De Tijd/Jaargang 83/Nummer 24698/In Memoriam pastoor Stekelenburg

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
In Memoriam pastoor Stekelenburg
Auteur(s) Anoniem
Datum Maandag 14 mei 1928
Titel Kerkelijk leven. In Memoriam pastoor Stekelenburg.
Krant De Tijd
Jg, nr 83, 24698
Editie, pg [Dag], derde blad, 9-10
Opmerkingen Rectificatie
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[9]


[...]


KERKELIJK LEVEN.

In Memoriam pastoor Stekelenburg.

      Men schrijft ons:
      Velen in den lande en enkelen zelfs daarbuiten zullen bij de doodstijding van pastoor Stekelenburg van Spanbroek zich spontaan hebben laten ontvallen: „Hé, dàt is de pastoor van de vlinders.“
      Ja, die eenvoudige dorpspastoor is heengegaan. ’t Is mijn bedoeling niet u te verhalen het rustige en zeker vruchtbare leven van dezen braven priester, maar om alle liefhebbers van het schoone, die één of meerdere malen genoten van zijn smaakvolle, aardige vertellingen, die getuigden van een degelijke en vooral oorspronkelijke kennis van het schoone, nogmaals een vriend in herinnering te brengen, die recht heeft op onze nagedachtenis en ons gebed.
      ’t Was een stuk van z’n leven, die vlinders. Reeds als knaap van twaalf jaren maakte hij een begin. Aardig is ’t te weten, dat Mgr. A. J. Callier, destijds leeraar aan het klein seminarie Hageveld, hem vanaf de eerste jaren aanspoorde, die liefhebberij door te zetten. Hij, die de ziel en stuwkracht zou zijn bij het bouwen van Haarlem’s heerlijken tempel „St. Bavo“, zag aanstonds de kennis van en liefde voor het schoone in den jongen student.
      En Monseigneur bleef heel z’n leven belang stellen in de verzameling, die steeds grooter en mooier werd. Pastoor Stekelenburg had plezier in z’n vlinders. ’t Waren voor hem geen doode, nietszeggende dingen. Neen, zij spraken tot hem en gaven kleur, warmte en bezieling aan zijn priesterleven.
      Gaan we slechts in onze gedachten terug en gaan we nog even naar Spanbroek, ’t aardige dorpje tusschen Hoorn en Alkmaar, waar we de verzameling in haar grootste uitbreiding zien. Bij aankomst treft het ons aanstonds, hoe hierin Spanbroek een kerk staat, die van buiten zeer velen ten volle bevredigt. Aanstonds zullen wij onderzoeken, of ’t interieur aan onze verwachtingen beantwoordt.
      Eerst treden we binnen in de eenvoudige pastorie en wanneer we ’t geluk hebben pastoor huis te vinden, zal de trouwe dienstbode ons hoogstwaarschijnlijk zeggen: wacht u even in de spreekkamer, want pastoor is in de kerk of anders in de vlinderkamer.“ En als we eventjes gewacht hebben, komt de pastoor op vriendelijken toon ons uitnoodigen en loodst ons met een paar pittige, geestige uitdrukkingen naar boven. Daar is hij in z’n element en toont ons die heerlijke kleurschakeeringen, die wij allen nooit hadden opgemerkt en achteloos waren voorbijgegaan. Een kleurverbinding, die dan toch in Gods heerlijke natuur op de volmaakste wijze te vinden is en door geen kunstenaar in de volheid kan worden nagebootst.
      Nòg hooren we hem vragen: „Hoe vindt u deze vlinders in deze kast?“ En als ze ons met hun simpele kleuren niet erg kunnen bekoren, keert hij lachend de kast om en toont ons de vlinders aan den onderkant, waar ze ons buitengewoon mooie kleuren laten zien. Nòg zien we hem gelukkig in ’t bezit van dien grooten vlinder van het Himalajagebergte, een bezit, dat alle museums van Europa hem geruimen tijd hebben benijd.
      Dan konden we ons voorstellen, hoe al dat schoone in Gods schepping hem uitnoodigde te loven en te danken den Maker van alles. Hij bad dikwijls, hij bad veel.... Ik wil kort zijn en daarom verlaten wij dat intiem verblijf en gaan naar de kerk. Daar toont de pastoor ons ’t effect van zijn kunstzin, vooral van zijn kleurenkennis. Weldadig doet alles ons aan. Een echt natuurlijke glans schittert ons tegen. De beroemde Duitscher Von Windhausen heeft hier zijn kruiswegstaties geput uit de natuur zelf. ’t Beeldhouwwerk van den bekenden


[10]


DERDE BLAD
10
DE TIJD. Maandag 14 Mei 1928

beeldhouwer Maas uit Haarlem, is, waar dit noodig was, met natuurlijke kleuren versierd en zoo aangepast aan zijn omgeving. ’t Is ongetwijfeld de schoonste kerk in West-Friesland. Laat ik kort zijn. Deze priester is heengegaan. Hebt gij genoten van zijn vriendelijkheid en liefde voor ’t schoone, gedenkt hem dan vooral in uwe gebeden.
      De vlinderverzameling is thans [i]n goede handen, n.l. bij de Zusters Ursulinen in Bergen. Zijn kennis van en liefde voor de vlinders deed hij, voor zoover zoo iets mogelijk is, over aan een paar Zusters van de hem geliefde Congregatie. In ’t kleine museumpje aldaar zijn ze maakvol en keurig opgesteld. In ’t midden zien we nagemaakt rotswerk, waarop verschillende vreemde vogels, van welke de pastoor er ook een paar honderd bezat, geplaatst zijn.