De Tijd/Jaargang 71/Nummer 21339/Huldiging van dr. Cuypers in 't Rijks-Museum

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Huldiging van dr. Cuypers in 't Rijks-Museum
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 19 mei 1917
Titel Amsterdam. Huldiging van dr. Cuypers in 't Rijks-Museum
Krant De Tijd
Jg, nr 71, 21339
Editie, pg [Dag], [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

AMSTERDAM.

      Huldiging van dr. Cuypers in ’t Rijks-Museum. – In de nieuwe Rembrandtzaal van het Rijks-Museum der hoofdstad is heden de negentigjarige dr. P. J. H. Cuypers gehuldigd op een wijze, die onvergetelijk blijft voor allen, die de plechtigheid mochten bijwonen.
      Een bloemenversiering was tegen den wand aangebracht, waar vroeger de „Nachtwacht” hing. In ’t midden had dr. Cuypers plaats genomen, omgeven door zijn kinderen en kleinkinderen. Aanwezig was mr. Duparc als vertegenwoordiger van den Minister van Binnenlandsche Zaken, voorts de voorzitter van den Raad van State, mr. dr. v. Leeuwen, burgemeester Tellegen, wethouder Janssen de Kok, die het ’s Gravenhaagsche gemeentebestuur vertegenwoordigde; voorts tal van hoogleeraren, geleerden, kunstenaars, heeren geestelijken, afgevaardigden van een veertigtal vereenigingen enz. enz. Het huldigingscomité bestond uit jhr. mr. Ruys de Beerenbrouck, commissaris der Koningin in Limburg, voorzitter, jhr. B. van Riemsdijk, mr. Duparc, mevr. Th. v. Duyl—Schwartze, I. Frederiks, dr. H, Hubrecht, burgemeester Tellegen, jonkvrouwe Alice de Stuers, M. P. Voute, E. baron van Zuylen van Nyevelt van de Haer, J. v. Straaten, A. J. Joling, J. Stuyt, E. van Schaick en wijlen Aug. Pollen.
      Nadat een dameskoor, onder leiding van den heer Ant. Tierie, een gezang gezongen had, nam Zijne Excellentie jhr. Ruys de Beerenbrouck, commissaris der Koningin in Limburg, voorzitter van het Comité tot huldiging van dr. Cuypers, het woord, om uit naam van een groot aantal vrienden, oud-leerlingen en vereerders van dr. Cuypers, dezen oprecht geluk te wenschen.

Jhr. Ruys de Beerenbrouck.

