt, ongemerkt;

Zo ook vergaat je kleur die slechts lijkt stil te staan

Doordat de tijd mijn oog misleidt.

Heb vrees en luister, ongeboren kroost:
Eer gij er waart, was schoonheids zomer dood.


Sonnet 105

Noem mijn liefde geen afgoderij,

Noch wie ik bemin een afgodsbeeld,

Omdat ik ieder vers aan hetzelfde wijd,

Voor d' één, aan één, één en onverdeeld.

Goed is mijn liefde nu, en morgen goed

In trouw en lof aan 't waardevolle schone,

Vandaar dat ik mijn kunst beperken moet:

Zij schuwt variatie daar zij perfectie toont.

'Schoon, goed en waar', is heel mijn zaak,

'Schoon, goed en waar', anders verwoord,

Dit stelt zich mijn gedicht tot enige taak:

Die drie te laten klinken als één akkoord.

'Schoon, goed en waar', voorheen alleen,
Maar nu vindt men die drie in jou bijeen.


Sonnet 106

Als in kronieken van vergane tijd

De mooiste heldendaden staan beschreven,

En zij die schoonheid uitbeelden in rijm,

Van dames en ridders die lang zijn overleden,

Dan rust daarin het beste van hun schoon -

Van hand of voet, van voorhoofd, ogen, haren;

Maar zou een pen in zijn antieke toon

De schoonheid die jou siert kunnen bewaren?

Elke oude lofzang heeft als visioen

Onze tijd en jou voorafgebeeld;

Toch, was, ondanks die verre blik van toen

Hun kunst te klein voor het prijzen van jouw beeld.

Want zelfs wij, als tijdgenoten, falen
Om jouw perfectie met juiste lof te betalen.


Sonnet 107

Noch eigen vrees, noch ziel van wereldvuur

Die in dromen ziet wat komen zal,

Heeft zeggenschap over mijn liefdesduur,

Die zij verdoemde tot een snelle val.

De sterf'lijke maan heeft haar eclips doorstaan,

En niemand luistert nog naar de profeten;

Het onzekere heeft nu recht op zijn bestaan,

En de olijfboom verkondigt eeuwige vrede.

Nu balsemdauw van deze nieuwe tijd

Mijn liefde heelt, en dood is onderworpen

Omdat ik leven zal in eigen rijm,

Kan hij slechts heersen onder woeste horden.

Dit monument voor jou zal nog bestaan
Als bronzen heerserstomben zijn vergaan.


Sonnet 108

Wat zou mijn brein nog op papier vernoemen

Dat jou mijn trouw volmaakter zou beschrijven?

Wat is er nieuw te zeggen of te boeken

Dat jou mijn liefde beter zou belijden?

Niets, lieve knaap, het is een gebed

Dat ik elke dag opnieuw herhalen moet,

Steeds jong, al is het op eendere toon gezet:

"Gij Mij, Ik U" sinds ik je heb ontmoet.

Want eeuwige liefde, gehuld in een jong kleed,

Torst met gemak de last en het stof der jaren,

Zodat een rimpelig voorhoofd haar niet deert

En zij de ouderdom tot knecht kan maken.

Want liefdes kiem wordt nooit door tijd gedood,
Zelfs als de ouderdom haar vorm sloopt.


Sonnet 109

Een vals hart mag je me niet verwijten,

Al heeft mijn reis mijn liefdesvuur geluwd;

Nog liever zou ik van mezelf wijken

Dan dat mijn ziel jouw borst wordt uitgeduwd.

Daar huist mijn liefde, ook al heb ik gedoold

Langs vreemde wegen, bij thuiskomst na mijn trek

Te rechter tijd, ben ik dezelfde persoon

En was met eigen water mijn zondige vlek.

Geloof niet, ook al is mijn vlees zo week

Als ieder ander, bestormd door 't grillig bloed,

Dat ik zo zou doen wat je het ergste vreest:

Iets te verkiezen boven jouw hoogste goed.

O nee, niets anders verlang ik van dit heelal
Dan jij: jij bent mijn roos, mijn hele al.


Sonnet 110

Helaas, 't is waar! Ik heb zo dwaas gedoold,

Gelijk een nar, door iedereen gesmaad,

Mezelf niet meer, gaf 't kostbaarste te koop

En smette nieuwe liefde met oud kwaad.

Het is zeker waar dat ik naar trouw en deugd

Keek met vreemde, schuine blik; maar ach!

Wat won mijn hart door zonde nieuwe jeugd!

En 't slechte leerde mij hoe goed jij was.

Durf, na dit eind, terug eeuwige liefde hopen

Niets is er dat mijn zwerverslust verleidt

Om oude vriendschap voor een nieuwe te lozen,

Jij, liefdesgod, die ik ben toegewijd.

Verwelkom mij weer, die ik mijn hemel heet,
Gun me je liefde alsof ik geen zonde deed.


Sonnet 111

O, klaag om mijnentwil Fortuna aan,

Voor al het kwaad dat 'k ooit heb uitgebroed;

Zij draagt de schuld voor mijn gemeen bestaan,

Daar lage afkomst lage zeden broedt!

Zo kreeg mijn naam het brandmerk opgelegd

Waaraan mijn aard zich bijna onderwierp,

Zoals een ververshand zich kleurt in het werk;

Heb meelij dus, en bid dat ik vernieuw.

Ter heling van mijn aandoening ben ik bereid

Als een gedwee patiënt azijn te zwelgen;

Ik schuw geen medicijn vol bitterheid,

Noch dubbelzware straf die mij kan helpen.

Heb deernis dus, mijn lieve vriend, maar weet:
Dat dit volstaat ter heling van mijn leed.


Sonnet 112

Je liefde en meelij hebben de indruk geheeld,

Waarmee het plebs me het voorhoofd had gemerkt;

Wat kan het me schelen wie me bekritiseert,

Als jij maar 't slecht vergoedt en 't goede sterkt.

Jij bent alles waar ik naar wil streven,

Jouw blaam of lof is al wat er toe doet;

Niemand anders telt nog in dit leven,

Jij buigt het hardste staal van mijn gemoed.

In diepe afgrond smijt ik elk verdriet

En andere stemmen, als een adderoor

Zo doof voor lasteraar- en vleierslied,

Zo ging mijn aandacht voor die zorg teloor:

De band met jou houdt ons onscheidbaar samen,
Zodat ik al het andere dood kan wanen.


Sonnet 113

Mijn geest werd oog sinds ik ben weggegaan,

En dat wat mij voordien zo goed geleidde,

Heeft 't zien aan het brein gedeeltelijk afgestaan,

Is halfblind, hoewel het schijnt te kijken.

Geen enkel beeld bereikt nu nog mijn hart

Van vogel, bloem of welke vorm 't ook ziet;

Van vluchtige dingen wil mijn geest geen part,

En wat het oog ontwaart, behoudt het niet.

Schoon of ruw gemaakt, wat ik ook zag,

Hoe zoet ook het tafereel dat ik aanschouw,

Berg of zeegezicht, bij dag of nacht,

Kraai of duif, elk beeld hervormt naar jou.

Zo vult mijn trouwe geest zich met jouw beeld,
Dat het mijn eigen oog haar deugd ontsteelt.


Sonnet 114

Wellicht dronk zich mijn geest, door jou gekroond,

De pest aan koningsdrank, die vleierij?

Of is het dat mijn oog de waarheid toont

En dat jouw alchemie het onderwijst

Hoe hemelgeest te brouwen van een beest

En het een cherubijn te laten lijken

Naar jouw beeld, zo 't minste maakt tot meest,

Zodra jouw ogenstraal het ding kan grijpen.

O, 't zal het eerste zijn, mijn oog dat vleit;

Mijn geest weet zijn royale dorst geblust

Wanneer het oog zijn koningsgif bereidt,

Want het weet wat zijn gehemelte het liefste lust.

Is het vergif? Dan is het toch mindere zonde,
Omdat mijn ogen 't als eerste liefdevol dronken.


Sonnet 115

't Was leugen wat ik dichtte in het verleden,

Vooral dat ik niet inniger kon beminnen;

Mijn oordeel had geen reden om te weten

Dat mijn vuur met tijd aan gloed zou winnen.

Maar tijd, met duizend toevallen, slaat toe

Breekt eden en dwingt vorsten om te falen,

Taant schoonheid, verijdelt plannen en juicht toe

Hoe sterke geesten van hun koers afdwalen.

Mocht ik, bevreesd voor tijds dwingend gareel

Niet zeggen: Nu bemin ik je het best?

Toen onzekerheid een zekerheid leek,

Kroonde ik 't heden en twijfelde aan de rest!

Liefde, een kind? Ik kon toen niet vermijden
Als volle was te zien wat nog moest rijpen.


Sonnet 116

Waar ziel aan ziel zich in het huwelijk bindt

Zwijgt elk bezwaar; het mag geen liefde heten

Als zij verkeert waar zij verandering vindt

En willoos wijkt waar zij wordt heengedreven.

O nee, zij is de ster aan ‘t firmament

Die onbewogen neerziet op tempeesten.

De baak waarnaar ‘t verloren schip zich wendt;

Haar hoogte kenbaar, haar waarde ongemeten.

Zij duldt van tijd geen dwang, zelfs als zijn zeis

De jeugd en glans rooft van haar lippenrood: 

Tijd deert geen liefde op zijn korte reis 

En heeft geen vat op haar tot aan de dood.

Zo er bewijs is dat ik dwaal hierin
Dan schreef ik niets, en werd er nooit bemind.


Sonnet 117

Beschuldig me maar, want alles heb ik verkwist

Waarmee ik mijn schuld aan jou betalen zou;

'k Verzuimde zelfs mijn grootste liefdesplicht,

Die mij voor het leven dagelijks bindt aan jou.

Verwijt me dat ik met vreemden heb verkeerd,

Mijn tijd verspilde en jouw recht vergat,

Naar elke wind mijn zeilen heb gekeerd

Die mij zo ver van jou hebben gebracht.

Boek al mijn zonden, mijn dwarsheid en gebreken,

Voeg alles bij het bewijs van schuld en richt

Je toornig fronsen op mijn zondig wezen,

Maar koel je haat voor je je pijl afschiet.

Want mijn verdediging luidt dat ik wou bewijzen
Dat men standvastigheid in jou moet prijzen.


Sonnet 118

Zoals wij liever scherpe spijzen smaken

Die ons gehemelte prikkelen tot meer zin;

Zoals wij ons, voor ongeziene plagen,

Purgeren met lavement en aderlating;

Net zo greep ik, van jouw zoetheid vol,

Naar scherpere saus dan jij te bieden had,

En, de welvaart beu, vond ik het zinvol

Om ziek te maken waar geen ziekte was.

Die politiek om liefde te behoeden

Voor niet-bestaande kwalen, verwekte kwaad

Omdat gezonden geen artsenij behoeven,

Zelfs niet als het goed en zoet hen overlaadt.

De wijze les die ik hieruit onthoud:
Dat medicijn verziekt wie van je houdt.


Sonnet 119

Wat gifdrank uit sirenentraan gestookt

Dronk ik, uit helse kolven, zwart van binnen,

Hoop met angst bedekkend, en angst met hoop,

Steeds verliezend, wanneer ik dacht te winnen!

Hoeveel zonden heeft mijn hart begaan

Terwijl het zich bij zoveel zegening prees!

Wat heeft die koorts mijn ogen aangedaan,

Die ze als dwazen uit hun holten dreef?

Maar O! Het kwade brengt ook mooie gaven:

Het goede betert door wat 't boze doet;

En liefde die men voorgoed verloren waande,

Vernieuwt zich, sterker dan men had vermoed.

Ik zie nu in, als ik na boete terugkeer:
Wat het kwade nam, geeft het drievoudig weer.


Sonnet 120

Dat jij me kwetste, heeft mij goed gedaan:

Door het verdriet waaronder ik toen leed,

Voel ik het gewicht van wat ik heb begaan;

Mijn zenuwen zijn niet uit staal gesmeed.

Ben jij even gekrenkt door mijn misleiding,

Dan weet je welke hel ik toen verdroeg;

Zelf tiran, nam ik niet eens in overweging,

Hoe diep de wonde was die jij ooit sloeg.

O, had ik maar in beider smartensnacht

Beseft hoe echte pijnen het hart verteren,

Dan zou ik niet zo lang hebben gewacht

Om onze wonden met balsem te genezen.

Thans koop ik mij met jouw dwaling vrij
En jij vergoedt jouw zonde met die van mij.


Sonnet 121

Het is beter slecht te zijn dan slecht vermaard,

Als je niet bent wat anderen je noemen,

En rechtmatig plezier onschuldig kwijtraakt,

Veracht door anderen die je verdoemen.

Hoe kan de blik van overspeligen

Mijn dartel bloed verzieken met een vonnis,

Gevormd uit hun eigen zwakke vlees,

En hypocriet het kwaad zien waar het niet is?

Nee, ik ben wie ik ben; en elke schicht

Op mij gericht loochent hun eigen daden.

Misschien ben ik vol deugd en zij verplicht

Vanuit hun gore aard om mij te smaden.

Tenzij wij dit devies willen belijden:
De mens is slecht, maar kan door slechtheid leiden.


Sonnet 122

Je gift, je schrift, zit nu in mij verweven,

Beter bewaard tegen vergetelheid;

Zo blijft het boven iedere rang verheven,

Ongeschonden tot in de eeuwigheid:

Of tenminste tot mijn hart en ziel

Naar eigen kracht en aard blijven bestaan,

Tot ieder uiteindelijk zijn deel van jou verliest;

Tot dan zal jouw heugenis niet vergaan.

Dat schriftje van jou kan slechts zo veel bewaren

Alsof men herinnering in een stok zou snijden;

Daarom was het dat ik het wilde wagen

Om wat jij bent in eigen geest te schrijven.

Als ik daarnaast een schrift om jou begon,
Dan leek het alsof ik jou vergeten kon.


Sonnet 123

Snoef niet, Tijd, dat ik veranderen moet;

Jouw piramides en hedendaagse torens

Zijn niet zo vreemd of nieuw voor mijn gemoed;

Slechts opgesmukte praal die is vervlogen.

Zo kort is 't leven, dat je ons kan boeien

Met alles wat de glans van het oude toont,

En wij het liever nieuw en het onze noemen,

Dan een herhaling van verleden schoon.

Ik tart jou, tijd, jij en je kroniek,

Heb lak aan nu en aan wat vroeger was;

Want wat jij vastlegt, dat zien wij niet,

Tenzij vervormd door je snelle pas.

Dit kan ik zweren, mijn eed voor altijd trouw:
Ik blijf mezelf, ondanks je zeis en jou.


Sonnet 124

Wilde mijn liefde wereldlijke roem,

Dan was zij aan 't grillig Lot als bastaard gegeven,

Wiens begunstiging of haat verdoemt

Als onkruid of als bloem te moeten leven.

Maar mijn min, zij is geen toevalskind:

Zij dingt niet naar de gunst van sluw beleid,

En valt niet uit de gratie, onbemind

Als speelbal van vluchtige mode en tijd.

Zij heeft met staatkunde niets gemeen, noch schuwt

De korte pachten die zij wil verlenen;

Zij rekent voor haar groei op eigen kunde,

Ongehinderd door droogte en felle regen.

Schurken die naar een dood voor het goede streven,
Getuigen dat wij als tijds narren leven.


Sonnet 125

Zou het mij baten een baldakijn te dragen

Om ieder te tonen hoe ik jou vereer,

Of stenen te leggen om eeuwige bouwsels te schragen,

Die korter leven dan ruwe tijd hen verteert?

Zag ik dan niet dat wie naar gunsten haakt

Soms alles verliest door een te hoge huur?

