De Sumatra Post/Jaargang 3/Nummer 158/Hoe de Rothschilds rijk werden

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoe de Rothschilds rijk werden
Auteur(s) Anoniem
Datum Donderdag 11 juli 1901
Titel Hoe de Rothschilds rijk werden
Krant De Sumatra Post
Jg, nr 3, 158
Editie, pg [Dag], tweede blad, [1]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Hoe de Rothschilds rijk werden.

      Van tijd tot tijd staan er van die aanlokkelijke advertenties in de krant onder opschriften als: „Veel geld te verdienen!” „Men kan rijk worden” — enz. en dan heet het daarin dat de steller een middel weet om reflectanten als ’t ware zonder moeite rijk te maken.
      Menigeen loopt er in.
      En als men dan toch niet tevreden kan zijn met wat men heeft, dan is het misschien beter om een voorbeeld te nemen aan iets wezenlijks, aan het verhaal van hoe anderen rijk werden.
      Het recept, dat er uit volgt, is eenvoudig. Het zou zóó kunnen luiden:
      Zoek iemand met een paar kwartjes in zijn zak, zoek een ander die toevallig juist een paar kwartjes noodig heeft, breng die twee tot elkaar en beding een halfje als belooning voor den bewezen dienst.
      En ga zoo voort. Van kwartjes tot guldens. Van guldens tot tientjes, van tientjes tot bankjes van honderd....
      En weldra weet je met de millioenen geen weg.
      Geld leenen tegen rente — dat is de bron geweest waaruit de rijkdom der Rothschilds is ontstaan.
      Zooals men ziet: Het is een klein kunstje.
      En als iedereen nu maar zegt, gelijk Nathan Mayer Rothschild tot zichzelf zei: „Wat een ander kan, kan ik ook” — dan leven we in minder dan geen tijd in een wereld van louter millionnairs.
      Het was Meyer Amschel Rothschild, de vader van Nathan Mayer, die in Frankfort is begonnen met het aanleggen van den rijkdom der familie.
      Meyer Amschel Rotschild, die in 1743 te Frankfort aan den Main werd geboren, was de zoon van een daar wonenden Jood, van wien tot nu toe niets anders bekend is dan dat hij een zaak dreef. De zoon werd aanvankelijk opgeleid voor rabbijn, maar toen hij langzamerhand bij zijn vader en later in het Hannoversche bankiershuis Oppenheim een kijkje kreeg in de zakenwereld, trok hem die zoo aan, dat hij daarin overging. Weldra vestigde hij zich te Frankfort als geldwisselaar. Reeds te Hannover was hij door de zaken van de Oppenheims van tijd tot tijd in aanraking gekomen met generaal Von Estorff en die had hem aanbevolen aan den Erfprins Wilhelm van Hessen voor het geval deze eens geldzaken had te doen. Toen de jonge Rothschild zich in Frankfort had gevestigd, kreeg hij dan ook eens een oproeping van den Erfprins. Hij kwam te Hanau en werd binnengelaten toen de Erfprins juist met Estorff zat te schaken. Rothschild werd uitgenoodigd om toeschouwer te zijn totdat de partij uit was en, zelf beoefenaar van het spel zijnde, vond hij gelegenheid om den Erfprins een zet te raden — Estorff schijnt die inmenging niet kwalijk te hebben genomen! — waardoor de prins de partij won, die anders slecht voor hem stond.
      Dit en het daarop volgende gesprek maakte zoo’n goede indruk, dat de Erfprins tot Estorff zei: „Generaal, gij hebt mij geen domoor aanbevolen”.
      Dit moet geweest zijn omtrent 1775.
      Rothschild had nu den man gevonden die een paar kwartjes had. Nu bleef de altijd gemakkelijke taak over, iemand te zoeken die toevallig een paar kwartjes noodig had.
      Zulke menschen waren er in dien tijd minstens evenveel als nu.
      Toch had Rothschild aanvankelijk nog weinig of niets te doen voor den Erfprins, de lateren Landgraaf (in 1789 volgde Wilhelm zijn vader op). Hij kocht diens Engelsche wissels — na veel concurrentie met andere Frankforter huizen zooals Bethmann, Metzler, Heyder, Ruppell, Gontard, d’Orville — en wist ze weer met voordeel van de hand te doen. Dat was het werk van elke wisselzaak en Rothschild zou daardoor geen groot vermogen hebben verworven.