      Aan de gunstige beschikking — aldus spr. — van Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken die, tot zijn leedwezen verhinderd zelf deze plechtigheid bij te wonen, als zijn vertegenwoordiger heeft aangewezen, de heer mr. M. J. Duparc, referendaris bij Zijner Excellenties Departement, dien wij ons verheugen als zoodanig in ons midden te zien, danken wij het, dat U die hulde kan gebracht worden in het Rijksmuseum te Amsterdam, op het gebied van burgerlijke bouwkunst Uwe meest omvangrijke schepping.
      Aan dat gebouw ontleent gij uwen titel van architect der Rijksmuseumgebouwen, die u wellicht meer dan eenig ander uwer bouwwerken, in de geheele beschaafde wereld beroemd heeft gemaakt.
      Door uwe groote kennis van Neêrlands oude monumenten waart gij in staat aan dat gebouw vormen en versieringen te geven, welke zich aansluiten bij de overleveringen onzer bouwkunst in vroegere eeuwen, zoodat hetzelve den stempel onzer nationaliteit draagt.
      Gij hebt gedurende jaren daaraan met groote voorliefde gearbeid; tot zelfs de kleinste onderdeden van dien grootschen bouw werden door u ontworpen en op werkteekeningschaal op het papier gebracht.
      Wat een schat van herinneringen moet op dezen merkwaardigen dag bij het voortschrijden door de zalen van het Museum bij U wakker geroepen zijn en in deze eerezaal, waarvan de geschilderde versieringen, zooals die van het geheele museum, eigenhandig door U geteekend en in kleur gebracht, getuigen van de weergalooze rijkheid en pracht van Uw palet.
      Terecht heeft Victor de Stuers eenmaal van het Rijksmuseum gezegd, dat Gij daarin aan ons land eene stichting geschonken hebt, welke een luisterrijk paleis is voor Neêrlands Kunstschatten, en een monument van architectuur en van decoratieve kunst, zooals sinds den bouw van het Amsterdamsch stadhuis door van Campen op onzen bodem nergens verrees.
      Hier, in het Rijksmuseum, hebt gij eene groote schare van architecten en kunstenaars gevormd, die overeenkomstig de door u geleeraarde beginselen, door de toepassing waarvan een geheel nieuwe richting aan de Nederlandsche bouwkunst is gegeven, in het geheele land werkzaam zijn.
      Staat mij toe de woorden aan te halen, waarmede Gij bij Uw afscheid van Uwe leerlingen der Rijksmuseumgebouwen, op zoo treffende wijze Uwe opvatting van de taak des kunstenaars hebt geschetst:
      „De beginselen”, zoo zeidet Gij, „welke de grondslag zijn geweest van mijn onderwijs, zijn niet van mij persoonlijk, maar hebben eenen hoogeren oorsprong: zij zijn door God bij ons allen ingeschapen. Zij zijn niet gemaakt door kunstenaars of leeraren, maar zij bestaan van alle eeuwigheid.
      „Evenals het geschapene één is in zijn oorsprong, zoo zijn ook alle kunsten één.
      „De schoonheid openbaart zich niet door toevallige trillingen, welke het zien van een voorwerp in onze hersenen teweegbrengt, maar is een schittering en afspiegeling van het ware en het goede, de drie eigenschappen, welke alleen in God hare volmaaktheid vinden.
      „Ik verheug er mij oprecht in, heden het bewijs te mogen zien, dat mijn onderwijs vruchten gedragen heeft. Dat gij het eindige en materieele niet als hoofdzaak beschouwt, maar dat aan de kunst, die wij waarachtig liefhebben, een einddoel moet worden gesteld, oneindig daarboven verheven.
      „Laat mij u, vrienden en leerlingen, voor het laatst als leeraar een vaderlijken raad geven erkent toch altijd, dat alle kunst, alle schoonheid, komt van den Schepper. Dit is de waarheid, de eenige waarheid in de kunst.”
      Eenigen tijd geleden hebben uwe oud-leerlingen, de heeren A. Joling, J. Stuyt en J. van Straaten, met de heeren A. Pollen, die helaas weinige weken geleden door den dood aan ons comité ontvallen is, en E. van Schaick, het plan opgevat U bij gelegenheid van Uwen 90en verjaardag in een album een overzicht in beeld aan te bieden van de voornaamste Uwer werken; zij gaven den stoot tot het vormen van ons Comité, waarvan zij de deskundige raadgevers en uitvoerders zijn gebleven.
      Aan de uitnoodiging van ons Comité tot deelneming aan het huldeblijk werd gevolg gegeven door meer dan zes honderd personen, 37 vereenigingen in Nederland en 18 vereenigingen en kunstvrienden in het buitenland. De tegenwoordige tijdsomstandigheden zijn oorzaak dat van vele uwer vrienden in den vreemde geen antwoord is ingekomen. Maar het stemt tot verhenging dat in de uit Beieren, België, Denemarken, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Hongarije, Oostenrijk en Spanje ingekomen antwoorden, die allen in hun geheel in het album zijn opgenomen, een schitterend blijk wordt gegeven, hoe gij door geheel de wereld wordt gewaardeerd. Juist wegens den tijd, waarin u die internationale hulde wordt gebracht, krijgt zij haar geheel bijzondere beteekenis.
      De opdracht, kunstvol op perkament geteekend door de vaardige hand van den heer Sturm, die daartoe geheel belangeloos zijne medewerking verleende, luidt:
      „Nederlands grootsten Bouwmeester Doctor Petrus Josephus Hubertus Cuypers, architect der Rijksmuseumgebouwen, wordt door zijne vele vrienden en vereerders bij gelegenheid van zijnen 90en verjaardag dit album, een overzicht in beeld bevattende van de voornaamste zijner werken, aangeboden te Amsterdam op l9 Mei l9l7”.
      De oorspronkelijke handteekeningen van de bestuursleden der Vereenigingen en van de bijzondere personen bevinden zich eveneens in het album, in de eerste plaats die van Hare Majesteiten de Koningin en de Koningin-Moeder en van Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins der Nederlanden; de waarde van het album wordt door de aanwezigheid der handteekeningen van deze vorstelijke personen in niet geringe mate verhoogd.
      Het was geene gemakkelijke taak uit de meerdere honderden uwer bouwwerken, waarmede als het ware geheel Nederland is bezaaid, eene oordeelkundige keuze te doen; uit de bezichtiging van het album, in de samenstelling waarvan uw zoon een groot aandeel heeft gehad, zal het u duidelijk worden, dat er naar is gestreefd, uit uwe bouwkundige werken die te kiezen, welke zoowel op kerkelijk als op burgerlijk gebied het meest op den voorgrond dienen te worden gebracht, terwijl ook eene voorname plaats is ingeruimd aan bouwwerken, door u hersteld, zoowel in Nederland als in het buitenland.
      Nadat de Voorzitter van het huldigingscomité had opgesomd welke belangrijke zelfgebouwde kerken en wereldlijke gebouwen, alsmede welke gerestaureerde bouwwerken in ’t album waren opgenomen, en dank aan alle medewerkers had gebracht, besloot hij:
      Dit album, Hooggeachte heer Cuypers, thans namens ons Comité in uwe handen overgevende, heb ik daaraan, mede in naam van ons allen, nog toe te voegen den wensch, dat gij gedurende den tijd, u nog in dit aardsche leven door de Goddelijke Voorzieningheid toebedacht, u moogt blijven verheugen in eene goede gezondheid en in dezelfde helderheid van geest en frissche werkkracht, die u steeds hebben gekenmerkt en dat het voor u weggelegd moge zijn de voltooiïng te zien van alle bouwkundige werken, welke volgens uwe ontwerpen en plannen zijn begonnen en in uitvoering zijn.
      Maar hoe kort of hoe lang het u gegeven moge zijn uwen arbeid te blijven voortzetten, de vereering, die uwe vrienden u toedragen voor al hetgeen gij door uwe machtige kunst in het belang van Nederland hebt gedaan, de dankbaarheid uwer ontelbare leerlingen, welke gij in die kunst hebt ingewijd, zullen u steeds bij blijven.