Eenvoud minachtend voor hun hoge smaak

Zijn 't zielige vleiers zonder eigen bestuur.

Nee, je hart weet van mijn dienstbaarheid,

Ontvang mijn gift dus, arm maar ongebonden;

Zo zuiver, vrij van kunst heb ik bereid

Wat wij in wederzijdse liefde vonden.

Ga heen, jij omgekochte klager! Het verweer
Van zuivere zielen weerstaat je grofste sneer.


Sonnet 126

O jij, mijn liefste jongeling, je macht

Toont zich in hoe je tijd en spiegel veracht;

Jij, die ouder wordend bloeit, betraand

Beschouwt hoe schoonheid van je minnaars taant;

Indien Natuur, die leven en dood bepaalt,

Jouw schoon bewaart terwijl je verder gaat,

Behoed ze jou alleen om Tijd te kwellen,

Die door haar kunst jouw schoonheid niet kan vellen.

Maar vrees haar, liefste, al ben je haar juweel!

Zij remt de tijd, maar geeft hem toch zijn deel.

Hoewel verlaat, moet zij hem rekenschap geven
En word jij uiteindelijk in zijn armen gedreven.


Sonnet 127

In vroegere tijd werd zwart niet mooi geacht,

Of wie het mooi vond, mocht het zo niet heten;

Maar nu wordt zwart als erfgenaam hulde gebracht

En gratie wordt met verf erop gesmeten.

Nu ieder kunst als de natuur belooft,

En lelijkheid tot valse schoonheid maakt,

Wordt zoete schoonheid van haar naam beroofd,

Haar altaar met de grond gelijk gemaakt.

Daarom ook zijn haar haren ravenzwart,

En worden haar ogen als rouwenden bevonden;

Ofschoon het haar aan schoonheid niet ontbrak,

Wordt haar natuur met valse schijn geschonden:

Zo goed staat haar dat rouwend ogenpaar,
Dat ieder zegt: bezat mijn vrouw die verf maar.


Sonnet 128

Zodra je virginaal begint te spelen

En 't hout gezegend trilt op jouw bevel

Wanneer je zoete vingers erover zweven,

Dan laaft mijn oor zich aan het snarenspel.

Ik benijd die toetsen die behendig dansen

Naar de zachte holten van je hand,

Terwijl mijn eigen lippen d' oogst betrachten

Die nu bij dat brutaal klavier belandt!

Hoezeer verlangt mijn mond om daar te toeven

Waar pinnen aan jouw snaren mogen pikken,

Bezield door vingers die de toetsen beroeren,

Is dood hout zaliger dan levende lippen.

Zo dit de toetsen bevalt, geef ze intussen
Je hand, aan mij je lippen om te kussen.


Sonnet 129

Hoe levenskracht zich schandelijk verkwist

In lust tot daad: en tot de daad, in schuld

Meinedig, bloederig, en moorddadig is,

En wreed, extreem, niet te vertrouwen vervult

Wat het na snel genot weer snel versmaadt;

Zinloos nagestreefd, wordt na verovering

Het verzwolgen aas ook zinneloos gehaat,

Omdat wie toehapt gek wordt na bevrediging

En niet bedaart na het schieten van het wild.

De dolle jacht, de buit op zak gedaan,

Eerst zoet geproefd, wordt dan tot wee verzilt;

Eerst vreugd beloofd, nu slechts voorbije waan.

Dit weten wij, maar geen van ons die mijdt
Dit hemels pad dat naar de hel toe leidt.


Sonnet 130

Mijn liefjes oog straalt niet als zonneschijn,

Noch overtreft haar mond koralenrood;

Haar borsten zijn niet blank als sneeuw, maar grijs;

Zijn haren draad, dan staan die op haar hoofd.

Ik zag rozen staan in roze en rode kleur;

Geen roos verfraait de wangen van mijn meid;

Er zijn gewis parfums met zoeter geur

Dan wat ik ruik als zij haar lippen spreidt.

Ik vind het fijn wanneer ze praat, maar hecht

Aan zoetgevooisde klanken toch meer waarde;

Hoe een godin moet lopen weet ik niet echt,

Maar zij schrijdt met haar voeten op de aarde.

En toch bekoort zij mij veel meer dan zij
Wier schoonheid men met valse lof zo prijst.


Sonnet 131

Heerszuchtig ben jij als die valse schonen

Die hun bekoorlijkheid tot wreedheid maken,

Van al wie ooit mijn dwaze hart bewoonde

Ben jij het juweel dat me het diepst kan raken.

Wanneer een enkeling zegt dat jouw gezicht

Zijn bloed niet warmt of sneller stromen doet,

Dan vind ik dit weerleggen niet mijn plicht,

Al zweer ik zwijgend dat hij dwalen moet.

Waarom ik weet dat dit geen meineed is?

Jouw donkere schoon ontlokt mij menige zucht

Als duizendvoudige belijdenis:

't Is dus jouw zwartzijn dat me zo verrukt.

Echt zwart ben je uitsluitend in je daden,
Pas daardoor kunnen lasteraars je smaden.


Sonnet 132

Ik heb je ogen lief, want zij beklagen

Mij meer dan jouw minachtend hart laat zien;

Uit het zwart waarmee zij mij hun rouw toedragen

Blijkt diep erbarmen voor mijn ergst verdriet.

De ochtendzon aan d' oostelijke poort

Schijnt minder fraai op deze grijze wangen,

Noch spreidt de ster die in het westen gloort

Haar glans zo sterk tot aan de avondlanden

Als deze twee rouwers doen met jouw gelaat:

O, mocht dit alles jouw hart ertoe verleiden

Om mij te rouwen, omdat de rouw jou staat,

Tot alles in jou deelt in medelijden.

Dan zal ik zweren: Het zwart is ware schoonheid,
En blond door dat gemis slechts lelijkheid.


Sonnet 133

Verwenst zij 't hart dat het mijne zo doet kreunen

Voor zulk een wonde, mijn vriend en mij gegeven!

Was 't niet genoeg om mij alleen te kneuzen,

Dat hij nu ook in slavernij moet leven?

Ik ben mezelf verloren door jouw ogen,

En van mijn vriend liet je geen stukje heel;

Ik heb mezelf, jou en hem verloren,

Drievoudig onheil werd ons aller deel.

Kerker mijn hart in je stalen boezem,

Maar laat het mijne borg staan voor het zijne;

In eigen cel kan ik mijn vriend behoeden

Door hem te schutten tegen jouw ergste pijn:

Maar 't zal niet baten, want ik blijf dociel
En willoos verslaafd aan jou in hart en ziel.


Sonnet 134

Het is zo: 'k erken dat hij jou toebehoort,

En geef mezelf als onderpand aan jou;

Ik schenk mezelf aan jou, zodat je mijn troost,

Mijn vriend en ander zelf, ontheffen zou.

Dat weiger je, en hij wenst zich niet vrij,

Want jij bent te hebzuchtig, en hij te goed:

Die borg ondertekende hij voor mij,

Waardoor hij net als ik nu boeten moet.

Jij, woekeraar, je schoonheid is een wapen

Om winst te halen die je lust vervult;

Jij strikte een vriend die mijn last kwam dragen,

En die ik nu kwijt ben door mijn eigen schuld.

Ik heb hem verloren, en jij won allebei:
Hij betaalde de tol, en ik ben niet vrij.


Sonnet 135

Wat andere vrouwen ook willen, jij hebt je Wil,

Meer nog: een Wil erbij en bovenop;

Voor jou meer dan genoeg, zit ik niet stil,

Je zoete wil verwen ik tot ik stop.

Jouw wil, ontvankelijk groot en ruim gemaakt,

Verzet zich, al is het mijn natuurlijk recht;

Terwijl zij anderen inwilligt voor haar vermaak,

Wordt steeds mijn wil de toegang tot haar ontzegd.

Als zee, al het water, geen druppel regen afslaan

Om eigen voorraad verder te verrijken,

Dan zou jouw wulpse wil ook moeten toestaan

Dat deze ene Wil jou mag verblijden.

Schrik geen verzoekers af met een bars 'Neen';
Neem ze' allen samen in deze Wil alleen.


Sonnet 136

Schrikt je ziel wanneer ik dichter kom,

Verwijt haar dan haar blindheid, daar zij haar Wil

Vergat die haar steeds vrij benaderen mocht;

Vergun hem dus zijn zaak, om liefdeswil.

Zoals ik je wil vervul, vervult er geeneen;

Wat velen willen, dat heeft mijn wil gewonnen,

Na zoveel stortingen telt één voor geen,

En blijft je liefdeskluis dus ongeschonden!

Tel me niet mee in je totaalbedrag,

Of schrijf een nul waar het een één beduidt,

Houd me voor niets, al hield je me wel vast,

Al was het niets, dit niets was eens jouw buit.

Schenk al je liefde blijvend aan mijn naam,
Als je me mint, heeft Wil zijn ding gedaan.


Sonnet 137

Liefde, blinde dwaas, waarom mijn ogen

Zo voorliegen wat ze zien moeten?

Al weten ze wat en waar te vinden, het schone,

Toch willen ze al wat slecht is als goed begroeten.

Zo mijn ogen corrupt en partijdig zijn

En elk schip jouw haven binnenloopt,

Waarom dan heb je mijn valse ogenschijn

Aan het oordeel van mijn trouwe hart geknoopt?

Waarom zou ik denken dat je mijn eigendom bent

En geen grond waar ieder zijn spade in steekt?

Mijn ogen, die hebben zich telkens afgewend,

Jouw valse gelaat vervend met schone streken.

In waarheid hebben mijn ogen en hart gefaald,
En deze pest is daarvan het resultaat!


Sonnet 138

Zegt mijn lief: Mijn lof is waarheidsgetrouw!

Dan is dat zo, al denk ik dat ze liegt,

Opdat ze mij voor jong en argeloos houdt,

Onwetend dat de wereld me bedriegt.

Het vleit me dat ze aan me denkt als jong;

Hoewel ze weet hoe oud ik werkelijk ben,

Geloof ik haar verraderlijke tong;

Zo raakt de waarheid door beider misleiding gedempt.

Waarom bekent ze mij toch niet haar leugen,

En zeg ik niet gewoon: ik ben antiek?

Ach, liefde kan zich in de schijn verheugen,

En wie verliefd is telt zijn jaren niet.

Daarom belieg ik haar, en zij ook mij,
Bedrog van weerszij is batig voor ons gevrij.


Sonnet 139

O, vraag me niet je onschuld te bepleiten,

Jij, harteloos kreng, jij hebt mijn hart gebroken;

Laat niet je blik, maar tong mij opensplijten,

Ik verkies de strijd boven jouw slinkse ogen.

Zeg me alles, maar kijk niet van me weg,

Mijn lief, om sluiks naar anderen te zoeken;

Waarom met kunst mij wonden als ik zeg

Dat je met eigen macht meer winst kan boeken?

Maar ach, ik vergeef het haar, zij meent het goed

En weet dat mooie ogen mij doen lijden,

Waardoor ze haar blik naar anderen wenden moet,

Om mij te sparen van haar scherpe pijlen.

Of nee, toch niet, ik ben toch half dood,
Werp die blik, en help me uit mijn nood.


Sonnet 140

Wees wijs zoals je wreed bent, en terg niet

Mijn zwijgen en geduld met scherpe smaad;

Want eens geeft pijn woorden aan mijn verdriet,

En dan kent ieder je gemeen verraad.

Was je echt wijs, dan zou je mij vertellen

Dat je me mint, ook al meen je het niet:

Een norse zieke die de dood komt vellen,

Verkiest van dokters nieuws dat hem pleziert.

Zonder hoop word ik door gekte verteerd,

En in die dolheid zou ik jou mogelijk smaden;

In een wereld die de gekken eert,

Gelooft men licht de roddelpraat van dwazen.

Wil je niet dat dit ons overkomt,
Recht dan je blik, al zwerft je hart in het rond.


Sonnet 141

Het zijn mijn ogen niet die jou beminnen,

Wel duizend fouten zien zij in jouw gelaat;

Nee, het is mijn hart dat buiten zinnen

Van jou raakt, en zo mijn blik verraadt.

Jouw stem, die kan mij evenmin charmeren,

En wat jij strelen noemt, is eerder pijn;

Je geur en smaak zou ik met niemand delen,

Want het is geen feest alleen met jou te zijn.

Maar noch verstand, noch enig zintuig kan

Een dwaas als ik beletten jou te dienen,

Dit redeloos omhulsel, eens een man,

Duldt nu om zich als slaaf te laten gebieden.

De pest die liefde heet, smaakt evenwel zoet,
Daar ze haar zonde ook meteen beboet.


Sonnet 142

Liefde is mijn zonde, jouw lieve deugd is haat,

Haat voor mijn hart, omdat het zondig minde;

Maar vergelijk mijn zonde met jouw staat,

En zeg me dan of zij jouw straf verdiende.

Zo ik het verdien, dan toch niet uit jouw mond,

Die valselijk 't rood der lippen heeft beschaamd,

Zo vaak als ik me aan andere liefdes bond,

Heb jij bij vreemden liefdeswinst behaald!

Is het rechtvaardig dat jij hen allen verleidt,

Erken mijn recht dan dat ik hetzelfde doe,

Want voor jouw blik ben ik tot alles bereid;

Laat dus erbarmen tot jouw hart toe.

Naar eigen voorbeeld dien jij te worden berecht,
Wanneer je zoekt naar wat je mij steeds ontzegt!


Sonnet 143

Zie hoe die nijvere huisvrouw in allerijl

Haar kind neerzet en achter een hoen aanraast

Die uit zijn hok is losgebroken, terwijl

Zij niet eens let op het kind dat nu, verdwaasd

Omdat zij het achterliet, luid krijsend tiert

En hoopt haar in te halen; maar zij blijft blind

De vogel volgen die steeds verder vliedt

En ziet niet om naar het jammerende kind.

Zo jaag ook jij op elke kwieke heer,

Terwijl ik, je smachtend kind, ver achter hink,

Maar eens je buit gevangen, keer dan weer

En speel de moederrol, kus mij, je kind.

Zo bid ik voor het vangen van je Wil,
En dat je me dan troost tot ik verstil.


Sonnet 144

Twee liefdes heb ik: vertroosting en smart,

Twee geesten waarmee ik mijn leven leid:

De goede engel, een man met deugdzaam hart,

De slechte geest een vrouw die donker dreigt;

Om me nog sneller in haar hel te krijgen,

Lokt zij mijn engel weg met veel vertoon.

En wil met wulpsheid hem tot 't kwade neigen;

Verleidt haar zwarte trots zijn pure schoon?

En of mijn engel reeds de duivel dient,

Dat weet ik niet, al neem ik het wel aan;

Maar beiden weg van mij, en elkaars vriend,

Doen ze, denk ik, elkaar de duivel aan.

Met die onzekerheid vind ik in wachten baat,
Tot ooit mijn slechte geest de goede geest ontslaat.


Sonnet 145

De mond die Cupido's eigen hand ontwierp

Ademde zuchtend een klank uit die klonk als 'Ik haat'

Tot mij, die voor haar stond in dof verdriet:

Maar toen ze me zag in deze droeve staat,

Werd ze in haar hart bewogen tot medelij,

Haar tong berispend, die in zijn oordeel zoet

Genadig was en nu zichzelf voor mij

De spraak moest leren van een nieuwe groet;

'Ik haat' zei zij, maar gaf het een nieuw eind

Dat het volgde zoals de zachte dag

De kille nacht opvolgt die steels verdwijnt,

Naar de donkere hel die op hem wacht:

'Ik haat', zei mijn allerliefste mij nu,
En redde mijn leven toen er volgde: 'Niet u'.