      Maar eindelijk, in 1800, kwam de bemiddeling van de kartjes.
      De Landgraaf was de grootste kapitalist van zijn tijd en vele vorsten, ook van de machtigsten, kwamen geld bij hem leenen.
      Nu was het echter een eigenaardigheid van den schatrijken Landgraaf dat hij — zooals meer rijke menschen — niet wilde weten dat hij veel geld had. Dat maakte dat hij zich altijd schrap zette tegen elk verzoek om geld te leenen. Vorsten, die met dat doel hun afgezanten naar Hanau zonden, moesten eerst door kostbare geschenken en groote betalingen de omgeving van den Landgraaf winnen. Vooral moesten zij de buitenechtelijke kinderen van Wilhelm duchtig befooien; eerst dan hadden zij kans van slagen.
      Zulke bemoeiïngen kostten soms zoóveel, dat er 2½ % van de leensom mede gemoeid was. begrijpelijk is het dus, dat zoowel de geldzoekenden als ook de geldschieter (die niet voor zijn rijkdom wilde uitkomen) graag van die moeite af wilden wezen. De Landgraaf belastte eenige Frankforter geldmannen, waaronder ook Rothschild, met het plaatsen van zijn contanten en Rothschild deed dit zoo goed en zoo discreet, dat hij langzamerhand het monopolie kreeg. Vooral aan het Deensche hof leende hij veel geld van den Hessischen Landgraaf. Zijn bemiddeling werd daar ten slotte zóó bekend, dat hij weer naar een tusschenpersoon moest omzien en dien vond in een bankier te Altona.
      En nu de reden, waarom aan Rothschild meer en meer de voorkeur werd geschonken boven andere bankiers.
      Bij de rechtstreeksche leeningen van Hof tot Hof was ’t natuurlijk in het voordeel van de omgeving van den Landgraaf, welke telkens geldschenkingen kreeg bij het sluiten van een leening, dat die leeningen zoo spoedig mogelijk afliepen om dan weer te moeten worden vernieuwd. Dit was in den regel noch in het belang van de geldnemers — die dan telkens weer op kosten werden gejaagd — noch in dat van den Landgraaf, wien er veel aan gelegen was om in die veelbewogen tijden voor langen tijd de zekerheid te hebben dat hij zijn zes percent kreeg.
      Nu was het voor de Frankforter bemiddellaars natuurlijk evenzeer als voor de hofparasieten van den Landgraaf voordeeliger om korte leeningen te sluiten; Bethmann en anderen deden dat dan ook. De provisie was in den regel 1%. Maar Rothschild was zoo verstandig om niet het onderste uit de kan te willen halen... en kreeg juist daardoor zijn monopolie bij den Landgraaf.
      Meyer Amschel Rotschild stierf den 19en September 1812. Ludwig Borne schrijft van hem:
      „De oude Rotschild was een vroom man, de vroomheid en goedhartigheid zelve. Hij had een goedig gezicht met een spits baardje; op ’t hoofd droeg hij een driekantigen hoed en in zijn kleeding was hij meer dan bescheiden, haast armoedig.
      „Zoo liep hij rond in Frankfort, gestadig omgeven door een troep armen, die hij aalmoezen of goeden raad gaf. Als men op straat een troep bedelaars met vergenoegde facies vond, dan wist men, dat hier zoo pas de oude Rothschild voorbij was gekomen...”
      En Kriegk vertelt:
      „....Daar hij namelijk, zooals vele Joden, geloofde dat God die weldadigheid het meest beloonde, waarvoor geen dank wordt geoogst, liep hij soms ’s-avonds als ’t donker was door de Jodenstraat, drukte iederen armelijk uitziende een geldstuk in de hand en liep dan hard weg”.
      Het was de derde zoon van Mayer Amschel, namelijk de reeds genoemde Nathan Mayer, die, veel bekwamer nog dan zijn vader, de zaak een hooge vlucht deed nemen. Hij was lang in Londen en maakte daar van den politieken toestand gebruik om geld op te koopen wanneer hij voorzag dat er vraag naar moest komen. Zoo was hij de eerste van de familie die zich eigenlijk met speculatie inliet.
      Het gebeurde eens dat de Oost-Indische Compagnie (de Engelsche namelijk) 800,000 pond sterling goud aan de markt bracht. De jonge Rothschild kocht alles op, „want ik wist” zoo vertelde hij eens aan sir Thomas Fowell Buxton die het verhaal heeft gepubliceerd „dat de hertog van Wellington het geld moest hebben; ik had een menigte van mijn wissels goedkoop gekocht.”