      Na het uitspreken dezer rede, ontdekte jhr. Van Riemsdijk het album, in de rede reeds omschreven en gebonden in groen lederen stempelband. De opdracht was geteekend op perkament door G. Sturm. Het album bevatte de namen van het hulde-comité, huidebetuigingen van buitenlandsche architecten, vereenigingen enz.; een teekening door T. v. d. Laars met de namen van H.H. M.M. de Koningin, Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins; 2 bladen met de namen der gemeenten, vereenigingen en commissies, die aan de hulde deelnamen, p.m. 28 bladen met de namen van ruim 600 deelnemers, eindelijk de inhoudsopgave en als bijlage 75 platen met afbeeldingen der voornaamste bouwwerken van dr. Cuypers. De lederen band is geteekend door T. v. d. Laars en vervaardigd door C. J. Mensing.

Dankwoord van dr. Cuypers.

      Na bezichtiging van het album, schreed de grijze bouwmeester naar voren, om met een krachtige stem ongeveer als volgt zijn dank te uiten:

      Excellentie, hoog geachte Dames en Heeren!

      Het zij mij vergund met een kort uit het hart komend wooird, uiting te geven aan de dankbaarheid, die mij bezielt, nu ik hier, in deze stad, die ik als mijn tweede vaderstad beschouw, in dit gebouw, waaraan voor mij zoo dierbare herinneringen verbonden zijn, omringd sta van een uitgelezen schare vrouwen en mannen, opzettelijk om mijnentwille, deels uit de verte, hierheen gekomen, om mij, in eigen naam of ook namens vele anderen, hun gelukwenschen aan te bieden bij het voltooien van mijn 90ste levensjaar.
      Die dankbaarheid geldt op de eerste plaats H. M. de Koningin, die zich gewaardigde op zoo sprekende wijze hare ingenomenheid te betuigen met de feestviering van dezen dag, en niet minder H. M. de Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins der Nederlanden. De herinnering aan deze koninklijke welwillendheid zal steeds in mijn geheugen dankbaar voortleven.
      Zij geldt verder Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken en zijn hooggeachten vertegenwoordiger bij deze plechtigheid. Zij geldt U, Exc. Jhr. Ruys de Beerenbrouck, als voorzitter en woordvoerder van het huldigingscomité, en al uwe medeleden, alsook allen, die tot het welslagen dezer luisterrijke bijeenkomst hebben bijgedragen; zij geldt allen die, hetzij persoonlijk hier aanwezig, hetzij door het comité vertegenwoordigd, mij de hulde hunner vriendschap en sympathie hebben aangeboden.
      En, aangezien het woord hier gesproken, vermoedelijk door de pers over heel het land zal weerklinken, acht ik geen gelegenheid beter dan deze, om aan allen, die mij in deze dagen door woord of daad hun vriendschap betuigd hebben, daarvoor openlijk en oprecht dank te zeggen.
      Maar ik zou meenen ontrouw te zijn aan de beginselen, door den voorzitter van het Comité straks in mij geprezen, indien ik niet openlijk erkende en uitsprak, dat mijne dankbaarheid op dezen dag tot hoogste voorwerp heeft God, den gever van alle goed, en dat, wanneer ik op het gebied der Kunst iets goeds heb kunnen tot stand brengen, de eer daarvan op de eerste plaats toekomt aan den grooten Bouwmeester en Kunstenaar, Wiens wijsheid en goedheid de talenten onder de menschen verdeelt, en wiens heerlijkheid zich afspiegelt in de werken zijner handen, hun tot voorbeeld gegeven bij het beoefenen der beeldende kunsten. Hem zij dank voor de gaven, mij toebedeeld; voor den werklust, die mij den arbeid steeds leerde beschouwen, niet als een last maar als een genot; voor de levenskracht, die het mij mogelijk maakte vèr over de grens van het gewone menschenleven mijn arbeid te rekken; voor de bezieling, die mij het ideaal der schoone kunst deed zoeken en vinden in Hem-zelf, de onvergankelijke bron van al wat waar en goed en schoon is.