Sonnet 146

Arme ziel, spil van mijn zondige stof,

Wat voed je de rebelse macht die je omhult,

Waarom kwijn je vanbinnen en lijd je zo,

En is je buitenkant zo vrolijk uitgedost? 

Waarom zoveel besteed in korte pacht,

Als deze fraaie woonst toch snel verkrot? 

Want wormen zijn de erven van die praal.

Wordt dit je dragers lot, je lichaams eind?

Teer liever zelf op je dienaars leed,

En laat zijn honger je eigen schat vergroten;

Verkoop dat schuim, beleg in eeuwigheid;

Wees innerlijk doorvoed en uiterlijk arm:

Zo wordt de dood je voedster, die zelf de mens verteert,
En eens Dood is gestorven, is er geen sterven meer.


Sonnet 147

Mijn liefde is een koorts die steeds maar haakt

Naar wat de ziekte langer duren doet;

Zij voedt de kwaal met wat haar erger maakt

En mijn gekweld verlangen lenigen moet.

Mijn verstand, de arts die mij wou helen,

Kwaad dat ik zijn medicijn versmaadde,

Heeft me verlaten, zodat ik nu moet leren:

Begeerte doodt wie aan de arts verzaakt.

Geen hoop meer heb ik, nu de rede zwijgt;

Gek van onrust in mijn spraak en denken

Lijk ik een dwaas die naar de waanzin neigt,

En woorden uitkraamt die de waarheid krenken.

Want jij, die ik immer schoon en lichtend zag,
Bent lelijk als de hel en duister als de nacht.


Sonnet 148

O, liefde, wat voor ogen in mijn hoofd

Gaf je mij, die mij geen waarheid tonen,

Of, indien wel, is mijn verstand gedoofd

En heeft zijn valse oordeel mij bedrogen?

Als schoonheid woont waar het dwaze oog op rust,

Hoe kan het dat eenieder dit bestrijdt?

Alleen mijn oog is zich van schoon bewust,

Terwijl het hunne zegt dat het mij misleidt.

Hoe kan het ook? Een scherpziend liefdesoog?

Merk toch hoe, uitgeput, het traant en staart;

Geen wonder is het dat het mij beloog:

De zon ziet ook niets tot de hemel klaart.

O, sluwe min, je vertroebelt met traan mijn zicht,
Zo brengt geen goedziend oog je list aan 't licht.


Sonnet 149

Zeg niet zo wreed, dat ik niet van je hou,

Ik die, als bondgenoot, mezelf bestreed;

Hoe kun je zeggen dat ik niet denk aan jou

Wanneer ik als eigen tiran mezelf vergeet?

Wie haat je dan die ik mijn vriend wil heten?

Wie vlei ik dan die jij liefst wil vermijden?

En treft je woede mij, zou ik jou niet wreken

Door voor mijn fout onmiddellijk te lijden?

Welk verdienste van mij legitimeert

Om te verachten wat jij mij hebt bevolen,

Als 't beste in mij het slechtste in jou vereert,

Gedreven door het dwingen van jouw ogen?

Maar liefste, haat me maar, want jij bemint
Wie uit zijn ogen ziet, en ik ben blind.


Sonnet 150

Aan welke macht ontleen jij dit gezag

Dat je mijn dwaze hart regeert met slechtheid?

Dat wat mijn ogen zien ik leugen acht,

En zeg dat het de dag ontbreekt aan klaarheid?

Hoe komt het dat het kwade het goede lijkt

Bij jou, en dat uit elke verdorven streek

Bewijs van kracht en hogere kunde blijkt,

Waardoor mijn geest jouw kwaad als het beste eert?

Wie leerde jou mijn liefde te doen groeien,

Als haat zich eerder voedt met wat ik zie?

Al heb ik lief wat anderen verfoeien,

Verfoei, met anderen, mijn toestand niet.

Als zelfs jouw slechte hart mijn liefde wint,
Ben ik het meer dan waard dat jij mij mint.


Sonnet 151

Zo jong is liefde, dat zij het geweten niet kent;

Maar ieder weet toch dat het uit liefde ontstaat?

Welnu, bedriegster, die steeds mijn fout inprent;

Berisp me alleen als je zelf geen zonde begaat.

Omdat je mij verraadt, verraad ik op slag

Mijn edeler deel aan 't grove, vleselijk lijf;

Mijn ziel zegt tot het vlees dat het zich mag

Verliezen in de triomf van het liefdesbedrijf.

Als bij jouw naam het rijst en vergenoegd

Wijst naar zijn prijs, zo richt het vlees zich op,

Voldaan om jou te dienen met zijn gezwoeg,

Steunt hij jouw zaak, met dienstig lijf en kop.

Verwijt me niet dat ik haar 'lief' wil heten,
Voor wie ik sta en val in goed geweten.


Sonnet 152

Mijn liefde voor jou deed mij de leugen beminnen,

Maar jij bedroog tweemaal: je liefde zwerend

In mijn bed, en daarna bij het beginnen

Van nieuwe liefde, die dra tot haat verkeerde.

Die dubbele leugen die ik jou verwijt

Is echter niets, daar 'k zelf twintig maal

Mijn woord verbrak; vooral heb ik nu spijt

Dat niets van wat ik zei jou eerlijk maakt.

'k Zwoer dure eden dat je lief, bemind

En eerlijk was, maar om dat valse licht

Op jou te schijnen, werden mijn ogen blind,

Gedwongen tot een mooi, maar vals gezicht;

Je eerlijk te noemen, was een valse eer,
Al heeft die leugen alleen mezelf gedeerd.


Sonnet 153

Cupido legde zich bij zijn fakkel te slapen,

Het was Diana's dienstmaagd die hem zo vond;

Zij dompelde zijn toorts in het koele water

Van een bron die in de vallei ontsprong.

Het water warmde zich aan het heilige vuur,

En zijn eeuwige, leven brengende hitte;

Dit ziedend bad bracht zieke mannen een kuur

En verlichting voor hun vreemde ziekten.

Maar in haar ogen zag ik opnieuw de vlam

Van Cupido's toorts die heel mijn borst deed blaken;

Verteerd door minnepijn ijlde ik naar het bad,

Maar het kon mijn liefdeskoorts niet langer baten.

Te baden in jouw blik is betere kuur
Als Cupido mij schroeit met liefdesvuur.


Sonnet 154

Eens lag de kleine liefdesgod te slapen,

De fakkel van de liefde naast zijn zij;

Een groep van nimfen, gezworen kuise maagden,

Kwam de schone jongeling voorbij.

De schoonste maagd greep toen de vurige toorts,

Die zoveel harten had verwarmd; Slapend

Werd de heer der lust en liefdeskoorts

Door een onschuldige maagdenhand ontwapend.

Zij lei de fakkel in een bron te koelen,

Die sinds die dag in eeuwige warmte gloeit,

Tot heil van mannen die genezing zoeken;

Maar door mijn meesteres als slaaf geboeid,

Vond ik geen kuur, waarmee ik bewezen acht
Dat liefde gloeit waar water niets vermag.

SHAKESPEARE


Sonnet 1

From fairest creatures we desire increase,

That thereby beauty's rose might never die,

But as the riper should by time decease

His tender heir might bear his memory.

But thou, contracted to thine own bright eyes,

Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel,

Making a famine where abundance lies,

Thyself thy foe, to thy sweet self too cruel.

Thou that art now the world's fresh ornament

And only herald to the gaudy spring,

Within thine own bud buriest thy content,

And, tender churl, mak'st waste in niggarding.

Pity the world, or else this glutton be,
To eat the world's due, by the grave and thee.


Sonnet 2

When forty winters shall besiege thy brow

And dig deep trenches in thy beauty's field,

Thy youth's proud livery, so gazed on now,

Will be a tattered weed of small worth held.

Then being asked where all thy beauty lies,

Where all the treasure of thy lusty days,

To say within thine own deep sunken eyes

Were an all-eating shame and thriftless praise.

How much more praise deserved thy beauty's use,

If thou couldst answer: 'This fair child of mine

Shall sum my count and make my old excuse',

Proving his beauty by succession thine.

This were to be new made when thou art old,
And see thy blood warm when thou feel'st it cold.


Sonnet 3

Look in thy glass and tell the face thou viewest

Now is the time that face should form another,

Whose fresh repair if now thou not renewest,

Thou dost beguile the world, unbless some mother.

For where is she so fair whose uneared womb

Disdains the tillage of thy husbandry?

Or who is he so fond will be the tomb

Of his self-love to stop posterity?

Thou art thy mother's glass, and she in thee

Calls back the lovely April of her prime;

So thou through windows of thine age shalt see,

Despite of wrinkles, this thy golden time.

But if thou live remembered not to be,
Die single and thine Image dies with thee.


Sonnet 4

Unthrifty loveliness, why dost thou spend

Upon thyself thy beauty's legacy?

Nature's bequest gives nothing, but doth lend,

And being frank, she lends to those are free.

Then, beauteous niggard, why dost thou abuse

The bounteous largesse given thee to give?

Profitless usurer, why dost thou use

So great a sum of sums yet canst not live?

For having traffic with thy self alone,

Thou of thyself thy sweet self dost deceive.

Then how when nature calls thee to be gone,

What acceptable audit canst thou leave?

Thy unused beauty must be tombed with thee,
Which, usèd, lives th' executor to be.


Sonnet 5

Those hours that with gentle work did frame

The lovely gaze where every eye doth dwell

Will play the tyrants to the very same,

And that unfair which fairly doth excel.

For never-resting time leads summer on

To hideous winter, and confounds him there,

Sap checked with frost and lusty leaves quite gone,

Beauty o'er-snowed and bareness everywhere.

Then, were not summer's distillation left

A liquid prisoner pent in walls of glass,

Beauty's effect with beauty were bereft,

Nor it nor no remembrance what it was.

But flowers distilled, though they with winter meet,
Lose but their show; their substance still lives sweet.


Sonnet 6

Then let not winter's ragged hand deface

In thee thy summer ere thou be distilled.

Make sweet some vial, treasure thou some place

With beauty's treasure ere it be self-killed.

That use is not forbidden usury

Which happies those that pay the willing loan;

That's for thyself to breed another thee,

Or ten times happier be it ten for one;

Ten times thyself were happier than thou art

If ten of thine ten times refigured thee.

Then what could death do if thou shouldst depart,

Leaving thee living in posterity?

Be not self-willed, for thou art much too fair
To be death's conquest and make worms thine heir.


Sonnet 7

Lo, in the orient, when the gracious light

Lifts up his burning head, each under eye

Doth homage to his new appearing sight,

Serving with looks his sacred majesty.

And having climbed the steep up heavenly hill,

Resembling strong youth in his middle age,

Yet mortal looks adore his beauty still,

Attending on his golden pilgrimage.

But when from highmost pitch with weary car

Like feeble age he reeleth from the day,

The eyes ('fore duteous) now converted are

From his low tract, and look another way.

So thou, thyself out-going in thy noon,
Unlooked on diest unless thou get a son.


Sonnet 8

Music to hear, why hear'st thou music sadly?

Sweets with sweets war not, joy delights in joy;

Why lov'st thou that which thou receiv'st not gladly,

Or else receiv'st with pleasure thine annoy?

If the true concord of well-tuned sounds,

By unions married, do offend thine ear,

They do but sweetly chide thee, who confounds

In singleness the parts that thou shouldst bear.

Mark how one string, sweet husband to another,

Strikes each in each by mutual ordering;

Resembling sire, and child, and happy mother,

Who all in one, one pleasing note do sing,

Whose speechless song, being many, seeming one,
Sings this to thee: 'thou single wilt prove none.'


Sonnet 9

Is it for fear to wet a widow's eye

That thou consum'st thy self in single life?

Ah, if thou issueless shalt hap to die

The world will wail thee like a makeless wife,

The world will be thy widow and still weep

That thou no form of thee hast left behind,

When every private widow well may keep –

By children's eyes – her husband's shape in mind.

Look, what an unthrift in the world doth spend

Shifts but his place, for still the world enjoys it;

But beauty's waste hath in the world an end,

And kept unused the user so destroys it.

No love toward others in that bosom sits
That on himself such murd'rous shame commits.


Sonnet 10

For shame deny that thou bear'st love to any,

Who for thyself art so unprovident.

Grant, if thou wilt, thou art beloved of many,

But that thou none lovest is most evident;

For thou art so possess'd with murderous hate

That 'gainst thyself thou stick'st not to conspire.

Seeking that beauteous roof to ruinate

Which to repair should be thy chief desire.

O, change thy thought, that I may change my mind!

Shall hate be fairer lodged than gentle love?

Be, as thy presence is, gracious and kind,

Or to thyself at least kind-hearted prove:

Make thee another self, for love of me,
That beauty still may live in thine or thee.


Sonnet 11

As fast as thou shalt wane so fast thou grow'st,

In one of thine, from that which thou departest,

And that fresh blood which youngly thou bestow'st,

Thou mayst call thine, when thou from youth convertest.

Herein lives wisdom, beauty, and increase,

Without this folly, age, and cold decay.

If all were minded so, the times should cease

And threescore year would make the world away.

Let those whom nature hath not made for store,

Harsh, featureless, and rude, barrenly perish.

Look whom she best endowed: she gave thee more,

Which bounteous gift thou shouldst in bounty cherish.

She carved thee for her seal, and meant thereby
Thou shouldst print more, not let that copy die.


Sonnet 12

When I do count the clock that tells the time,

And see the brave day sunk in hideous night;

When I behold the violet past prime,

And sable curls all silvered o'er with white;

When lofty trees I see barren of leaves,

Which erst from heat did canopy the herd,

And summer's green all girded up in sheaves

Borne on the bier with white and bristly beard:

Then of thy beauty do I question make

That thou among the wastes of time must go,

Since sweets and beauties do themselves forsake,

And die so fast as they see others grow;

And nothing 'gainst time's scythe can make defense
Save breed to brave him when he takes thee hence.


Sonnet 13

O that you were your self, but love you are

No longer yours than you your self here live.

Against this coming end you should prepare,

And your sweet semblance to some other give.

So should that beauty which you hold in lease

Find no determination; then you were

Your self again after your self's decease,

When your sweet issue your sweet form should bear.

Who lets so fair a house fall to decay,

Which husbandry in honour might uphold

Against the stormy gusts of winter's day

And barren rage of death's eternal cold?

O none but unthrifts; dear my love, you know
You had a father: let your son say so.


Sonnet 14

Not from the stars do I my judgement pluck

And yet methinks I have astronomy,

But not to tell of good, or evil luck,

Of plagues, of dearths, or seasons' quality,

Nor can I fortune to brief minutes tell,

Pointing to each his thunder, rain and wind,

Or say with princes if it shall go well

By oft predict that I in heaven find.

But from thine eyes my knowledge I derive,

And, constant stars, in them I read such art

As truth and beauty shall together thrive

If from thy self to store thou wouldst convert.

Or else of thee this I prognosticate:
Thy end is truth's and beauty's doom and date.


Sonnet 15

When I consider every thing that grows

Holds in perfection but a little moment,

That this huge stage presenteth nought but shows

Whereon the stars in secret influence comment,

When I perceive that men as plants increase,

Cheered and checked even by the self-same sky,

Vaunt in their youthful sap, at height decrease,

And wear their brave state out of memory,

Then the conceit of this inconstant stay

Sets you most rich in youth before my sight,

Where wasteful time debateth with decay

To change your day of youth to sullied night,

And all in war with Time for love of you,
As he takes from you, I engraft you new.


Sonnet 16

But wherefore do not you a mightier way

Make war upon this bloody tyrant Time?

And fortify your self in your decay

With means more blessed than my barren rhyme?

Now stand you on the top of happy hours,

And many maiden gardens yet unset

With virtuous wish would bear your living flowers,

Much liker than your painted counterfeit.

