De Tijd/Jaargang 73/Nummer 21885/St. Maarten

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
„St. Maarten”
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 26 februari 1919
Titel „St. Maarten”
Krant De Tijd
Jg, nr 73, 21885
Editie, pg [Dag], Derde Nederlandsche Jaarbeurs. Extra bijvoegsel van „De Tijd”, [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

„St. Maarten”.

Vereeniging tot het houden van tentoonstellingen van hedendaagsche beeldende kunst tijdens de Nederlandsche jaarbeurzen te Utrecht.
      Evenals in de gouden eeuw reikt ook thans op de Nederlandsche Derde Jaarbeurs te Utrecht, de kunst haar hand aan den handel, industrie en nijverheid.
      Het is door de vereeniging „St. Maarten” goed begrepen om tijdens deze driewekelijksche tentoonstelling der producten, door de Nederlandsche fabrikanten en kooplieden vervaardigd, of ter markt gebracht, ook te demonstreeren op artistiek gebied. Nimmer toch was er een grooter bloeitijdperk voor kunsten en wetenschappen dan in de dagen, waarin scheepvaart, handel en nijverheid welig tierden en de rijke patriciërs hun woningen sierden met de schilderijen der Hollandsche meesters en met Delftsch en Japansch porcelein, met kostbare Perzische en Deventer tapijten.
      De poging van „St. Maarten“ om in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen op de Mariaplaats een verzameling kunstwerken van Nederlandsche artisten bijeen te brengen, valt daarom zeer toe te juichen en kan over het geheel genomen als geslaagd worden geacht.
      Natuurlijk zal bij volgende gelegenheden de keuze grooter en selecter kunnen zijn en de deelneming nog algemeener. We missen nu nog te veel mannen van naam, waarvan ik allereerst wil vernoemen onzen gevierden kunstenaar Jan Toorop, den geachten jubilaris, wiens werk, ook met het oog op het te verwachten buitenlandsch bezoek, hier niet had mogen ontbreken.
      Anders is er in het „Gebouw“ veel te zien, wat de moeite van beschouwing overwaard is.
      De expositie geeft wel een beeld, al is het een niet geheel volledig, van hetgeen Nederland op het gebied der beeldende kunsten presteert. Er is in verschillende genre veel afwisseling en, wat weldadig aandoet, alles hangt ruim in de zalen, die konden beschikbaar worden gesteld.
      In een zevental luchtige vertrekken ziet men hier de werken geëxposeerd van schilder- en beeldhouwkunst. Daarnaast prijken siervoorwerpen en producten van medailleerkunst, als ter opluistering van de grootere kunststukken.
      In zaal 3 tegen den achterwand treft het werk van Willy Sluiter, een geschilderd portret van den bekenden viool-virtuoos Aldo Antonietti, hetwelk uitmunt door natuurlijkheid van pose.
      Daarnaast hangt een groot doek van E. R. D. Schaap, „Lente aan de Vecht“, geëscorteerd door het werk van G. H. Grauss, getiteld: „Het Toilet“, dat in deze omgeving minder goed geplaatst lijkt.
      De fijne stemming, die Schaap’s werk uitademt en doet denken aan het romantisch Fransche landschap met zijn bloeiende boomen tegen het uitbottende paars-rose struikgewas, waarboven een subtiele blauwe lucht wordt eenigszins geschokt door de wel frisch gekleurde, doch in deze entourage wat schel getoonde compositie van Grauss. Die rammelt hierbij
      Portretten zijn er niet veel, doch er zijn wel goede. Huib Luns laat er een zien van den schilder Aug. van Voorden; Pieter Slager een fijngedachte beeltenis van „Moeder en Kind“ in pastel; J. C. A. Goedhart, exposeert een geslaagde „Portretstudie“; J. Dooyewaard een elegante compositie „Dame met mandoline“; H. M. Krabbe een aardig tafereel in aquarel, getiteld: „Kerkgang“, Simon de heer en W. Hamel flink gedane konterfeitsels.
