De Telegraaf/Jaargang 12/Nummer 4469/"Allerzielen" (II)

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
„Allerzielen (I)”
Auteur(s) Henri Borel
Datum 27 december 1904
Titel „Allerzielen”
Krant De Telegraaf
Jg, nr 12, 4469
Editie, pg 4-uur-editie, 6
Opmerkingen Tweede deel van de recensie van het toneelstuk "Allerzielen" van Herman Heijermans,[1] première op 24 december 1904 in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam.
Genre(s) recensie
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein
<<  Deel I


„Allerzielen”.

II.


Ik heb nog niet gezegd, waarom het stuk "Allerzielen" heet, omdat deze titel mij niet de éénig-mogelijke, absoluut noodzakelijke lijkt. De handeling speelt zich af in de eerste dagen vóór en na "Allerzielen", den dag, dat gebeden wordt voor het heil van alle zielen, der dooden en der levenden. Maar, dunkt mij, de behandeling en de beteekenis van het stuk waren dezelfde geweest, als de tijd omtrent Paschen of Kerstmis ware geweest, en dan had het stuk "Paschen" of "Kerstmis" kunnen heeten. Juist op Allerheiligen en Allerzielen is pastoor Nansen geschorst en mag hij de mis niet lezen, en 't kindje is op "Allerzielen" dood, dus het kinderzieltje ontvloden aan 't lichaam.

Dat het publiek, zelfs het literair ontwikkelde gedeelte er van, uit de voorstelling direct de zinnebeeldige beteekenis van het stuk juist zal vatten, geloof ik niet. Er wordt eindeloos in gefilosofeerd, en er komen eindelooze sermoenen in voor, somtijds werkelijk diepzinnig en literair zeer schoon van taal. Maar het is de vraag, of deze dingen voor het tooneel geschikt zijn, en niet liever en beter gelezen worden. Filosofie behoort thuis in de studeerkamer of, nog beter, buiten, onder den sterrenhemel, onder mooie luchten, in de eenzaamheid.

In een theaterzaal is zij moeilijk te volgen en leidt de handeling der spelende personen er van af. Het zal al meer en meer gaan blijken, hoeveel er ook al mag geraisonneerd zijn van het tooneel af in de laatste jaren, dat handeling en nòg eens handeling de eerste vereischte blijft voor een goed tooneelstuk. Uit het gecompliceerde samen-komen en be-influenseeren der verschillende personen, karakters en omstandigheden moeten van-zelf, onvermijdelijk, onafwendbaar de handeling en het conflict voortkomen, ik zou bijna zeggen logisch er uit volgende, zooals ook het noodlot eigenlijk logisch is.

Ik hoor in "Allerzielen" wèl schijnbaar Rita spreken, en Nansen, en Rita's man, maar 't is eigenlijk enkel Herman Heyermans, die spreekt. De auteur zelf met zijn levens-beschouwing en zijne ideeën is meer aan 't woord dan de personen uit het stuk, dat meer beschouwende, raisonneerende filosofie is dan handeling. "Ein Drama ist ein um so volkommeneres Gedicht je mehr es Drama ist" zegt Lessing terecht, en, zooals Heinrich Bulthaupt verklaart, de eigenlijke grootheid van een dramatische compositie "ist, dasz jede Scene sich logisch aus der vorauf gehenden entwickelt, und dasz die dramatische Handlung von den Personen selbst geschaffen wird".

Dit valt geheel in 't niet, wanneer achter die personen zelf, en door hun spreken heen, voortdurend de auteur zelf aan 't filosofeeren is. Toch kunnen in een goed tooneelstuk eenige personen wel lange alleenspraken houden, maar die moeten dan dienen om in hun eigen aparte ziel en karakter te doen zien, niet om de wijsheid van den auteur zèlf te verkondigen. De verschillende personen moeten geen spreekbuizen zijn om sociale en religieuse begrippen en beschouwingen van één persoon, den auteur, te verspreiden. Het is altijd en overal Heijermans zelf dien ik uit "Allerzielen" hoor spreken. Dikwijls schoon en literair hoor spreken, dit zeg ik er dadelijk bij.