So should the lines of life that life repair

Which this Time's pencil or my pupil pen

Neither in inward worth nor outward fair

Can make you live your self in eyes of men.

To give away your self keeps your self still,
And you must live drawn by your own sweet skill.


Sonnet 17

Who will believe my verse in time to come

If it were filled with your most high deserts?--

Though yet, heaven knows, it is but as a tomb

Which hides your life, and shows not half your parts.

If I could write the beauty of your eyes

And in fresh numbers number all your graces,

The age to come would say 'This poet lies;

Such heavenly touches ne'er touched earthly faces.'

So should my papers, yellowed with their age,

Be scorned, like old men of less truth than tongue,

And your true rights be termed a poet's rage

And stretchèd metre of an antique song.

But were some child of yours alive that time,
You should live twice: in it, and in my rhyme.


Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer's day?

Thou art more lovely and more temperate.

Rough winds do shake the darling buds of May

And summer's lease hath all too short a date;

Sometime too hot the eye of heaven shines,

And often is his gold complexion dimmed,

And every fair from fair sometime declines,

By chance, or nature's changing course untrimmed;

But thy eternal summer shall not fade,

Nor lose possession of that fair thou ow'st,

Nor shall death brag thou wand'rest in his shade,

When in eternal lines to time thou grow'st:

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.


Sonnet 19

Devouring time, blunt thou the lion's paws,

And make the earth devour her own sweet brood;

Pluck the keen teeth from the fierce tiger's jaws,

And burn the long-lived phoenix, in her blood.

Make glad and sorry seasons as thou fleet'st,

And do whate'er thou wilt, swift-footed time,

To the wide world and all her fading sweets.

But I forbid thee one most heinous crime:

O, carve not with thy hours my love's fair brow,

Nor draw no lines there with thine antique pen.

Him in thy course untainted do allow

For beauty's pattern to succeeding men.

Yet do thy worst, old time; despite thy wrong
My love shall in my verse ever live young.


Sonnet 20

A woman's face with nature's own hand painted

Hast thou, the master-mistress of my passion;

A woman's gentle heart, but not acquainted

With shifting change as is false women's fashion;

An eye more bright than theirs, less false in rolling,

Gilding the object whereupon it gazeth;

A man in hue all hues in his controlling,

Which steals men's eyes and women's souls amazeth.

And for a woman wert thou first created,

Till Nature as she wrought thee fell a-doting,

And by addition me of thee defeated

By adding one thing to my purpose nothing.

But since she pricked thee out for women's pleasure,
Mine be thy love and thy love's use their treasure.


Sonnet 21

So is it not with me as with that muse,

Stirred by a painted beauty to his verse,

Who heaven itself for ornament doth use

And every fair with his fair doth rehearse,

Making a couplement of proud compare

With sun and moon, with earth and sea's rich gems,

With April's first-born flowers and all things rare

That heaven's air in this huge rondure hems.

O let me, true in love, but truly write,

And then believe me: my love is as fair

As any mother's child, though not so bright

As those gold candles fixed in heaven's air.

Let them say more that like of hearsay well,
I will not praise that purpose not to sell.


Sonnet 22

My glass shall not persuade me I am old

So long as youth and thou are of one date;

But when in thee time's furrows I behold,

Then look I death my days should expiate.

For all that beauty that doth cover thee

Is but the seemly raiment of my heart,

Which in thy breast doth live, as thine in me.

How can I then be elder than thou art?

O therefore, love, be of thyself so wary,

As I not for my self, but for thee will,

Bearing thy heart, which I will keep so chary

As tender nurse her babe from faring ill.

Presume not on thy heart when mine is slain,
Thou gav'st me thine not to give back again.


Sonnet 23

As an unperfect actor on the stage

Who with his fear is put beside his part,

Or some fierce thing replete with too much rage

Whose strength's abundance weakens his own heart,

So I for fear of trust, forget to say

The perfect ceremony of love's rite,

And in mine own love's strength seem to decay,

O'ercharged with burthen of mine own love's might.

O let my looks be then the eloquence

And dumb presagers of my speaking breast,

Who plead for love and look for recompense

More than that tongue that more hath more expressed.

O learn to read what silent love hath writ,
To hear with eyes belongs to love's fine wit.


Sonnet 24

Mine eye hath played the painter and hath stelled

Thy beauty's form in table of my heart,

My body is the frame wherein ’tis held,

And perspective it is best painter's art.

For through the painter must you see his skill,

To find where your true image pictured lies,

Which in my bosom's shop is hanging still,

That hath his windows glazed with thine eyes.

Now see what good turns eyes for eyes have done:

Mine eyes have drawn thy shape, and thine for me

Are windows to my breast, where-through the sun

Delights to peep, to gaze therein on thee.

Yet eyes this cunning want to grace their art:
They draw but what they see, know not the heart.


Sonnet 25

Let those who are in favour with their stars

Of public honour and proud titles boast,

Whilst I, whom fortune of such triumph bars

Unlook'd for joy in that I honour most.

Great princes' favourites their fair leaves spread

But as the marigold at the sun's eye,

And in themselves their pride lies buried,

For at a frown they in their glory die.

The painful warrior famoused for fight,

After a thousand victories once foil'd,

Is from the book of honour razed quite,

And all the rest forgot for which he toil'd:

Then happy I, that love and am belov'd,
Where I may not remove nor be remov'd.


Sonnet 26

Lord of my love, to whom in vassalage

Thy merit hath my duty strongly knit,

To thee I send this written embassage

To witness duty, not to show my wit.

Duty so great, which wit so poor as mine

May make seem bare, in wanting words to show it;

But that I hope some good conceit of thine

In thy soul's thought (all naked) will bestow it,

Till whatsoever star that guides my moving,

Points on me graciously with fair aspect,

And puts apparel on my tattered loving,

To show me worthy of thy sweet respect.

Then may I dare to boast how I do love thee;
Till then, not show my head where thou mayst prove me.


Sonnet 27

Weary with toil, I haste me to my bed,

The dear repose for limbs with travel tired,

But then begins a journey in my head

To work my mind, when body's work's expired.

For then my thoughts (from far where I abide)

Intend a zealous pilgrimage to thee,

And keep my drooping eyelids open wide,

Looking on darkness which the blind do see.

Save that my soul's imaginary sight

Presents thy shadow to my sightless view,

Which like a jewel (hung in ghastly night)

Makes black night beauteous, and her old face new.

Lo, thus by day my limbs, by night my mind,
For thee, and for my self, no quiet find.


Sonnet 28

How can I then return in happy plight

That am debarred the benefit of rest?

When day's oppression is not eased by night,

But day by night and night by day oppressed.

And each (though enemies to either's reign)

Do in consent shake hands to torture me,

The one by toil, the other to complain

How far I toil, still farther off from thee.

I tell the day to please him thou art bright,

And dost him grace when clouds do blot the heaven.

So flatter I the swart-complexioned night,

When sparkling stars twire not thou gild'st the even.

But day doth daily draw my sorrows longer,
And night doth nightly make grief's length seem stronger.


Sonnet 29

When, in disgrace with Fortune and men's eyes,

I all alone beweep my outcast state,

And trouble deaf heaven with my bootless cries,

And look upon myself and curse my fate,

Wishing me like to one more rich in hope,

Featured like him, like him with friends possessed,

Desiring this man's art and that man's scope,

With what I most enjoy contented least:

Yet in these thoughts myself almost despising,

Haply I think on thee, and then my state,

Like to the lark at break of day arising

From sullen earth, sings hymns at heaven's gate;

For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings'.


Sonnet 30

When to the sessions of sweet silent thought

I summon up remembrance of things past,

I sigh the lack of many a thing I sought,

And with old woes new wail my dear time's waste:

Then can I drown an eye, unus'd to flow,

For precious friends hid in death's dateless night,

And weep afresh love's long since cancell'd woe,

And moan the expense of many a vanish'd sight:

Then can I grieve at grievances foregone,

And heavily from woe to woe tell o'er

The sad account of fore-bemoaned moan,

Which I new pay as if not paid before.

But if the while I think on thee, dear friend,
All losses are restor'd and sorrows end.


Sonnet 31

Thy bosom is endeared with all hearts

Which I by lacking have supposed dead,

And there reigns love and all love's loving parts,

And all those friends which I thought buried.

How many a holy and obsequious tear

Hath dear religious love stol'n from mine eye,

As interest of the dead, which now appear

But things removed that hidden in thee lie.

Thou art the grave where buried love doth live,

Hung with the trophies of my lovers gone,

Who all their parts of me to thee did give,

That due of many, now is thine alone.

Their images I loved I view in thee,
And thou (all they) hast all the all of me.


Sonnet 32

If thou survive my well-contented day,

When that churl death my bones with dust shall cover

And shalt by fortune once more re-survey

These poor rude lines of thy deceased lover,

Compare them with the bett'ring of the time,

And though they be outstripped by every pen,

Reserve them for my love, not for their rhyme,

Exceeded by the height of happier men.

O then vouchsafe me but this loving thought:

'Had my friend's Muse grown with this growing age,

A dearer birth than this his love had brought

To march in ranks of better equipage.

But since he died and poets better prove,
Theirs for their style I'll read, his for his love'.


Sonnet 33

Full many a glorious morning have I seen,

Flatter the mountain tops with sovereign eye,

Kissing with golden face the meadows green,

Gilding pale streams with heavenly alchemy,

Anon permit the basest clouds to ride

With ugly rack on his celestial face,

And from the forlorn world his visage hide

Stealing unseen to west with this disgrace.

Even so my sun one early morn did shine,

With all triumphant splendour on my brow,

But out alack, he was but one hour mine,

The region cloud hath masked him from me now.

Yet him for this, my love no whit disdaineth,
Suns of the world may stain, when heaven's sun staineth.


Sonnet 34

Why didst thou promise such a beauteous day

And make me travel forth without my cloak,

To let base clouds o'ertake me in my way,

Hiding thy brav'ry in their rotten smoke?

’tis not enough that through the cloud thou break,

To dry the rain on my storm-beaten face,

For no man well of such a salve can speak,

That heals the wound, and cures not the disgrace.

Nor can thy shame give physic to my grief,

Though thou repent, yet I have still the loss,

Th' offender's sorrow lends but weak relief

To him that bears the strong offence's cross.

Ah but those tears are pearl which thy love sheds,
And they are rich, and ransom all ill deeds.


Sonnet 35

No more be grieved at that which thou hast done.

Roses have thorns, and silver fountains mud,

Clouds and eclipses stain both moon and sun,

And loathsome canker lives in sweetest bud.

All men make faults, and even I in this,

Authorizing thy trespass with compare,

My self corrupting salving thy amiss,

Excusing thy sins more than thy sins are.

For to thy sensual fault I bring in sense,

Thy adverse party is thy advocate,

And 'gainst my self a lawful plea commence.

Such civil war is in my love and hate,

That I an accessary needs must be,
To that sweet thief which sourly robs from me.


Sonnet 36

Let me confess that we two must be twain,

Although our undivided loves are one.

So shall those blots that do with me remain,

Without thy help, by me be borne alone.

In our two loves there is but one respect,

Though in our lives a separable spite,

Which though it alter not love's sole effect,

Yet doth it steal sweet hours from love's delight.

I may not evermore acknowledge thee,

Lest my bewailed guilt should do thee shame,

Nor thou with public kindness honour me,

Unless thou take that honour from thy name.

But do not so, I love thee in such sort,
As thou being mine, mine is thy good report.


Sonnet 37

As a decrepit father takes delight,

To see his active child do deeds of youth,

So I, made lame by Fortune's dearest spite

Take all my comfort of thy worth and truth.

For whether beauty, birth, or wealth, or wit,

Or any of these all, or all, or more

Entitled in thy parts, do crowned sit,

I make my love engrafted to this store.

So then I am not lame, poor, nor despised,

Whilst that this shadow doth such substance give,

That I in thy abundance am sufficed,

And by a part of all thy glory live.

Look what is best, that best I wish in thee,
This wish I have, then ten times happy me.


Sonnet 38

How can my muse want subject to invent

While thou dost breathe that pour'st into my verse

Thine own sweet argument, too excellent,

For every vulgar paper to rehearse?

O give thy self the thanks if aught in me,

Worthy perusal stand against thy sight,

For who's so dumb that cannot write to thee,

When thou thy self dost give invention light?

Be thou the tenth Muse, ten times more in worth

Than those old nine which rhymers invocate,

And he that calls on thee, let him bring forth

Eternal numbers to outlive long date.

If my slight muse do please these curious days,
The pain be mine, but thine shall be the praise.


Sonnet 39

O how thy worth with manners may I sing,

When thou art all the better part of me?

What can mine own praise to mine own self bring.

And what is’t but mine own when I praise thee?

Even for this, let us divided live,

And our dear love lose name of single one,

That by this separation I may give

That due to thee which thou deserv'st alone.

O absence what a torment wouldst thou prove,

Were it not thy sour leisure gave sweet leave,

To entertain the time with thoughts of love,

Which time and thoughts so sweetly doth deceive.

And that thou teachest how to make one twain,
By praising him here who doth hence remain.


Sonnet 40

Take all my loves, my love, yea take them all,

What hast thou then more than thou hadst before?

No love, my love, that thou mayst true love call,

All mine was thine, before thou hadst this more.

Then if for my love, thou my love receivest,

I cannot blame thee, for my love thou usest,

But yet be blamed, if thou thy self deceivest

By wilful taste of what thy self refusest.

I do forgive thy robbery, gentle thief,

Although thou steal thee all my poverty.

And yet love knows it is a greater grief

To bear love's wrong, than hate's known injury.

Lascivious grace, in whom all ill well shows,
Kill me with spites yet we must not be foes.


Sonnet 41

Those pretty wrongs that liberty commits,

When I am sometime absent from thy heart,

Thy beauty, and thy years full well befits,

For still temptation follows where thou art.

Gentle thou art, and therefore to be won,

Beauteous thou art, therefore to be assailed.

And when a woman woos, what woman's son

Will sourly leave her till she have prevailed?

Ay me, but yet thou mightst my seat forbear,

And chide thy beauty, and thy straying youth,

Who lead thee in their riot even there

Where thou art forced to break a twofold truth.

Hers by thy beauty tempting her to thee,
Thine by thy beauty being false to me.


Sonnet 42

That thou hast her it is not all my grief,

And yet it may be said I loved her dearly,

That she hath thee is of my wailing chief,

A loss in love that touches me more nearly.

Loving offenders thus I will excuse ye:

Thou dost love her, because thou know'st I love her,

And for my sake even so doth she abuse me,

Suff'ring my friend for my sake to approve her.

If I lose thee, my loss is my love's gain,

And losing her, my friend hath found that loss.

Both find each other, and I lose both twain,

And both for my sake lay on me this cross.

But here's the joy: my friend and I are one.
Sweet flattery, then she loves but me alone.


Sonnet 43

When most I wink then do mine eyes best see,

For all the day they view things unrespected,

But when I sleep, in dreams they look on thee,

And darkly bright, are bright in dark directed.

Then thou whose shadow shadows doth make bright,

How would thy shadow's form, form happy show

To the clear day with thy much clearer light,

When to unseeing eyes thy shade shines so?

How would (I say) mine eyes be blessed made,

By looking on thee in the living day?

When in dead night thy fair imperfect shade

Through heavy sleep on sightless eyes doth stay?

All days are nights to see till I see thee,
And nights bright days when dreams do show thee me.


Sonnet 44

If the dull substance of my flesh were thought,

Injurious distance should not stop my way.

For then despite of space I would be brought,

From limits far remote, where thou dost stay.