      Jaap Gidding’s „stilleven pompoenen“, knap van vorm en smeeig van kleur, zoekt, evenals zijn collega Theo van Doesburg, in zijn decoratieve compositie 1916, de kracht in het coloriek.
      Bloemstukken zijn nog al goed vertegenwoordigd, waarvan vooral bekoren die van Anna van den Berg; A. G. Hulshoff Pol; Charles Roskam met zijn los gegroepeerde „Mimoza“ en B. H. Stomps, die frissche „papagaai-tulpen“ schilderde.
      In landschappen, de Hollandsche kunst bij uitnemendheid, hangt er werk van goede kwaliteit. Jo Koster geeft o.a. een soort pointileerkunst van sprankelende lichteffecten. Co Breman een gezicht op „Capri“, behagelijk van kleur, eveneens individueel behandeld.
      Frans Slager, de Brabantsche landschapschilder, stond voor deze expositie een doek af, voorstellend de „Oude kerk te Ammerzoden“, weer een van die pitoreske landelijke tafereelen, waarin de antieke kerk spreekt van lang vervlogen dagen. Slager bezit het geheim van de romantiek. De sfeer van eenzame verlatenheid en de kilte van het winterlandschap, waarin het gedeeltelijk tot ruïne geworden en door de blanke sneeuw bedekt kerkgebouw als een trouwe wachter pal staat, is raak getroffen en treft het voor romantiek gevoelig hart.
      Hoe geheel anders van toon is het landschap van J. van Ryckevorsel blijkbaar uit de omgeving van Hees, bij Nijmegen, waarin wel kwaliteit zit en waaruit ook talent spreekt. Noohtans tegenover het hiervoor besproken werk, zit dit schilderij nog te veel in de verf. De materie wordt hier niet geheel beheerscht. Van de grootere doeken komen vooral uit dat van J. H. Jurres „Don Ouichotte gesteenigd“, sterk van compositie; „Herfstzon“ van J. H. Mastenbroek, die hier een uitmuntende afbeelding geeft van het Rotterdamsche havenbedrijf.
      Willem Maris zond een zeer subtiele aquarel, getiteld: „Pootje Baden“, en C. Vreedenburch een in frescostljl geschilderd stuk, waarop de „Prins Hendrikkade“ natuurgetrouw is afgebeeld. De „Getsemane“ van Johannes Tielens doet denken aan Toorop’s kunst, maar dit werk is nog niet van diens verfijnden vorm. Het doel, om devotiestemmmg te wekken, wordt wel bereikt.
      G. Windt schilderde het Limburgsche landschap, dat toch geheel anders van karakter is, dan dat der overige provincies. Het kasteel Kortenbach in Zuid-Limburg maakt hij tot een bekoorlijk tafereel.
      Het „Doode paard“ van E. Westerman lijkt me wel al te fantastisch. H. Volmar geeft een moderne visie op „Oude krotjes” te Amsterdam.
      Mooi van belichting is „Zonnig hofje te Leiden” van J. M. Weijns en typisch doet Jacoba Surie in „Groentenverkoopster“. Frans Smissaert is gevoelvol; zijn „Namiddag“ is warm van kleur, met sterk luchteffect. M. van Raalte maakte een aardige compositie van „Ons Belang“. Een leuke groep suffragetten.
      Martin Monnickendam getuigt weer van een sterke persoonlijkheid in „Achter den Amsteldijk“, fel van coloriet. Als stemmingsstuk voldoet „Cypressenvijver“ van S. Moulijn. Realistisch is Roland-Lary in de uitbeelding van „De koeien ruiken den stal“. „Boomgaard met koeien“ van Jo Koster is frisscher en blijer van toon. Is. Israëls huldigt in „Moulin de la Galette“ het mondain impressionisme. Herman Heyenbroek doet dit eveneens in „De Graanzuigers“. ’n realistisch kijkje op het havenbedrijf. De in crayon uitgevoerde teekening van de Pieterskerk te Leiden is een zorgvuldig gedaan interieur.