Personen in een tooneelstuk mogen zinnebeeldig zijn, ideeën of begrippen, desnoods geheele filosofische systemen symboliseeren, maar, met het oog op de handeling en 't publiek, dat vanuit de zaal die handeling volgt, behooren ze tóch m.i. waarschijnlijk en mogelijk te zijn. Rita nu vind ik een onwaarschijnlijke figuur, al is zij misschien honderdvoudig symboliek. Een matrozenvrouw uit een arm werkmansgezin spréékt zoo mooi niet, wéét zooveel niet, filosofeert zoo literair niet, gaat niet zoo grieksch-zigeunersch gekleed. Ook haar man is een zeer onwaarschijnlijk personage. Dit blijkt vooral aan 't slot van het stuk, als zij beiden tegen Nansen spreken.

Die beide menschen spreken dan als dichters, die mooie dingen zeggen. Als Rita zegt: "We hopen u te ontmoeten, we hébben u al ontmoet" dan is dit voor den hoorder misschien heel diepzinnig, maar in den mond van die matrozenvrouw is het heel onwaarschijnlijk. Het is dan weer Heyermans, de dichter en filosoof, niet Rita die spreekt. Als zij zegt: "Alle wegen liggen voor ons open" en "We gaan een anderen weg dan u" en van haar volgend leven met den matroos, dat zal opbloeien "als de knoppen aan de boomen" dan is dat véél te literair mooi voor de persoon, die het zegt. Evenmin zal zoo'n vrouw zeggen "liefde is een klank geworden", of "de zon, 't groen, 't licht is te koop." Ik haal maar een páár voorbeelden aan uit de menigte.

Ik vind, uit een literair en een filosofisch oogpunt, heel mooie dingen in "Allerzielen" die den auteur zelf zeer sympathiek kunnen doen zijn, maar als tooneelstuk vind ik het mislukt. In een roman of een verhandeling zou dat alles veel meer genietbaar zijn. Ik blijf lange sermoenen en filosofische redeneeringen allergevaarlijkst vinden voor het tooneel, dat vóór alles handeling moet blijven. Uit die handeling kan dan wel vanzelf een filosofie of een waarheid of een begrip volgen of voelbaar worden, maar niet uit de aparte redeneeringen.

Uit "Oedipus" voel ik bijvoorbeeld, en gruwbaar reëel, de onafwendbaarheid van het Noodlot. Maar niet door ellenlange redeneeringen, wel door den logischen gang van de tragedie zelve, en het samenkomen der personen en omstandigheden.

Een gebrek in het stuk vind ik ook, dat de auteur er zelf véél meer van zal blijken te weten dan de toeschouwer die het ziet. Het publiek wordt niet voldoende ingelicht over de personen, en al is 't spel nog zoo "zinnebeeldig", dit had toch zoo niet moeten zijn. Zéér veel er in is en blijft raadselachtig. Nu kan de auteur zich wellicht beklagen over de weinige bevattelijkheid van zijn publiek, maar hij neme de mogelijkheid aan, dat de schuld óók kan liggen aan de onduidelijkheid van zijn procédé. Ik vind het uitstekend, zinnebeeldig te zijn door fictieve of reëele personen, maar die fictie of die realiteit moet niet onlogisch en onwaarschijnlijk zijn voor het publiek dat ze vóór zich krijgt.

Het best geslaagd lijkt mij dan nog pastoor Bronk als de incarnatie van het absolute dogma der kerk. Deze man leeft, is mogelijk, en wat hij zegt is, voor hém, waarschijnlijk. Tusschen dezen man en Rita in staat Nansen, die er eigenlijk een overgang, een op groote afstanden van beiden er tusschen gezette halte van is. Nansen moet dan ook onvermijdelijk tot Rita's ideeën komen en als zij zegt "u komt tot ons", al zijn die woorden in den mond van een matrozenvrouw te diepzinnig, is dit een waarheid.