No matter then although my foot did stand

Upon the farthest earth removed from thee,

For nimble thought can jump both sea and land,

As soon as think the place where he would be.

But ah, thought kills me that I am not thought

To leap large lengths of miles when thou art gone,

But that, so much of earth and water wrought,

I must attend time's leisure with my moan.

Receiving nought by elements so slow,
But heavy tears, badges of either's woe.


Sonnet 45

The other two, slight air, and purging fire,

Are both with thee, wherever I abide.

The first my thought, the other my desire,

These present-absent with swift motion slide.

For when these quicker elements are gone

In tender embassy of love to thee,

My life, being made of four, with two alone

Sinks down to death, oppressed with melancholy.

Until life's composition be recured,

By those swift messengers returned from thee,

Who even but now come back again assured,

Of thy fair health, recounting it to me.

This told, I joy, but then no longer glad
I send them back again and straight grow sad.


Sonnet 46

Mine eye and heart are at a mortal war

How to divide the conquest of thy sight:

Mine eye, my heart thy picture's sight would bar;

My heart, mine eye the freedom of that right;

My heart doth plead that thou in him dost lie

(A closet never pierced with crystal eyes),

But the defendant doth that plea deny,

And says in him thy fair appearance lies.

To side this title is impanelled

A quest of thoughts, all tenants to the heart,

And by their verdict is determined

The clear eye's moiety, and the dear heart's part.

As thus, mine eye's due is thy outward part,
And my heart's right, thy inward love of heart.


Sonnet 47

Betwixt mine eye and heart a league is took,

And each doth good turns now unto the other:

When that mine eye is famished for a look,

Or heart in love with sighs himself doth smother,

With my love's picture then my eye doth feast,

And to the painted banquet bids my heart.

Another time mine eye is my heart's guest,

And in his thoughts of love doth share a part.

So either by thy picture or my love,

Thy self away, art present still with me,

For thou not farther than my thoughts canst move,

And I am still with them, and they with thee.

Or if they sleep, thy picture in my sight
Awakes my heart, to heart's and eye's delight.


Sonnet 48

How careful was I, when I took my way,

Each trifle under truest bars to thrust,

That to my use it might unused stay

From hands of falsehood, in sure wards of trust!

But thou, to whom my jewels trifles are,

Most worthy comfort, now my greatest grief,

Thou best of dearest, and mine only care,

Art left the prey of every vulgar thief.

Thee have I not locked up in any chest,

Save where thou art not, though I feel thou art,

Within the gentle closure of my breast,

From whence at pleasure thou mayst come and part.

And even thence thou wilt be stol'n, I fear,
For truth proves thievish for a prize so dear.


Sonnet 49

Against that time (if ever that time come)

When I shall see thee frown on my defects,

When as thy love hath cast his utmost sum,

Called to that audit by advised respects,

Against that time when thou shalt strangely pass,

And scarcely greet me with that sun thine eye,

When love converted from the thing it was

Shall reasons find of settled gravity;

Against that time do I ensconce me here

Within the knowledge of mine own desert,

And this my hand, against my self uprear,

To guard the lawful reasons on thy part,

To leave poor me, thou hast the strength of laws,
Since why to love, I can allege no cause.


Sonnet 50

How heavy do I journey on the way,

When what I seek (my weary travel's end)

Doth teach that ease and that repose to say:

'Thus far the miles are measured from thy friend.'

The beast that bears me, tired with my woe,

Plods dully on, to bear that weight in me,

As if by some instinct the wretch did know

His rider loved not speed being made from thee.

The bloody spur cannot provoke him on,

That sometimes anger thrusts into his hide,

Which heavily he answers with a groan,

More sharp to me than spurring to his side.

For that same groan doth put this in my mind:
My grief lies onward and my joy behind.


Sonnet 51

Thus can my love excuse the slow offence

Of my dull bearer when from thee I speed:

From where thou art, why should I haste me thence?

Till I return of posting is no need.

O what excuse will my poor beast then find,

When swift extremity can seem but slow?

Then should I spur though mounted on the wind,

In winged speed no motion shall I know.

Then can no horse with my desire keep pace.

Therefore desire (of perfect'st love being made)

Shall neigh (no dull flesh) in his fiery race.

But love, for love, thus shall excuse my jade:

Since from thee going, he went wilful-slow,
Towards thee I'll run, and give him leave to go.


Sonnet 52

So am I as the rich whose blessed key

Can bring him to his sweet up-locked treasure,

The which he will not every hour survey,

For blunting the fine point of seldom pleasure.

Therefore are feasts so solemn and so rare,

Since seldom coming in that long year set,

Like stones of worth they thinly placed are,

Or captain jewels in the carcanet.

So is the time that keeps you as my chest

Or as the wardrobe which the robe doth hide,

To make some special instant special-blest,

By new unfolding his imprisoned pride.

Blessed are you whose worthiness gives scope,
Being had to triumph, being lacked to hope.


Sonnet 53

What is your substance, whereof are you made,

That millions of strange shadows on you tend?

Since every one, hath every one, one shade,

And you but one, can every shadow lend.

Describe Adonis, and the counterfeit

Is poorly imitated after you.

On Helen's cheek all art of beauty set,

And you in Grecian tires are painted new.

Speak of the spring, and foison of the year:

The one doth shadow of your beauty show,

The other as your bounty doth appear,

And you in every blessed shape we know.

In all external grace you have some part,
But you like none, none you for constant heart.


Sonnet 54

O how much more doth beauty beauteous seem,

By that sweet ornament which truth doth give!

The rose looks fair, but fairer we it deem

For that sweet odour which doth in it live.

The canker-blooms have full as deep a dye

As the perfumed tincture of the roses,

Hang on such thorns and play as wantonly

When summer's breath their masked buds discloses:

But, for their virtue only is their show,

They live unwoo'd and unrespected fade,

Die to themselves. Sweet roses do not so;

Of their sweet deaths are sweetest odours made:

And so of you, beauteous and lovely youth,
When that shall fade, my verse distills your truth.


Sonnet 55

Not marble, nor the gilded monuments

Of princes shall outlive this powerful rhyme,

But you shall shine more bright in these contents

Than unswept stone besmeared with sluttish time.

When wasteful war shall statues overturn,

And broils root out the work of masonry,

Nor Mars his sword nor war's quick fire shall burn

The living record of your memory.

'Gainst death and all oblivious enmity

Shall you pace forth; your praise shall still find room

Even in the eyes of all posterity

That wear this world out to the ending doom.

So, till the judgment that yourself arise,
You live in this, and dwell in lover's eyes.


Sonnet 56

Sweet love renew thy force, be it not said

Thy edge should blunter be than appetite,

Which but to-day by feeding is allayed,

To-morrow sharpened in his former might.

So love be thou, although to-day thou fill

Thy hungry eyes, even till they wink with fulness,

To-morrow see again, and do not kill

The spirit of love, with a perpetual dulness.

Let this sad interim like the ocean be

Which parts the shore, where two contracted new

Come daily to the banks, that when they see

Return of love, more blest may be the view.

Or call it winter, which being full of care,
Makes summer's welcome, thrice more wished, more rare.


Sonnet 57

Being your slave, what should I do but tend

Upon the hours and times of your desire?

I have no precious time at all to spend,

Nor services to do, till you require.

Nor dare I chide the world-without-end hour

Whilst I, my sovereign, watch the clock for you,

Nor think the bitterness of absence sour

When you have bid your servant once adieu;

Nor dare I question with my jealous thought

Where you may be, or your affairs suppose,

But, like a sad slave, stay and think of nought

Save, where you are how happy you make those.

So true a fool is love that in your will,
Though you do any thing, he thinks no ill.


Sonnet 58

That God forbid, that made me first your slave,

I should in thought control your times of pleasure,

Or at your hand th' account of hours to crave,

Being your vassal, bound to stay your leisure!

O, let me suffer (being at your beck),

Th' imprison'd absence of your liberty;

And patience, tame to sufferance, bide each check,

Without accusing you of injury.

Be where you list, your charter is so strong

That you yourself may privilege your time

To what you will; to you it doth belong

Yourself to pardon of self-doing crime.

I am to wait, though waiting so be hell;
Not blame your pleasure, be it ill or well.


Sonnet 59

If there be nothing new, but that which is

Hath been before, how are our brains beguil'd,

Which, labouring for invention, bear amiss

The second burthen of a former child!

O, that record could with a backward look,

Even of five hundred courses of the sun,

Show me your image in some antique book,

Since mind at first in character was done!

That I might see what the old world could say

To this composed wonder of your frame;

Whether we are mended, or whe'r better they,

Or whether revolution be the same.

O! sure I am, the wits of former days
To subjects worse have given admiring praise.


Sonnet 60

Like as the waves make towards the pebbled shore,

So do our minutes hasten to their end,

Each changing place with that which goes before,

In sequent toil all forwards do contend.

Nativity, once in the main of light,

Crawls to maturity, wherewith being crowned,

Crooked eclipses 'gainst his glory fight,

And time that gave doth now his gift confound.

Time doth transfix the flourish set on youth

And delves the parallels in beauty’s brow;

Feeds on the rarities of nature’s truth,

And nothing stands but for his scythe to mow.

And yet to times in hope my verse shall stand,
Praising thy worth, despite his cruel hand.


Sonnet 61

Is it thy will thy image should keep open

My heavy eyelids to the weary night?

Dost thou desire my slumbers should be broken,

While shadows, like to thee, do mock my sight?

Is it thy spirit that thou send'st from thee

So far from home into my deeds to pry,

To find out shames and idle hours in me,

The scope and tenor of thy jealousy?

O, no! thy love, though much, is not so great:

It is my love that keeps mine eye awake;

Mine own true love that doth my rest defeat,

To play the watchman ever for thy sake:

For thee watch I whilst thou dost wake elsewhere,
From me far off, with others all too near.


Sonnet 62

Sin of self-love possesseth all mine eye,

And all my soul and all my every part;

And for this sin there is no remedy,

It is so grounded inward in my heart.

Methinks no face so gracious is as mine,

No shape so true, no truth of such account;

And for myself mine own worth do define,

As I all other in all worths surmount.

But when my glass shows me myself indeed,

Beated and chopp'd with tann'd antiquity,

Mine own self-love quite contrary I read;

Self so self-loving were iniquity.

'Tis thee, myself, that for myself I praise,
Painting my age with beauty of thy days.


Sonnet 63

Against my love shall be as I am now,

With time’s injurious hand crushed and o'erworn;

When hours have drained his blood and filled his brow

With lines and wrinkles; when his youthful morn

Hath traveled on to age’s steepy night,

And all those beauties whereof now he’s king

Are vanishing or vanished out of sight,

Stealing away the treasure of his spring;

For such a time do I now fortify

Against confounding age’s cruel knife,

That he shall never cut from memory

My sweet love’s beauty, though my lover’s life.

His beauty shall in these black lines be seen,
And they shall live, and he in them still green.


Sonnet 64

When I have seen by Time's fell hand defac'd

The rich-proud cost of outworn buried age;

When sometime lofty towers I see down-razed

And brass eternal, slave to mortal rage;

When I have seen the hungry ocean gain

Advantage on the kingdom of the shore,

And the firm soil win of the wat'ry main,

Increasing store with loss, and loss with store;

When I have seen such interchange of state,

Or state itself confounded to decay;

Ruin hath taught me thus to ruminate --

That Time will come and take my love away.

This thought is as a death, which cannot choose
But weep to have that which it fears to lose.


Sonnet 65

Since brass, nor stone, nor earth, nor boundless sea,

But sad mortality o'ersways their power,

How with this rage shall beauty hold a plea,

Whose action is no stronger than a flower?

O how shall summer’s honey breath hold out

Against the wrackful siege of batt'ring days,

When rocks impregnable are not so stout,

Nor gates of steel so strong but time decays?

O fearful meditation! Where, alack,

Shall time’s best jewel from time’s chest lie hid?

Or what strong hand can hold his swift foot back?

Or who his spoil or beauty can forbid?

O none, unless this miracle have might,
That in black ink my love may still shine bright.


Sonnet 66

Tired with all these for restful death I cry:

As to behold desert a beggar born,

And needy nothing trimmed in jollity,

And purest faith unhappily forsworn,

And gilded honour shamefully misplaced,

And maiden virtue rudely strumpeted,

And right perfection wrongfully disgraced,

And strength by limping sway disabled,

And art made tongue-tied by authority,

And folly (doctor-like) controlling skill,

And simple truth miscalled simplicity,

And captive good attending captain ill.

Tired with all these, from these would I be gone,
Save that to die, I leave my love alone.


Sonnet 67

Ah, wherefore with infection should he live,

And with his presence grace impiety,

That sin by him advantage should achieve,

And lace itself with his society?

Why should false painting imitate his cheek,

And steal dead seeing of his living hue?

Why should poor beauty indirectly seek

Roses of shadow, since his rose is true?

Why should he live, now Nature bankrupt is,

Beggar'd of blood to blush through lively veins?

For she hath no exchequer now but his,

And, proud of many, lives upon his gains.

O, him she stores, to show what wealth she had
In days long since, before these last so bad.


Sonnet 68

Thus is his cheek the map of days outworn,

When beauty liv'd and died as flowers do now,

Before the bastard signs of fair were borne,

Or durst inhabit on a living brow;

Before the golden tresses of the dead,

The right of sepulchres, were shorn away,

To live a second life on second head;

Ere beauty's dead fleece made another gay.

In him those holy antique hours are seen,

Without all ornament, itself and true,

Making no summer of another's green,

Robbing no old to dress his beauty new;

And him as for a map doth Nature store,
To show false Art what beauty was of yore.


Sonnet 69

Those parts of thee that the world's eye doth view,

Want nothing that the thought of hearts can mend:

All tongues (the voice of souls) give thee that due,

Uttering bare truth, even so as foes commend.

Thy outward thus with outward praise is crown'd;

But those same tongues that give thee so thine own

In other accents do this praise confound

By seeing farther than the eye hath shown.

They look into the beauty of thy mind,

And that, in guess, they measure by thy deeds;

Then (churls) their thoughts, although their eyes were kind,

To thy fair flower add the rank smell of weeds:

But why thy odour matcheth not thy show,
The solve is this, that thou dost common grow.


Sonnet 70

That thou art blamed shall not be thy defect,

For slander's mark was ever yet the fair;

The ornament of beauty is suspect,

A crow that flies in heaven's sweetest air.

So thou be good, slander doth but approve

Thy worth the greater, being woo'd of time:

For canker vice the sweetest buds doth love,

And thou present'st a pure unstained prime.

Thou hast pass'd by the ambush of young days,

Either not assail'd or victor being charg'd;

Yet this thy praise cannot be so thy praise,

To tie up envy, evermore enlarg'd:

If some suspect of ill mask'd not thy show,
Then thou alone kingdoms of hearts should'st owe.


Sonnet 71

No longer mourn for me when I am dead

Then you shall hear the surly sullen bell

Give warning to the world that I am fled

From this vile world, with vilest worms to dwell:

Nay, if you read this line, remember not

The hand that writ it; for I love you so

That I in your sweet thoughts would be forgot

If thinking on me then should make you woe.

O, if, I say, you look upon this verse

When I perhaps compounded am with clay,

Do not so much as my poor name rehearse.

But let your love even with my life decay,

Lest the wise world should look into your moan
And mock you with me after I am gone.


Sonnet 72

O, lest the world should task you to recite

What merit lived in me, that you should love

After my death, -- dear love, forget me quite,

For you in me can nothing worthy prove;

Unless you would devise some virtuous lie,

To do more for me than mine own desert,

And hang more praise upon deceased I

Than niggard truth would willingly impart:

O, lest your true love may seem false in this,

That you for love speak well of me untrue,

My name be buried where my body is,

And live no more to shame nor me nor you.