      Stoer geteekend zijn de „Zeeuwsche Veldarbeiders“ van Joh. Gabriëlse. Idyllisch is „De poes en de Geranium“ van Tjerk Bottema. Fijn van atmosfeer „Kraaien op het ijs“ van Tjeerd Bottema. „Oude Gracht te Utrecht“ is een gave aquarel van E. Adriani-Hovy. „Heideplas“ van Gerard Alsmann is flink gedaan.
      Enkele goede litho’s en etsen zijn mede aanwezig. Dirk Nijland leverde prachtig werk in „Golven in den riviermond“. Fijn van toets is H. E. Roodenburg in „De Hooglandsche kerk te Leiden“.
      Eveneens A. van Weezel-Errens is „Morgen“ en „Avond“ zeer stemmingsvol.
      Ter opluistering prijken er mooie portretminiaturen, ze herinneren aan den tijd, toen men miniaturen op visitekaartjes schilderde. Naar in het Italiaansche werk „Il Biglietto di Visita“ te lezen staat was de slimme Griek Pericles de eerste die zoo’n visitekaartje gebruikte, om het de zenden aan zijn verloofde. Het was echter nog ietwat primitief en geschilderd op een stukje hout.
      Maar men schijnt in ’t oude Griekenland niet zoo licht te hebben nageaapt, wat de groote mannen deden, als men tegenwoordig wel doet. En het kaartje van den beroemden Athener is langen tijd ’t eenige in z’n soort gebleven.
      Het duurde tot Lodewijk XIV eer er weer iets dergelijks in gebruik kwam. Natuurlijk mooier dan het eenvoudige plankje van Pericles. Wat men ook niet anders van ’n „Roi Soleil“ kan verwachten.
      Het was ’n lapje; mooi met kant afgezet, waarop met zij het een of ander geborduurd was.
      Van Frankrijk verbreidde het zich over Europa.
      Het eerst in Holland; waarschijnlijk door dien merkwaardigen oorlog van 1672, waarin de Franschen aanvankelijk den heelen veldtocht als ’n genoeglijke reis naar de Nederlanden beschouwden. Door de zorgelooze luchthartigheid, waarmee ze dezen tocht opvatten, hadden ze alle gelegenheid de verfijnde gewoonten en manieren ook hier vol te houden en ze aldus te verspreiden in de steden, waar ze langen tijd in kwartier moesten blijven. Wellicht liet Lodewijk XIV bij z’n vertrek ’n dergelijk lapje achter, waarop met vriendelijke letters geborduurd stond „Roi Soleil p. p. c.“
      Deze lapjes waren onpractisch en kostbaar en dus werden ze omstreeks het midden der 18de eeuw vervangen door papier. Maar om niet dadelijk in al te nuchter drukwerk te vervallen, versierde men den naam met kunstige slingers van bloemen en blaren; of, nog mooier, men schilderde er ’n allegorische voorstelling, ’n jachttafereel of ’n landschapje op.
      De Revolutie hield echter niet van deze zachtaardige voorstellingen en men omsierde den naam met dolken en wapentuig, terwijl vooral de Phrygische muts niet vergeten mocht worden.
      Ten slotte, toen men de zaak van den nuchteren, meer practischen kant ging bekijken, nam men al die versierselen er af en er bleef niets over dan het langwerpige kartonnetje, waarop men liefst zoo eenvoudig mogelijk den naam drukt.
      Doch ik dwaal af.
      In plastiek is vooral in klein werk veel goeds
      Tjipke Visser exposeert in eiken, brons en faience. De „Kakatoe’s“ zijn humoristisch.
      In wit en beschilderd aardewerk komt C. J. van der Hoef goed voor den dag. Anna Buys—Van Zijp is vaardig in haar houtsnijkunst.
      Toon Dupuis zond de „Portretbuste van Albert Vogel“. Een energieke kop.
      C. A. Feldman’s „Vretende tijger“ is forsch werk.
      Ook de buste van mej. R. M. van Dantzig is flink behandeld, hetgeen eveneens kan worden getuigd van „De Neger“ van A. Hesselink.