Nansen staat nog, met zijn essentieel christelijke menschenliefde voor de begrippen van erfzonde en vergankelijkheid van het aardsche stof en het leven dat eerst begint met den dood, die Rita al ver achter zich heeft gelaten, omdat zij voorál gedenkt te léven, ook de materie als onsterfelijk voelt, haar God ziet in al het bestaande, in de wolken, de sterren, de beesten, de bloemen, het heelal, zooals zij dat zegt, en omdat zij geen zonde kan zien in wat des goeden levens is.

Ook de figuur van de liefdeszuster, die met haar kalme berusting en gansch ontdaan-zijn van het aardsche, geheel in de ziele-extase van de R.-K. non door het stuk heengaat, vind ik, naast die van pastoor Bronk, een aannemelijke. Deze beide figuren zijn reëel en zeggen geen dingen, die uit hún mond onwaarschijnlijk lijken. Geen oogenblik denkt de toeschouwer bij hun woorden, als bij die van Rita en haar man: "hoe komen zij daaraan, waar halen zij 't vandaan?" Deze beide personen spreken zóó en niet anders, omdat zij nu eenmaal deze twee karakters zijn en zóó en niets anders kunnen spreken in dit geval. En daarom zijn ze in het tooneelstuk geslaagd en volkomen áf.

Een bezwaar, dat ik tegen dit stuk heb, is verder, dat het zoo vermoeit. Groote kunst vermoeit niet, maar verkwikt, als is zij nóg zoo tragisch. Het hoofd loopt om van al die redeneeringen en sermoenen. Thuis, zoo'n stuk lezende, kan je na iedere beschouwing eens rusten, kalm overdenken, 't gelezene doen verwerken, maar bij zoo'n tooneelstuk heb je geen tijd, moet je direct mede, moet alles er inééns in, achter elkaar. Dat vermoeit, en dáárom is filosofie, althans redeneerende filosofie, zoo doodelijk van af het tooneel.

De toeschouwer kan wèl een handeling volgen, maar niet een redeneerende filosofische beschouwing. Voor den auteur, die alles zelf langzaam verwerkt heeft, en dus precies den gang der redeneeringen wéét, is het allemaal heel mooi. Maar de toeschouwer, die het stuk niet gelezen heeft, ook omdat het vóór de opvoering niet in druk verscheen, staat er geheel anders tegenover.

Op onwaarschijnlijkheden – b.v. 't kalme toezien bij de begrafenis, waar Rita als een beest eerst het kistje bewaakt – wees ik reeds. Zóó zijn er méér, b.v. de uitroep: "Ik weet de plek niet meer", terwijl ze toch de plek van uit het venster zág, en men een versch graf direct kan terugvinden door de opgehoopte aarde.

Er komen nog veel smakelooze effect-dingen in dit stuk voor, waarmede een tooneelschrijver vooruit wéét, dat hij het minst literair ontwikkelde, dus het gróótste deel van het publiek zal pakken. Ik wijs slechts op het gesol met de aard-globe door den koster Langebier. Nansen heeft eerst Bronk gewezen op de nietigheid van het kleine dorpje met zijn cancans in vergelijking met de ontzaglijke grootheid van de aarde, die weer nietig is bij 't Heelal, en in dit "zinnebeeldige spel" is die aardglobe in de handen van een R.K. priester van eene bijzondere beteekenis. In het 3e bedrijf neemt de koster, die Nansen's goed moet inpakken, de globe op en maakt er een serie platte, zoutelooze aardigheden bij. Hij noemt het "een afgodsbeeld", een "draaimolen van de kermis", goed "om sajet op te winden", een "Edammerkaas", en een "draaitol", en vermaakt het gauw-gichelende publiek met het ding als een idioot rond te draaien. Ik weet het wel, óók Shakespeare ledit dikwijls de aandacht van het tragische af door grappen, maar Heyermans is nog altijd geen Shakespeare, en deze moppen zijn ál te goedkoop. En dit van den man, die het tooneel zoo literair wil hebben? Pseudo-Shakespeariaansch lijkt mij ook Langebier's filosofische opmerking, dat het 't zelfde blijkt, als je de globe ondersteboven houdt, en bepaald akelig-flauw de aanwijzingen, waar 't dorpje en de koestal nu ergens ligt. Maar Heyermans wéét hoe juist dit inferieure het publiek pakt, en hoe het "inslaan" zal als juffrouw Co, met het onbetaalbare gezicht en de onbetaalbare stem van mevrouw De Boer-Van Rijk zegt tot den koster, dat hij "precies op Afrika lijkt". Een eenigszins literair ontwikkeld beschouwer echter kan zulke trucs niet anders dan zéér laag bij den grond en voor iemand, die beter kan weten, onverantwoordelijk vinden.