For I am sham'd by that which I bring forth,
And so should you, to love things nothing worth.


Sonnet 73

That time of year thou may'st in me behold

When yellow leaves, or none, or few, do hang

Upon those boughs which shake against the cold,

Bare ruin'd choirs, where late the sweet birds sang.

In me thou see'st the twilight of such day,

As after sunset fadeth in the west,

Which by-and-by black night doth take away,

Death's second self, that seals up all in rest.

In me thou see'st the glowing of such fire

That on the ashes of his youth doth lie,

As the death-bed whereon it must expire

Consum'd with that which it was nourish'd by.

This thou perceivest, which makes thy love more strong,
To love that well which thou must leave ere long.


Sonnet 74

But be contented when that fell arrest,

Without all bail shall carry me away.

My life hath in this line some interest,

Which for memorial still with thee shall stay.

When thou reviewest this, thou dost review,

The very part was consecrate to thee.

The earth can have but earth, which is his due,

My spirit is thine, the better part of me.

So then thou hast but lost the dregs of life,

The prey of worms, my body being dead,

The coward conquest of a wretch's knife,

Too base of thee to be remembered.

The worth of that, is that which it contains,
And that is this, and this with thee remains.


Sonnet 75

So are you to my thoughts as food to life,

Or as sweet-season'd showers are to the ground;

And for the peace of you I hold such strife

As 'twixt a miser and his wealth is found;

Now proud as an enjoyer and anon

Doubting the filching age will steal his treasure,

Now counting best to be with you alone,

Then better'd that the world may see my pleasure;

Sometime all full with feasting on your sight

And by and by clean starved for a look;

Possessing or pursuing no delight,

Save what is had or must from you be took.

Thus do I pine and surfeit day by day,
Or gluttoning on all, or all away.


Sonnet 76

Why is my verse so barren of new pride?

So far from variation or quick change?

Why with the time do I not glance aside

To new-found methods and to compounds strange?

Why write I still all one, ever the same,

And keep invention in a noted weed,

That every word doth almost tell my name,

Showing their birth, and where they did proceed?

O know, sweet love, I always write of you,

And you and love are still my argument.

So all my best is dressing old words new,

Spending again what is already spent.

For as the sun is daily new and old,
So is my love still telling what is told.


Sonnet 77

Thy glass will show thee how thy beauties wear,

Thy dial how thy precious minutes waste,

These vacant leaves thy mind's imprint will bear,

And of this book, this learning mayst thou taste:

The wrinkles which thy glass will truly show

Of mouthed graves will give thee memory;

Thou by thy dial's shady stealth mayst know,

Time's thievish progress to eternity.

Look what thy memory cannot contain,

Commit to these waste blanks, and thou shalt find

Those children nursed, delivered from thy brain,

To take a new acquaintance of thy mind.

These offices, so oft as thou wilt look,
Shall profit thee, and much enrich thy book.


Sonnet 78

So oft have I invoked thee for my muse,

And found such fair assistance in my verse

As every alien pen hath got my use,

And under thee their poesy disperse.

Thine eyes, that taught the dumb on high to sing

And heavy ignorance aloft to fly,

Have added feathers to the learned's wing

And given grace a double majesty.

Yet be most proud of that which I compile,

Whose influence is thine, and born of thee.

In others' works thou dost but mend the style,

And arts with thy sweet graces gracèd be;

But thou art all my art, and dost advance
As high as learning my rude ignorance.


Sonnet 79

Whilst I alone did call upon thy aid,

My verse alone had all thy gentle grace.

But now my gracious numbers are decayed,

And my sick muse doth give an other place.

I grant (sweet love) thy lovely argument

Deserves the travail of a worthier pen.

Yet what of thee thy poet doth invent,

He robs thee of, and pays it thee again.

He lends thee virtue, and he stole that word,

From thy behaviour; beauty doth he give

And found it in thy cheek; he can afford

No praise to thee, but what in thee doth live.

Then thank him not for that which he doth say,
Since what he owes thee, thou thy self dost pay.


Sonnet 80

O, how I faint when I of you do write,

Knowing a better spirit doth use your name,

And in the praise thereof spends all his might,

To make me tongue-tied, speaking of your fame!

But since your worth, wide as the ocean is,

The humble as the proudest sail doth bear,

My saucy bark inferior far to his

On your broad main doth wilfully appear.

Your shallowest help will hold me up afloat,

Whilst he upon your soundless deep doth ride;

Or being wreck'd, I am a worthless boat,

He of tall building and of goodly pride:

Then if he thrive and I be cast away,
The worst was this; my love was my decay.


Sonnet 81

Or I shall live your epitaph to make,

Or you survive when I in earth am rotten.

From hence your memory death cannot take,

Although in me each part will be forgotten.

Your name from hence immortal life shall have,

Though I, once gone, to all the world must die.

The earth can yield me but a common grave

When you entombèd in men's eyes shall lie.

Your monument shall be my gentle verse,

Which eyes not yet created shall o'er-read,

And tongues to be your being shall rehearse

When all the breathers of this world are dead.

You still shall live -such virtue hath my pen-
Where breath most breathes, even in the mouths of men.


Sonnet 82

I grant thou wert not married to my Muse,

And therefore mayst without attaint o'erlook

The dedicated words which writers use

Of their fair subject, blessing every book.

Thou art as fair in knowledge as in hue,

Finding thy worth a limit past my praise,

And therefore art enforc'd to seek anew

Some fresher stamp of the time-bettering days

And do so, love; yet when they have devis'd

What strained touches rhetoric can lend,

Thou truly fair wert truly sympathis'd

In true plain words by thy true-telling friend;

And their gross painting might be better us'd
Where cheeks need blood; in thee it is abus'd.


Sonnet 83

I never saw that you did painting need

And therefore to your fair no painting set;

I found, or thought I found, you did exceed

The barren tender of a poet's debt;

And therefore have I slept in your report,

That you yourself being extant well might show

How far a modern quill doth come too short,

Speaking of worth, -- what worth in you doth grow?

This silence for my sin you did impute,

Which shall be most my glory, being dumb;

For I impair not beauty being mute,

When others would give life and bring a tomb.

There lives more life in one of your fair eyes
Than both your poets can in praise devise.


Sonnet 84

Who is it that says most? which can say more

Than this rich praise, that you alone are you?

In whose confine immured is the store

Which should example where your equal grew.

Lean penury within that pen doth dwell

That to his subject lends not some small glory;

But he that writes of you, if he can tell

That you are you, so dignifies his story,

Let him but copy what in you is writ,

Not making worse what nature made so clear,

And such a counterpart shall fame his wit,

Making his style admired every where.

You to your beauteous blessings add a curse,
Being fond on praise, which makes your praises worse.


Sonnet 85

My tongue-tied muse in manners holds her still,

While comments of your praise richly compiled

Reserve their character with golden quill,

And precious phrase by all the Muses filed.

I think good thoughts, whilst other write good words,

And like unlettered clerk still cry Amen

To every hymn that able spirit affords,

In polished form of well refined pen.

Hearing you praised, I say: '’tis so, ’tis true,'

And to the most of praise add something more;

But that is in my thought, whose love to you

(Though words come hindmost) holds his rank before,

Then others for the breath of words respect,
Me for my dumb thoughts, speaking in effect.


Sonnet 86

Was it the proud full sail of his great verse,

Bound for the prize of all-too-precious you,

That did my ripe thoughts in my brain inhearse,

Making their tomb the womb wherein they grew?

Was it his spirit, by spirits taught to write

Above a mortal pitch, that struck me dead?

No, neither he, nor his compeers by night

Giving him aid, my verse astonished.

He, nor that affable familiar ghost

Which nightly gulls him with intelligence,

As victors of my silence cannot boast;

I was not sick of any fear from thence:

But when your countenance fil'd up his line,
Then lack'd I matter; that enfeebled mine


Sonnet 87

Farewell! thou art too dear for my possessing,

And like enough thou know'st thy estimate;

The charter of thy worth gives thee releasing,

My bonds in thee are all determinate.

For how do I hold thee but by thy granting,

And for that riches where is my deserving?

The cause of this fair gift in me is wanting,

And so my patent back again is swerving.

Thy self thou gav'st, thy own worth then not knowing,

Or me to whom thou gav'st it, else mistaking;

So thy great gift upon misprision growing,

Comes home again, on better judgement making.

Thus have I had thee as a dream doth flatter,
In sleep a king, but waking no such matter.


Sonnet 88

When thou shalt be disposed to set me light,

And place my merit in the eye of scorn,

Upon thy side against myself I'll fight,

And prove thee virtuous, though thou art forsworn.

With mine own weakness being best acquainted,

Upon thy part I can set down a story

Of faults conceal'd, wherein I am attainted,

That thou in losing me shalt win much glory:

And I by this will be a gainer too;

For bending all my loving thoughts on thee,

The injuries that to myself I do,

Doing thee vantage, double-vantage me.

Such is my love, to thee I so belong,
That for thy right myself will bear all wrong.


Sonnet 89

Say that thou didst forsake me for some fault,

And I will comment upon that offence;

Speak of my lameness, and I straight will halt,

Against thy reasons making no defence.

Thou canst not, love, disgrace me half so ill,

To set a form upon desired change,

As I'll myself disgrace: knowing thy will,

I will acquaintance strangle and look strange,

Be absent from thy walks, and in my tongue

Thy sweet beloved name no more shall dwell,

Lest I, too much profane, should do it wrong

And haply of our old acquaintance tell.

For thee against myself I'll vow debate,
For I must ne'er love him whom thou dost hate.


Sonnet 90

Then hate me when thou wilt; if ever, now;

Now, while the world is bent my deeds to cross,

Join with the spite of fortune, make me bow,

And do not drop in for an after-loss:

Ah, do not, when my heart hath 'scoped this sorrow,

Come in the rearward of a conquer'd woe;

Give not a windy night a rainy morrow,

To linger out a purposed overthrow.

If thou wilt leave me, do not leave me last,

When other petty griefs have done their spite

But in the onset come; so shall I taste

At first the very worst of fortune's might,

And other strains of woe, which now seem woe,
Compared with loss of thee will not seem so.


Sonnet 91

Some glory in their birth, some in their skill,

Some in their wealth, some in their body's force,

Some in their garments, though new-fangled ill;

Some in their hawks and hounds, some in their horse;

And every humour hath his adjunct pleasure,

Wherein it finds a joy above the rest:

But these particulars are not my measure;

All these I better in one general best.

Thy love is better than high birth to me,

Richer than wealth, prouder than garments' cost,

Of more delight than hawks or horses be;

And having thee, of all men's pride I boast:

Wretched in this alone, that thou may'st take
All this away, and me most wretched make.


Sonnet 92

But do thy worst to steal thyself away,

For term of life thou art assured mine;

And life no longer than thy love will stay,

For it depends upon that love of thine.

Then need I not to fear the worst of wrongs,

When in the least of them my life hath end.

I see a better state to me belongs

Than that which on thy humour doth depend;

Thou canst not vex me with inconstant mind,

Since that my life on thy revolt doth lie.

O, what a happy title do I find,

Happy to have thy love, happy to die!

But what's so blessed-fair that fears no blot?
Thou mayst be false, and yet I know it not.


Sonnet 93

So shall I live, supposing thou art true,

Like a deceived husband; so love's face

May still seem love to me, though altered new;

Thy looks with me, thy heart in other place:

For there can live no hatred in thine eye,

Therefore in that I cannot know thy change.

In many's looks, the false heart's history

Is writ in moods, and frowns, and wrinkles strange.

But heaven in thy creation did decree

That in thy face sweet love should ever dwell;

Whate'er thy thoughts, or thy heart's workings be,

Thy looks should nothing thence, but sweetness tell.

How like Eve's apple doth thy beauty grow,
If thy sweet virtue answer not thy show!


Sonnet 94

They that have power to hurt and will do none,

That do not do the thing they most do show,

Who, moving others, are themselves as stone,

Unmoved, cold, and to temptation slow;

They rightly do inherit heaven's graces

And husband nature's riches from expense;

They are the lords and owners of their faces,

Others but stewards of their excellence.

The summer's flower is to the summer sweet,

Though to itself it only live and die,

But if that flower with base infection meet,

The basest weed out-braves his dignity;

For sweetest things turn sourest by their deeds;
Lilies that fester smell far worse than weeds.


Sonnet 95

How sweet and lovely dost thou make the shame

Which, like a canker in the fragrant rose,

Doth spot the beauty of thy budding name!

O, in what sweets dost thou thy sins enclose!

That tongue that tells the story of thy days,

Making lascivious comments on thy sport,

Cannot dispraise but in a kind of praise;

Naming thy name blesses an ill report.

O, what a mansion have those vices got

Which for their habitation chose out thee,

Where beauty's veil doth cover every blot,

And all things turn to fair that eyes can see!

Take heed, dear heart, of this large privilege;
The hardest knife ill-used doth lose his edge.


Sonnet 96

Some say thy fault is youth, some wantonness;

Some say thy grace is youth and gentle sport;

Both grace and faults are loved of more and less;

Thou makest faults graces that to thee resort.

As on the finger of a throned queen

The basest jewel will be well esteem'd,

So are those errors that in thee are seen

To truths translated and for true things deem'd.

How many lambs might the stem wolf betray,

If like a lamb he could his looks translate!

How many gazers mightst thou lead away,

If thou would'st use the strength of all thy state!

But do not so; I love thee in such sort
As, thou being mine, mine is thy good report.


Sonnet 97

How like a winter hath my absence been

From thee, the pleasure of the fleeting year!

What freezings have I felt, what dark days seen!

What old December's bareness everywhere! ⁠

And yet this time remov'd was summer's time,

The teeming autumn, big with rich increase,

Bearing the wanton burden of the prime,

Like widow'd wombs after their lords' decease: ⁠

Yet this abundant issue seem'd to me

But hope of orphans and unfather'd fruit;

For summer and his pleasures wait on thee,

And, thou away, the very birds are mute:

Or, if they sing, 'tis with so dull a cheer,
That leaves look pale, dreading the winter's near.


Sonnet 98

From you have I been absent in the spring,

When proud-pied April, dress'd in all his trim,

Hath put a spirit of youth in everything,

That heavy Saturn laugh'd and leap'd with him.

Yet nor the lays of birds, nor the sweet smell

Of different flowers in odour and in hue,

Could make me any summer's story tell,

Or from their proud lap pluck them where they grew:

Nor did I wonder at the lily's white,

Nor praise the deep vermilion in the rose;

They were but sweet, but figures of delight,

Drawn after you, you pattern of all those.

Yet seem'd it winter still, and, you away,
As with your shadow I with these did play.


Sonnet 99

The forward violet thus did I chide:

Sweet thief, whence didst thou steal thy sweet that smells,

If not from my love's breath? The purple pride

Which on thy soft cheek for complexion dwells ⁠

In my love's veins thou hast too grossly dy'd.

The lily I condemned for thy hand,

And buds of marjoram had stol'n thy hair;

The roses fearfully on thorns did stand, ⁠

One blushing shame, another white despair;

A third, nor red nor white, had stol'n of both,

And to his robbery had annex'd thy breath;

But, for his theft, in pride of all his growth ⁠

A vengeful canker eat him up to death.

More flowers I noted, yet I none could see
⁠But sweet or colour it had stol'n from thee.


Sonnet 100

Where art thou, Muse, that thou forget'st so long

To speak of that which gives thee all thy might?

Spend'st thou thy fury on some worthless song,

Darkening thy power to lend base subjects light?

Return, forgetful Muse, and straight redeem

In gentle numbers time so idly spent;

Sing to the ear that doth thy lays esteem

And gives thy pen both skill and argument.