      Dank zij Hem ook voor de machtige hulp, die Hij mij deed vinden bij zoovelen, wier vertrouwen en waardeering mij een onmisbaren steun boden bij het vervullen mijner levenstaak. Velen hunner zijn reeds lang ter rust ingegaan, anderen ontvielen mij nog kort geleden. Met weemoed herdenk ik de dagen van mijn samenzijn of samenwerken met hen; gaarne wilde ik een woord van hulde aan de nagedachtenis van elk hunner wijden, ware dit niet te veel gevergd van uw geduld; laat ik volstaan drie mannen met namen te noemen, jegens welke ik mij in hooge mate verplicht acht. Het zijn de hoogbegaafde en beminnelijke bisschop van Roermond Joannes Augustinus Paredis, de Maecenas van mijn eerste zelfstandig optreden in de kunst, reeds in 1886 op meer dan 90-jarigen leeftijd overleden; mijn trouwe vriend en zwager, de kunstminnende zoon en hartstochtelijke beminnaar van Amsterdam, Jos. A. Alberdingk Thijm, mij drie jaar later door den dood ontvallen en eindelijk mijn onvermoeide medehelper, de immer strijdvaardige bewonderaar en begunstiger van oude en nieuwe kunst, Jhr. mr. Victor de Stuers, wiens heengaan nog in aller geheugen is.
      Moet ook ik gewag maken van zwaren strijd, dien ik niet zelden te voeren had, ter verwezenlijking van mijne denkbeelden op het gebied der bouwkunst vooral, het zij dan om te verklaren, dat die strijd in de meeste gevallen een eerlijke strijd was om beginselen, niet om personen; dat vaak bij nadere kennismaking met mijn streven oude vooroordeelen verdwenen, en samenwerking, in plaats van strijd werd verkregen.
      Met bijzondere erkentelijkheid herdenk ik mede het vertrouwen en de waardeering, mij van wege den „Amsterdamschen Magistraat” en andere openbare lichamen betoond; de oprechte vriendschap en gulle hartelijkheid, gedurende de vele jaren van mijn wonen in de hoofdstad ondervonden bij tal van personen, wier levensopvatting toch dikwijls geheel van de mijne verschilde, maar die in liefde en bewondering voor de kunst één met mij waren en zijn.
      Uwe Exc. had de welwillendheid melding te maken van een groote schare kunstenaars door mij gevormd. Ook hun ben ik dankbaar voor het vertrouwen en de aanhankelijkheid, eertijds aan hun leermeester geschonken en evenzeer voor de geestdrift, waarmede zij zijn werk hebben voortgezet. Mogen zij trouw blijven aan de eens erkende en aangenomen beginselen. Hun ideaal blijve steeds de hooge heerlijke kunst, wier scheppingen zich nooit vernederen tot den dienst van lage drift; die steeds blijft de fiere Koningsdochter, wier voorhoofd rein en wier kleed onbesmet is; de kostbare hemelgave, die ’s menschen geest opvoert tot de waarheid, zijn hart tot liefde voor het goede en schoone ontvlamt.
      Nog rest mij een woord van diepgevoelden dank te richten tot al degenen, die deel hadden aan de totstandkoming van het mij zooeven aangeboden huldeblijk. Het zal mij op mijn levensavond, hij moge dan zoo lang of zoo kort zijn als God wil en beschikt, een alleraangenaamste herinnering zijn aan dezen dag, minder nog om de hooge eer, mij door de aanbieding daarvan bewezen, welke ik nochtans op zeer hoogen prijs stel, dan wel, omdat ik daarin een welsprekend blijk zie van welwillende vriendschap voor mijn persoon en van oprechte sympathie voor datgene, waaraan ik de beste, krachten van mijn leven heb gewijd, en waaraan ik hoop, ze tot mijn laatsten levensdag te mogen wijden.
      De woorden bij de aanbieding dezer kostbare gave gesproken, en veel van hetgeen naar aanleiding van dit feest in de dagbladen werd geschreven, strekken mij tot waarborg, dat ik niet vergeefs heb gearbeid, dat mijn werk niet spoorloos zal verdwijnen. Het moge dan ook in de toekomst nog strekken tot ontwikkeling en meerderen bloei onzer vaderlandsche kunst en daardoor tot verhooging van geestelijke en stoffelijke welvaart van ons volk. Dat geve God.