      Ed. van Asten toont zijn talent in de door hem gezonden „Vrouwenkop“.
      Mooi van vorm en uitdrukking ls het „Breiend vrouwtje“ van Cornelia Smit.
      W. Methorst zond groot werk. Een kloek opgezet stuk is: „Oliphant door tijgers besprongen.“
      Op bouwkundig gebied is vertegenwoordigd Heildo Krop, die onder den titel „Landbouw en Veeteelt“ reliefs laat zien voor de Nationale Bank te Leeuwarden. Kapitaalstukken van gebakken steen. Als toegepaste kunst zeer fraai. Deze zal bij den tegenwoordig gebruikelijken bouwstijl van veel nut kunnen zijn.
      Immer tracht men thans de versiering van een bouwwerk zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen niet den aard en de bestemming van het gebouw.
      Er bestaan In den grond der zaak slechts twee bouwstijlen, en wel: 1o. die, waarbij men de schoonheid heeft gezocht in een natuurlijke wijze van samenstelling en 2o. die, waarbij men het ontwerp heeft gevormd naar schoonheidsbegrippen buiten de samenstelling om en waarbij deze laatste slechts een ondergeschikte of geheel geen rol speelt.

      De eerstgenoemde stijl is een constructieve; men vindt hem in bouwwerken, waarin de bouwer schoonheid heeft getracht te leggen door de noodzakelijke samenstellingen tot grondslag van de vormen te kiezen. Het is dus om ’t even wat het voorkomen der gebouwen is en uit welken tijd zij stammen, zij kunnen tot den constructieven stijl gerekend worden, hetzij hun samenstelling bestaat uit een dak op zuilen, gelijk de antieken bouwden, dan wel uit een dak op met groote vensters doorbroken, zware muren, zooals in de middeneeuwen gebruikelijk was, of wel uit verschillende daken, welke op dunnere en meer gesloten muren rusten, zooals in onzen tijd wordt gebouwd met en berust op de wezenlijke samenstelling.
      Tot dezen stijl behooren dan ook allereerst de antieke tempels, en wel met name de Egyptische en Grieksche, wier schoonheid in hoofdzaak berust op een klare constructieve werkelijkheid: bij de laatste een dak dragend op een zuilengalerij, welke de gesloten kern van het gebouw omringt; aan deze tempels zijn sommige ondergeschikte samenstellingen niet uitgedrukt; de naden in de kolommen en die in de gootblokken, welke onzichtbaar gemaakt zijn.
      De hoofdgedachte van deze tempels is echter een constructieve en treedt door het negeeren van sommige minder belangrijke onderdeelen, als naden en voegen, des te meer op den voorgrond.
      Ten tweede behoort tot dezen stijl de bouwtrant der vroege middeneeuwen, welke zich onderscheidt van de antieke, doordat alle samenstelling tot grondslag van détailvormen zijn genomen en dus niet alleen de hoofdgedachte van het ontwerp een constructieve was.
      Hierbij moet worden opgemerkt, dat, waar soms zusterkunsten, als beeldhouw- en schilderkunst, gebouwen van deze richting opluisterden, dat niet beschouwd kan worden als een inbreuk op den constructieven bouwstijl; met deze benaming toch wordt alleen iets gezegd van het bouwwerk (en wel, dat hiervan de vorm gegrond is op de samenstelling), afgescheiden van beeldhouw- en schilderwerk, glas-in-lood, etc., dat niet in strikten zin tot den bouw behoort.
      Vermeld mag nog de inzending penningen in vitrine van J. C. Wieneke te Zeist, die hiermede laat zien, wat in Nederland thans op dit kunstgebied wordt gepresteerd.
      Ten slotte kan worden gezegd, dat de eerste tentoonstelling van de vereeniging „St. Maarten“ wel geslaagd mag heeten en zij ter opluistering der „Derde Nederlandsche Jaarbeurs“ veel bijdraagt en voor den bezoeker leerzame stof biedt.