Rise, resty Muse, my love's sweet face survey,

If Time have any wrinkle graven there;

If any, be a satire to decay,

And make Time's spoils despised everywhere.

Give my love fame faster than Time wastes life;
So thou prevent'st his scythe and crooked knife.


Sonnet 101

O truant Muse, what shall be thy amends

For thy neglect of truth in beauty dy'd?

Both truth and beauty on my love depends;

So dost thou too, and therein dignified.

Make answer, Muse: wilt thou not haply say,

'Truth needs no colour, with his colour fix'd;

Beauty no pencil, beauty's truth to lay;

But best is best, if never intermix'd'?

Because he needs no praise, wilt thou be dumb?

Excuse not silence so; for 't lies in thee

To make him much outlive a gilded tomb

And to be prais'd of ages yet to be.

Then do thy office, Muse; I teach thee how
To make him seem long hence as he shows now.


Sonnet 102

My love is strengthen'd, though more weak in seeming;

I love not less, though less the show appear:

That love is merchandiz'd whose rich esteeming

The owner's tongue doth publish everywhere.

Our love was new, and then but in the spring,

When I was wont to greet it with my lays;

As Philomel in summer's front doth sing,

And stops her pipe in growth of riper days:

Not that the summer is less pleasant now

Than when her mournful hymns did hush the night,

But that wild music burthens every bough,

And sweets grown common lose their dear delight.

Therefore, like her, I sometime hold my tongue,
Because I would not dull you with my song.


Sonnet 103

Alack! what poverty my Muse brings forth,

That having such a scope to show her pride,

The argument, all bare, is of more worth

Than when it hath my added praise beside!

O, blame me not, if I no more can write!

Look in your glass, and there appears a face

That over-goes my blunt invention quite,

Dulling my lines and doing me disgrace.

Were it not sinful then, striving to mend,

To mar the subject that before was well?

For to no other pass my verses tend

Than of your graces and your gifts to tell;

And more, much more, than in my verse can sit,
Your own glass shows you when you look in it.


Sonnet 104

To me, fair friend, you never can be old,

For as you were, when first your eye I ey'd,

Such seems your beauty still. Three winters cold

Have from the forests shook three summers' pride,

Three beauteous springs to yellow autumn turn'd

In process of the seasons have I seen,

Three April perfumes in three hot Junes burn'd,

Since first I saw you fresh, which yet are green.

Ah! yet doth beauty, like a dial-hand,

Steal from his figure and no pace perceiv'd;

So your sweet hue, which methinks still doth stand,

Hath motion and mine eye may be deceiv'd:

For fear of which, hear this, thou age unbred;
Ere you were born, was beauty's summer dead.


Sonnet 105

Let not my love be call'd idolatry,

Nor my beloved as an idol show,

Since all alike my songs and praises be

To one, of one, still such, and ever so.

Kind is my love to-day, to-morrow kind,

Still constant in a wondrous excellence;

Therefore my verse, to constancy confin'd,

One thing expressing, leaves out difference.

'Fair, kind, and true,' is all my argument,

'Fair, kind, and true,' varying to other words;

And in this change is my invention spent,

Three themes in one, which wondrous scope affords.

⁠'Fair, kind, and true' have often liv'd alone,
Which three till now never kept seat in one.


Sonnet 106

When in the chronicle of wasted time

I see descriptions of the fairest wights,

And beauty making beautiful old rime,

In praise of ladies dead and lovely knights,

Then, in the blazon of sweet beauty's best,

Of hand, of foot, of lip, of eye, of brow,

I see their antique pen would have express'd

Even such a beauty as you master now.

So all their praises are but prophecies

Of this our time, all you prefiguring;

And, for they look'd but with divining eyes,

They had not skill enough your worth to sing:

For we, which now behold these present days,
Have eyes to wonder, but lack tongues to praise.


Sonnet 107

Not mine own fears, nor the prophetic soul

Of the wide world dreaming on things to come,

Can yet the lease of my true love control,

Suppos'd as forfeit to a confin'd doom.

The mortal moon hath her eclipse endur'd,

And the sad augurs mock their own presage;

Incertainties now crown themselves assur'd,

And peace proclaims olives of endless age.

Now with the drops of this most balmy time

My love looks fresh, and Death to me subscribes,

Since, spite of him, I'll live in this poor rime,

While he insults o'er dull and speechless tribes:

And thou in this shalt find thy monument,
When tyrants' crests and tombs of brass are spent.


Sonnet 108

What's in the brain, that ink may character,

Which hath not figur'd to thee my true spirit?

What's new to speak, what new to register,

That may express my love, or thy dear merit?

Nothing, sweet boy; but yet, like prayers divine,

I must each day say o'er the very same;

Counting no old thing old, thou mine, I thine,

Even as when first I hallow'd thy fair name.

So that eternal love in love's fresh case

Weighs not the dust and injury of age,

Nor gives to necessary wrinkles place,

But makes antiquity for aye his page; ⁠

Finding the first conceit of love there bred,
Where time and outward form would show it dead.


Sonnet 109

O, never say that I was false of heart,

Though absence seem'd my flame to qualify.

As easy might I from myself depart

As from my soul, which in thy breast doth lie:

That is my home of love: if I have rang'd,

Like him that travels, I return again;

Just to the time, not with the time exchang'd,

So that myself bring water for my stain.

Never believe, though in my nature reign'd

All frailties that besiege all kinds of blood,

That it could so preposterously be stain'd,

To leave for nothing all thy sum of good;

For nothing this wide universe I call,
Save thou, my rose; in it thou art my all.


Sonnet 110

Alas! 'tis true I have gone here and there,

And made myself a motley to the view,

Gor'd mine own thoughts, sold cheap what is most dear,

Made old offences of affections new;

Most true it is that I have look'd on truth

Askance and strangely; but, by all above,

These blenches gave my heart another youth,

And worse essays prov'd thee my best of love.

Now all is done, have what shall have no end:

Mine appetite I never more will grind

On newer proof, to try an older friend,

A god in love, to whom I am confin'd.

Then give me welcome, next my heaven the best,
Even to thy pure and most most loving breast.


Sonnet 111

O, for my sake do you with Fortune chide,

The guilty goddess of my harmful deeds,

That did not better for my life provide

Than public means which public manners breeds.

Thence comes it that my name receives a brand,

And almost thence my nature is subdu'd

To what it works in, like the dyer's hand:

Pity me, then, and wish I were renew'd;

Whilst, like a willing patient, I will drink

Potions of eisel 'gainst my strong infection;

No bitterness that I will bitter think,

Nor double penance, to correct correction.

Pity me, then, dear friend, and I assure ye
Even that your pity is enough to cure me.


Sonnet 112

Your love and pity doth the impression fill

Which vulgar scandal stamp'd upon my brow;

For what care I who calls me well or ill,

So you o'er-green my bad, my good allow?

You are my all-the-world, and I must strive

To know my shames and praises from your tongue;

None else to me, nor I to none alive,

That my steel'd sense or changes right or wrong.

In so profound abysm I throw all care

Of other's voices, that my adder's sense

To critic and to flatterer stopped are.

Mark how with my neglect I do dispense:

You are so strongly in my purpose bred,
That all the world besides methinks are dead.


Sonnet 113

Since I left you, mine eye is in my mind;

And that which governs me to go about

Doth part his function and is partly blind,

Seems seeing, but effectually is out; ⁠

For it no form delivers to the heart

Of bird, of flower, or shape, which it doth latch:

Of his quick objects hath the mind no part,

Nor his own vision holds what it doth catch; ⁠

For if it see the rud'st or gentlest sight,

The most sweet favour or deformed'st creature,

The mountain or the sea, the day or night,

The crow or dove, it shapes them to your feature:

Incapable of more, replete with you,
My most true mind thus maketh mine eye untrue.


Sonnet 114

Or whether doth my mind being crown'd with you,

Drink up the monarch's plague, this flattery?

Or whether shall I say mine eye saith true,

And that your love taught it this alchemy,

To make of monsters and things indigest

Such cherubins as your sweet self resemble,

Creating every bad a perfect best,

As fast as objects to his beams assemble?

O, 'tis the first, 'tis flattery in my seeing,

And my great mind most kingly drinks it up:

Mine eye well knows what with his gust is 'greeing,

And to his palate doth prepare the cup:

If it be poison'd, 'tis the lesser sin
That mine eye loves it and doth first begin.


Sonnet 115

Those lines that I before have writ do lie,

Even those that said I could not love you dearer:

Yet then my judgment knew no reason why

My most full flame should afterwards burn clearer.

But reckoning Time, whose million'd accidents

Creep in 'twixt vows, and change decrees of kings,

Tan sacred beauty, blunt the sharp'st intents,

Divert strong minds to the course of altering things;

Alas ! why, fearing of Time's tyranny,

Might I not then say, 'Now I love you best,'

When I was certain o'er incertainty,

Crowning the present, doubting of the rest?

⁠Love is a babe; then might I not say so,
To give full growth to that which still doth grow.


Sonnet 116

Let me not to the marriage of true minds

Admit impediments. Love is not love

Which alters when it alteration finds

Or bends with the remover to remove.

O no, it is an ever-fixed mark

That looks on tempests and is never shaken;

It is the star to every wand'ring bark,

Whose worth's unknown, although his height be taken.

Love's not Time's fool, though rosy lips and cheeks

Within his bending sickle's compass come.

Love alters not with his brief hours and weeks,

But bears it out even to the edge of doom.

If this be error and upon me proved,
I never writ, nor no man ever loved.


Sonnet 117

Accuse me thus: that I have scanted all

Wherein I should your great deserts repay,

Forgot upon your dearest love to call,

Whereto all bonds do tie me day by day;

That I have frequent been with unknown minds,

And given to time your own dear-purchas'd right;

That I have hoisted sail to all the winds

Which should transport me furthest from your sight.

Book both my wilfulness and errors down,

And on just proof surmise accumulate;

Bring me within the level of your frown,

But shoot not at me in your waken'd hate;

⁠Since my appeal says I did strive to prove
The constancy and virtue of your love.


Sonnet 118

Like as, to make our appetites more keen,

With eager compounds we our palate urge;

As, to prevent our maladies unseen,

We sicken to shun sickness when we purge;

Even so, being full of your ne'er-cloying sweetness,

To bitter sauces did I frame my feeding;

And, sick of welfare, found a kind of meetness

To be diseas'd, ere that there was true needing.

Thus policy in love, to anticipate

The ills that were not, grew to faults assur'd,

And brought to medicine a healthful state,

Which, rank of goodness, would by ill be cur'd;

But thence I learn, and find the lesson true,
⁠Drugs poison him that so fell sick of you.


Sonnet 119

What potions have I drunk of Siren tears,

Distill'd from limbecks foul as hell within,

Applying fears to hopes, and hopes to fears,

Still losing when I saw myself to win!

What wretched errors hath my heart committed,

Whilst it hath thought itself so blessed never!

How have mine eyes out of their spheres been fitted,

In the distraction of this madding fever!

O benefit of ill! now I find true

That better is by evil still made better;

And ruin'd love, when it is built anew,

Grows fairer than at first, more strong, far greater.

So I return rebuk'd to my content,
And gain by ill thrice more than I have spent.


Sonnet 120

That you were once unkind befriends me now,

And for that sorrow, which I then did feel,

Needs must I under my transgression bow,

Unless my nerves were brass or hammer'd steel.

For if you were by my unkindness shaken,

As I by yours, you've pass'd a hell of time;

And I, a tyrant, have no leisure taken

To weigh how once I suffer'd in your crime.

O, that our night of woe might have remember'd

My deepest sense, how hard true sorrow hits,

And soon to you, as you to me, then tender'd

The humble salve which wounded bosoms fits!

But that your trespass now becomes a fee;
Mine ransoms yours, and yours must ransom me.


Sonnet 121

'Tis better to be vile than vile esteemed,

When not to be receives reproach of being;

And the just pleasure lost, which is so deemed

Not by our feeling, but by others' seeing:

For why should others' false adulterate eyes

Give salutation to my sportive blood?

Or on my frailties why are frailer spies,

Which in their wills count bad what I think good?

No, I am that I am, and they that level

At my abuses reckon up their own:

I may be straight though they themselves be bevel;

By their rank thoughts, my deeds must not be shown;

Unless this general evil they maintain,
All men are bad and in their badness reign.


Sonnet 122

Thy gift, thy tables, are within my brain

Full character'd with lasting memory,

Which shall above that idle rank remain,

Beyond all date, even to eternity:

Or, at the least, so long as brain and heart

Have faculty by nature to subsist;

Till each to raz'd oblivion yield his part

Of thee, thy record never can be miss'd.

That poor retention could not so much hold,

Nor need I tallies thy dear love to score;

Therefore to give them from me was I bold,

To trust those tables that receive thee more:

⁠To keep an adjunct to remember thee
⁠Were to import forgetfulness in me.


Sonnet 123

No, Time, thou shalt not boast that I do change:

Thy pyramids built up with newer might

To me are nothing novel, nothing strange;

They are but dressings of a former sight.

Our dates are brief, and therefore we admire

What thou dost foist upon us that is old;

And rather make them born to our desire

Than think that we before have heard them told.

Thy registers and thee I both defy,

Not wondering at the present nor the past,

For thy records and what we see doth lie,

Made more or less by thy continual haste.

This I do vow, and this shall ever be;
⁠I will be true, despite thy scythe and thee.


Sonnet 124

If my dear love were but the child of state,

It might for Fortune's bastard be unfather'd,

As subject to Time's love or to Time's hate,

Weeds among weeds, or flowers with flowers gather'd.

No, it was builded far from accident;

It suffers not in smiling pomp, nor falls

Under the blow of thralled discontent,

Whereto the inviting time our fashion calls:

It fears not policy, that heretic,

Which works on leases of short number'd hours,

But all alone stands hugely politic,

That it nor grows with heat, nor drowns with showers.

To this I witness call the fools of time,
Which die for goodness, who have liv'd for crime.


Sonnet 125

Were 't aught to me I bore the canopy,

With my extern the outward honouring,

Or laid great bases for eternity,

Which prove more short than waste or ruining?

Have I not seen dwellers on form and favour

Lose all and more by paying too much rent,

For compound sweet forgoing simple savour,

Pitiful thrivers, in their gazing spent?

No; let me be obsequious in thy heart,

And take thou my oblation, poor but free,

Which is not mix'd with seconds, knows no art,

But mutual render, only me for thee.

Hence, thou suborn'd informer! a true soul
⁠When most impeach'd stands least in thy control.


Sonnet 126

O thou, my lovely boy, who in thy power

Dost hold Time's fickle glass, his sickle hour;

Who hast by waning grown, and therein show'st

Thy lovers withering as thy sweet self grow'st;

If Nature, sovereign mistress over wrack,

As thou goest onwards, still will pluck thee back,

She keeps thee to this purpose, that her skill

May time disgrace and wretched minutes kill.

Yet fear her, O thou minion of her pleasure!

She may detain, but not still keep, her treasure:

Her audit, though delay'd, answer'd must be,
And her quietus is to render thee.


Sonnet 127

In the old age black was not counted fair,

Or if it were, it bore not beauty's name;

But now is black beauty's successive heir,

And beauty slander'd with a bastard's shame:

For since each hand hath put on Nature's power,

Fairing the foul with Art's false borrow'd face,

Sweet beauty hath no name, no holy bower,

But is profan'd, if not lives in disgrace.

Therefore my mistress' brows are raven black,

Her eyes so suited, and they mourners seem

At such who, not born fair, no beauty lack,

Sland'ring creation with a false esteem:

Yet so they mourn, becoming of their woe,
That every tongue says beauty should look so.