      Na het uitspreken van dit indrukwekkende dankwoord was een warm doch zacht applaus gevolgd. Allen verkeerden zichtbaar onder den indruk van dit gebeuren, dat een negentig-jarig kunstenaar zóó krachtig nog in zulk een groote samenkomst zulk een dankwoord sprak. En dat hij, de onafhankelijke kunstenaar, als nederig geloovige fier alle hulde terugbracht tot God.
      Maar dan.... na de eerste aarzeling.... rezen plotseling als bij ingeving allen overeind en brak een enthousiast gejuicht uit, dat lang aanhield. Nadat vervolgens door eenige fotografen foto’s waren genomen en ’t koor nog den jubilaris, onder leiding van den heer Tierie, had toegezongen, kwamen de honderden en honderoden aanwezigen een voor een der grijzen meester de hand drukken. Hij was weldra omgeven van een kluwen menschen en ’t was wonderbaarlijk, hoe onvermoeid schier de negentig-jarige zich met ieder onderhield. Vermeld zij nog, dat afgevaardigden van den Bond van Nederl. Beeldhouwers een bronzen plaquette aanboden, vervaardigd door G. Bourgonjon, en voorstellend het Rijksmuseum op den achtergrond, met daarvoor een symbolische vrouwenfiguur, dragend de initialen van dr. Cuypers en de emblemen van architectura. Onderaan stonden de wapens van Roermond en St. Lucas met opdracht.