      Wellington was toen namelijk aan zijn Spaanschen veldtocht bezig en wist niet, hoe hij aan geld zou komen. Hij trok dus maar steeds wissels op de Engelsche schatkist.
      Rothschild had goed gezien. De Engelsche regeering kwam bij hem aankloppen en hij verkocht zijn goud met winst.
      Maar toen begon pas de geldbezigheid waarvan hij langzamerhand zijn specialiteit maakte en die weer gansch anders was dan die van zijn vader.
      Nu had de Engelsche regeering goud. Maar nu wist ze het niet naar Spanje te brengen.
      Rothschild nam de groote schadekans op zich en wist het geld bij kleine beetjes naar Wellington te doen brengen. De belooning was natuurlijk hoog. „Dat was (zoo vertelde hij) de beste zaak die ik ooit heb gemaakt.”
      En zoo werd hij weldra de bemiddelaar van de Engelsche regeering in haar geldzaken met betrekking tot de politiek. Het was voor de Engelsche regeering van het hoogste belang om iemand te hebben die de groote schadekans op zich nam, verbonden aan de remissies tusschen het vasteland en Engeland. Engeland steunde zijn bondgenooten op het vasteland tegen Napoleon met geld, maar het was een toer om het geld er te brengen. Daar waren de kapers! En daar was het zeegevaar, dat in 1799 de „Lutine” op de Hollandsche kust met haar lading van meer dan een millioen pond sterling deed vergaan.
      Rothschild nam deze assurantie-bemiddeling op zich en voer er wèl bij.
      Maar den grootsten dienst bewees hij de Engelsche regeering door haar geld te verschaffen.
      Het was voor de Engelsche agenten niet mogelijk om op het vasteland geld op te nemen tot eenigszins belangrijke bedragen; de wisselkoers vloog onmiddellijk naar boven. Rothschild deed nu door een leger van kleine tusschenpersonen in Duitschland en Holland, zelfs in Parijs, zeer kleine bedragen in verschillende munten bijeenzamelen en deze bedragen elk op zichzelf naar Wellington zenden. Dat ging zoo snel, dat Wellington zegevierend kon voortrukken toen de geällieerden nog in den bittersten geldnood zaten.
      De diensten, die Rothschild en zijn broer aan Engeland en de Engelschgezinden op het vasteland bewezen, werden openlijk erkend. Toch kwam juist Nathan Mayer, de bekwaamste, de „autor intellectualis” van alles, er het slechtst af. De Keizer van Oostenrijk verhief de broeders Amschel, Salomon, Karl en James in 1816 in den adelstand maar vergat Nathan. Deze werd eerst in 1822 Oostenrijksch vrijheer.
      Toen de Rothschilds in 1817 een wapen zouden krijgen, legden zij een karakteristiek ontwerp voor. Daarin vond men nl. zinspelingen op het Hessische, het Engelsche en het Oostenrijksche wapen, voorts een arm met vijf pijlen, als symbool van de eensgezindheid der broeders, benevens een jachthond (als symbool van de trouw) en een ooievaar (als zinnebeeld van de vroomheid en van het geluk).
      In het wapen werd ten slotte niet dit alles opgenomen. De wapenspreuk werd: „Concordia, integritas, industria.”
      Hoe het verder met de Rothschilds is gegaan wordt nog niet verteld door Ehrenberg, aan wiens vervolg op zijn „Ontstaan van groote vermogens” (in de „Deutsche Rundschau”) wij het bovenstaande ontleenen. Hij zal in de Juli-aflevering het vervolg geven.
      Een gemakkelijk werk heeft hij niet gehad, want de huidige vertegenwoordigers van de familie Rothschild willen niets vertellen over de opkomst van hun geslacht.
      Ehrenberg heeft alles uit Staatsarchieven, correspondenties, enz. bijeen moeten zoeken.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (17 juli 1901) ‘Hoe de Rothschilds rijk werden’, De Locomotief, derde blad, [p. 1].
  • Anoniem (19 juli 1901) ‘Rothschilds’, Haagsche Courant, eerste blad, [p. 2].
  • Anoniem (20 augustus 1901) ‘Hoe de Rothschilds rijk werden’, Suriname, Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad, [p. 2].