Sonnet 128

How oft, when thou, my music, music play'st,

Upon that blessed wood whose motion sounds

With thy sweet fingers, when thou gently sway'st

The wiry concord that mine ear confounds,

Do I envy those jacks that nimble leap

To kiss the tender inward of thy hand,

Whilst my poor lips, which should that harvest reap,

At the wood's boldness by thee blushing stand!

To be so tickl'd, they would change their state

And situation with those dancing chips,

O'er whom thy fingers walk with gentle gait,

Making dead wood more bless'd than living lips.

Since saucy jacks so happy are in this,
⁠Give them thy fingers, me thy lips to kiss.


Sonnet 129

Th' expense of spirit in a waste of shame

Is lust in action, and till action, lust

Is perjured, murd'rous, bloody full of blame,

Savage, extreme, rude, cruel, not to trust,

Enjoyed no sooner but despised straight,

Past reason hunted, and no sooner had,

Past reason hated as a swallowed bait,

On purpose laid to make the taker mad,

Mad in pursuit and in possession so,

Had, having, and in quest to have, extreme,

A bliss in proof, and proved a very woe,

Before a joy proposed, behind a dream.

All this the world well knows, yet none knows well
To shun the heaven that leads men to this hell.


Sonnet 130

My mistress' eyes are nothing like the sun.

Coral is far more red than her lips red.

If snow be white, why, then her breasts are dun.

If hairs be wires, black wires grow on her head.

I have seen roses damasked, red and white,

But no such roses see I in her cheeks,

And in some perfumes is there more delight

Than in the breath that from my mistress reeks.

I love to hear her speak, yet well I know

That music hath a far more pleasing sound.

I grant I never saw a goddess go,

My mistress, when she walks, treads on the ground.

And yet, by heaven, I think my love as rare
As any she belied with false compare.


Sonnet 131

Thou art as tyrannous, so as thou art,

As those whose beauties proudly make them cruel;

For well thou know'st, to my dear doting heart

Thou art the fairest and most precious jewel.

Yet in good faith some say that thee behold,

Thy face hath not the power to make love groan;

To say they err, I dare not be so bold,

Although I swear it to my self alone.

And to be sure that is not false I swear,

A thousand groans but thinking on thy face,

One on another's neck do witness bear

Thy black is fairest in my judgment's place.

In nothing art thou black save in thy deeds,
And thence this slander as I think proceeds.


Sonnet 132

Thine eyes I love, and they, as pitying me,

Knowing thy heart torments me with disdain,

Have put on black and loving mourners be,

Looking with pretty ruth upon my pain.

And truly not the morning sun of heaven

Better becomes the grey cheeks of the east,

Nor that full star that ushers in the even,

Doth half that glory to the sober west,

As those two mourning eyes become thy face:

O, let it then as well beseem thy heart

To mourn for me, since mourning doth thee grace,

And suit thy pity like in every part.

Then will I swear beauty herself is black,
And all they foul that thy complexion lack.


Sonnet 133

Beshrew that heart that makes my heart to groan

For that deep wound it gives my friend and me!

Is 't not enough to torture me alone,

But slave to slavery my sweet'st friend must be?

Me from myself thy cruel eye hath taken,

And my next self thou harder hast engross'd:

Of him, myself, and thee, I am forsaken;

A torment thrice threefold thus to be cross'd.

Prison my heart in thy steel bosom's ward,

But then my friend's heart let my poor heart bail;

Whoe'er keeps me, let my heart be his guard;

Thou canst not then use rigour in my jail:

And yet thou wilt; for I, being pent in thee,
Perforce am thine, and all that is in me.


Sonnet 134

So, now I have confess'd that he is thine,

And I myself am mortgag'd to thy will,

Myself I'll forfeit, so that other mine

Thou wilt restore, to be my comfort still:

But thou wilt not, nor he will not be free,

For thou art covetous and he is kind;

He learn'd but surety-like to write for me,

Under that bond that him as fast doth bind.

The statute of thy beauty thou wilt take,

Thou usurer, that putt'st forth all to use,

And sue a friend came debtor for my sake;

So him I lose through my unkind abuse.

Him have I lost; thou hast both him and me:
⁠He pays the whole, and yet am I not free.


Sonnet 135

Whoever hath her wish, thou hast thy Will,

And Will to boot, and Will in over-plus;

More than enough am I that vex thee still,

To thy sweet will making addition thus.

Wilt thou, whose will is large and spacious,

Not once vouchsafe to hide my will in thine?

Shall will in others seem right gracious,

And in my will no fair acceptance shine?

The sea, all water, yet receives rain still,

And in abundance addeth to his store;

So thou, being rich in Will, add to thy Will

One will of mine, to make thy large Will more.

Let no unkind 'No' fair beseechers kill;
⁠Think all but one, and me in that one Will.


Sonnet 136

If thy soul check thee that I come so near,

Swear to thy blind soul that I was thy Will,

And will, thy soul knows, is admitted there;

Thus far for love my love-suit, sweet, fulfil.

Will will fulfil the treasure of thy love,

Ay, fill it full with wills, and my will one.

In things of great receipt with ease we prove

Among a number one is reckon'd none:

Then in the number let me pass untold,

Though in thy stores' account I one must be;

For nothing hold me, so it please thee hold

That nothing me, a something sweet to thee:

Make but my name thy love, and love that still,
And then thou lov'st me,—for my name is Will.


Sonnet 137

Thou blind fool, Love, what dost thou to mine eyes,

That they behold, and see not what they see?

They know what beauty is, see where it lies,

Yet what the best is take the worst to be.

If eyes, corrupt by over-partial looks,

Be anchor'd in the bay where all men ride,

Why of eyes' falsehood hast thou forged hooks,

Whereto the judgment of my heart is tied?

Why should my heart think that a several plot

Which my heart knows the wide world's common place?

Or mine eyes, seeing this, say this is not,

To put fair truth upon so foul a face?

⁠In things right true my heart and eyes have err'd,
And to this false plague are they now transferr'd.


Sonnet 138

When my love swears that she is made of truth,

I do believe her though I know she lies,

That she might think me some untutored youth,

Unlearned in the world's false subtleties.

Thus vainly thinking that she thinks me young,

Although she knows my days are past the best,

Simply I credit her false-speaking tongue.

On both sides thus is simple truth suppressed.

But wherefore says she not she is unjust?

And wherefore say not I that I am old?

O, love's best habit is in seeming trust,

And age in love loves not to have years told:

Therefore I lie with her, and she with me,
And in our faults by lies we flattered be.


Sonnet 139

O, call not me to justify the wrong

That thy unkindness lays upon my heart;

Wound me not with thine eye, but with thy tongue:

Use power with power, and slay me not by art.

Tell me thou lov'st elsewhere; but in my sight,

Dear heart, forbear to glance thine eye aside:

What need'st thou wound with cunning, when thy might

Is more than my o'erpress'd defence can bide?

Let me excuse thee: ah! my love well knows

Her pretty looks have been my enemies;

And therefore from my face she turns my foes,

That they elsewhere might dart their injuries:

Yet do not so; but since I am near slain,
Kill me outright with looks, and rid my pain.


Sonnet 140

Be wise as thou art cruel; do not press

My tongue-tied patience with too much disdain;

Lest sorrow lend me words, and words express

The manner of my pity-wanting pain.

If I might teach thee wit, better it were,

Though not to love, yet, love, to tell me so;

As testy sick men, when their deaths be near,

No news but health from their physicians know;

For, if I should despair, I should grow mad,

And in my madness might speak ill of thee:

Now this ill-wresting world is grown so bad,

Mad slanderers by mad ears believed be.

That I may not be so, nor thou belied,
Bear thine eyes straight, though thy proud heart go wide.


Sonnet 141

In faith, I do not love thee with mine eyes,

For they in thee a thousand errors note;

But 'tis my heart that loves what they despise,

Who, in despite of view, is pleas'd to dote.

Nor are mine ears with thy tongue's tune delighted;

Nor tender feeling to base touches prone.

Nor taste nor smell desire to be invited

To any sensual feast with thee alone:

But my five wits nor my five senses can

Dissuade one foolish heart from serving thee,

Who leaves unsway'd the likeness of a man,

Thy proud heart's slave and vassal wretch to be:

⁠Only my plague thus far I count my gain,
⁠That she that makes me sin awards me pain.


Sonnet 142

Love is my sin, and thy dear virtue hate,

Hate of my sin, grounded on sinful loving:

O, but with mine compare thou thine own state,

And thou shalt find it merits not reproving;

Or, if it do, not from those lips of thine,

That have profan'd their scarlet ornaments

And seal'd false bonds of love as oft as mine,

Robb'd others' beds' revenues of their rents.

Be it lawful I love thee, as thou lov'st those

Whom thine eyes woo as mine importune thee:

Root pity in thy heart, that when it grows,

Thy pity may deserve to pitied be.

If thou dost seek to have what thou dost hide,
By self-example mayst thou be denied!


Sonnet 143

Lo, as a careful housewife runs to catch

One of her feather'd creatures broke away,

Sets down her babe, and makes all quick dispatch

In pursuit of the thing she would have stay;

Whilst her neglected child holds her in chase,

Cries to catch her whose busy care is bent

To follow that which flies before her face,

Not prizing her poor infant's discontent:

So runn'st thou after that which flies from thee,

Whilst I thy babe chase thee afar behind;

But if thou catch thy hope, turn back to me,

And play the mother's part, kiss me, be kind;

⁠So will I pray that thou mayst have thy Will,
If thou turn back and my loud crying still.


Sonnet 144

Two loves I have of comfort and despair,

Which like two spirits do suggest me still.

The better angel is a man right fair,

The worser spirit a woman coloured ill.

To win me soon to hell my female evil

Tempteth my better angel from my side,

And would corrupt my saint to be a devil,

Wooing his purity with her foul pride.

And whether that my angel be turned fiend,

Suspect I may, yet not directly tell;

But being both from me, both to each friend,

I guess one angel in another's hell.

Yet this shall I ne'er know but live in doubt,
Till my bad angel fire my good one out.


Sonnet 145

Those lips that Love's own hand did make,

Breath'd forth the sound that said 'I hate,'

To me that languish'd for her sake:

But when she saw my woeful state,

Straight in her heart did mercy come,

Chiding that tongue that ever sweet

Was us'd in giving gentle doom;

And taught it thus anew to greet;

'I hate,' she alter'd with an end,

That follow'd it as gentle day

Doth follow night, who like a fiend

From heaven to hell is flown away.

'I hate' from hate away she threw,
And sav'd my life, saying—'Not you.'


Sonnet 146

Poor soul, the centre of my sinful earth,

[Lord of] these rebel powers that thee array,

Why dost thou pine within and suffer dearth

Painting thy outward walls so costly gay?

Why so large cost, having so short a lease,

Dost thou upon thy fading mansion spend?

Shall worms, inheritors of this excess,

Eat up thy charge? Is this thy body's end?

Then, soul, live thou upon thy servant's loss,

And let that pine to aggravate thy store;

Buy terms divine in selling hours of dross;

Within be fed, without be rich no more.

So shalt thou feed on death, that feeds on men,
And death once dead, there's no more dying then.


Sonnet 147

My love is as a fever, longing still

For that which longer nurseth the disease;

Feeding on that which doth preserve the ill,

The uncertain sickly appetite to please.

My reason, the physician to my love,

Angry that his prescriptions are not kept,

Hath left me, and I desperate now approve

Desire is death, which physic did except.

Past cure I am, now reason is past care,

And frantic-mad with evermore unrest;

My thoughts and my discourse as madmen's are,

At random from the truth vainly express'd;

⁠For I have sworn thee fair, and thought thee bright,
Who art as black as hell, as dark as night.


Sonnet 148

O me! what eyes hath love put in my head,

Which have no correspondence with true sight,

Or if they have, where is my judgment fled,

That censures falsely what they see aright?

If that be fair whereon my false eyes dote,

What means the world to say it is not so?

If it be not, then love doth well denote,

Love's eye is not so true as all men's: No,

How can it? O how can love's eye be true,

That is so vexed with watching and with tears?

No marvel then though I mistake my view,

The sun it self sees not, till heaven clears.

O cunning love, with tears thou keep'st me blind,
Lest eyes well-seeing thy foul faults should find.


Sonnet 149

Canst thou, O cruel! say I love thee not,

When I against myself with thee partake?

Do I not think on thee, when I forgot

Am of myself, all tyrant, for thy sake?

Who hateth thee that I do call my friend?

On whom frown'st thou that I do fawn upon?

Nay, if thou lour'st on me, do I not spend

Revenge upon myself with present moan?

What merit do I in myself respect,

That is so proud thy service to despise,

When all my best doth worship thy defect,

Commanded by the motion of thine eyes?

But, love, hate on, for now I know thy mind;
Those that can see thou lov'st, and I am blind.


Sonnet 150

O, from what power hast thou this powerful might,

With insufficiency my heart to sway?

To make me give the lie to my true sight,

And swear that brightness doth not grace the day?

Whence hast thou this becoming of things ill,

That in the very refuse of thy deeds

There is such strength and warrantise of skill,

That, in my mind, thy worst all best exceeds?

Who taught thee how to make me love thee more,

The more I hear and see just cause of hate?

O, though I love what others do abhor,

With others thou shouldst not abhor my state:

If thy unworthiness rais'd love in me,
⁠More worthy I to be belov'd of thee


Sonnet 151

Love is too young to know what conscience is;

Yet who knows not conscience is born of love?

Then, gentle cheater, urge not my amiss,

Lest guilty of my faults thy sweet self prove:

For, thou betraying me, I do betray

My nobler part to my gross body's treason;

My soul doth tell my body that he may

Triumph in love; flesh stays no further reason,

But rising at thy name doth point out thee

As his triumphant prize. Proud of this pride,

He is contented thy poor drudge to be,

To stand in thy affairs, fall by thy side.

No want of conscience hold it that I call
Her 'love' for whose dear love I rise and fall.


Sonnet 152

In loving thee thou know'st I am forsworn,

But thou art twice forsworn, to me love swearing;

In act thy bed-vow broke, and new faith torn,

In vowing new hate after new love bearing.

But why of two oaths' breach do I accuse thee,

When I break twenty? I am perjur'd most;

For all my vows are oaths but to misuse thee,

And all my honest faith in thee is lost:

For I have sworn deep oaths of thy deep kindness,

Oaths of thy love, thy truth, thy constancy;

And, to enlighten thee, gave eyes to blindness,

Or made them swear against the thing they see;

For I have sworn thee fair; more perjur'd I,
To swear against the truth so foul a lie!


Sonnet 153

Cupid laid by his brand and fell asleep:

A maid of Dian's this advantage found,

And his love-kindling fire did quickly steep

In a cold valley-fountain of that ground;

Which borrow'd from this holy fire of Love

A dateless lively heat, still to endure,

And grew a seething bath, which yet men prove

Against strange maladies a sovereign cure.

But at my mistress' eye Love's brand new-fired,

The boy for trial needs would touch my breast;

I, sick withal, the help of bath desired,

And thither hied, a sad distemper'd guest,

But found no cure: the bath for my help lies
⁠Where Cupid got new fire, my mistress' eyes.


Sonnet 154

The little Love-god lying once asleep

Laid by his side his heart-inflaming brand,

Whilst many nymphs that vow'd chaste life to keep

Came tripping by; but in her maiden hand ⁠

The fairest votary took up that fire

Which many legions of true hearts had warm'd;

And so the general of hot desire

Was, sleeping, by a virgin hand disarm'd.

This brand she quenched in a cool well by,

Which from Love's fire took heat perpetual,

Growing a bath and healthful remedy

For men diseas'd; but I, my mistress' thrall, ⁠

⁠Came there for cure, and this by that I prove,
⁠Love's fire heats water, water cools not love.