Ook met het stormwind-loeien (vlak na een mooien zonsondergang) weet de auteur van "Op Hoop van Zegen" wel wat hij doet. Of het van smaak getuigt, een motief uit een vorig stuk op hetzelfde effect te herhalen is een andere quaestie. Tenzij die windvlagen weêr een symbolieke beteekenis hebben (je kan nooit weten met zoo'n "zinnebeeldig" stuk!), waren ze vrijwel overbodig, daar de toestand in hoofdzaak toch hetzelfde zou zijn gebleven als het in plaats van slecht nu eens mooi weer ware geweest. Maar zoo'n loei-wind maakt altijd indruk, en "pakt" het gros van 't publiek.

Over de spelers zal ik ditmaal niet lang uitweiden, want de rumte in een courant is altijd zoo beperkt. Mevrouw v.d. Horst liet zich, wegens heeschheid, verontschuldigen en bracht het er, dat in aanmerking genomen, toch nog heel goed af. Haar zonderling uiterlijk zal wel op rekening van den auteur moeten komen. Stel u voor een vrouw uit een arm arbeidersgezin, vrouw van een matroos, zóó van de straat opgeraapt in uiterste ellende, in een sierlijk lichtblauw kleed, op zijn Grieksch gedrapeerd met plooien, met enorme zigeuner-oorbellen aan. Vermoedelijk loert ook hier weer "symboliek" achter, maar de nuchtere werkelijkheid die 't publiek nu eenmaal enkel kent en de geheele situatie zijn dan toch in flagranten strijd met deze combinatie van Grieksche plooien en zigeuner-bellen. Als er werkelijk een zinnebeeldige beteekenis verbonden is aan dit kleed, had dit uit het stuk moeten blijken, zóó dat de toeschouwer het vanzelf voelt. Symboliek mag geen kiekeboe worden of "ra-ra-wat is dat".

Alex Post had, in 't begin wat links doende, later zeer mooie oogenblikken. Van der Horst heb ik wel eens beter zien spelen. Alleen mevrouw De Boer-Van Rijk was weer perfect, evenzoo Holkers. Prachtig, die twee in dit stuk. Musch, als de koster, was in veel opzichten óók uitstekend, maar hoede zich voor charge, en kon gerust zijn neus wat minder clownesk maken. Mevrouw Ternooy Apèl-Haspels kon mij niet de illusie geven van een in Gods-contemplatie verloren non, van al het aardsche vrij. Zij had trouwens een moeilijke, ondankbare rol. Het knielen aan 't slot van de 2e acte deed zij heel mooi. Ook déze actrice sukkelt, helaas, met de uitspraak, vooral van de s en de z. Het is merkwaardig, hoeveel van onze acteurs de uitspraak hebben verwaarloosd. Zijn er dan geen goede spreek-lessen te krijgen in Amsterdam? Ik méén toch van wèl. Nu en dan hokte het samenspel wel eens en ging alles veel te langzaam, maar bij een première is dit niet zoo kwalijk te nemen, als moest het, ideaal genomen, dan juist in de perfectie gaan.

HENRI BOREL.



  1. Tekst van Allerzielen in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren