De Tijd/Jaargang 84/Nummer 24749/Asselt

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Asselt
Auteur(s) A.
Datum Zaterdag 14 juli 1928
Titel Asselt
Krant De Tijd
Jg, nr 84, 24749
Editie, pg [Dag], vierde blad, [3-5]
Opmerkingen Dominique Sassen vermeld als D. Sassen, Pierre Cuypers als Cuypers, Karel Lücker als Lücker, Joep Nicolas als Joep Nicolaas
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[3]


[...]


KERK EN MAATSCHAPPIJ

ASSELT,

door

A.

      Langs de geaccidenteerde Maasoevers ligt juweelig het dorpje Asselt met een der kostelijkste oude kerken, die ons land telt, met zijn plaatselijk museum van overblijfselen uit de geschiedenis aller tijden, en met zijn schoon en welgebouwd slot, waar een geslacht van geboren en gestagen adel woont. Het schoone en door vele schoonheidsbeminnaren verzorgde plaatsje heeft ook de liefde gewonnen van Dr. D. Sassen. En met zijn fijne pen vol eruditie en kennis heeft hij er een boeksken over geschreven, de mengeling van kunst en natuur te Asselt waard. De Drukkerij van Cl. Gaffin te Maastricht, die zich met goed inzicht om de oude schatten en tintige folklore van het oude Limburgsche gewest bekommeren blijft, heeft het op goed papier en verlucht uitgegeven. Ik ga er iets aan ontleenen, want het beter schrijven dan hier gedaan is, zou ik niet kunnen, daarom schrijf ik het maar het allerbeste af.
      Asselt is oud, zeer oud. De Romeinen, die langs den heelen Maasstroom hunne wachtposten hebben uitgezet, bouwden ook hier een versterking en wie de plaats ziet, waar nu het kerkje en de uiterste huizen staan, beseft, dat moeilijk een gunstiger plek kon gekozen worden. De sterke kromming der Maas, die ten Noorden en ten Zuiden scherpe bochten vormt, gaf gelegenheid den stroom gemakkelijk te overzien. Voor een wachtpost een ideaal punt. Dit was dan Ascalon. Men heeft er de sporen gevonden van een Romeinsch gebouw en in den kerkmuur kan men nog de steenen en tegels vinden. die gediend hebben om van Romeinsch puin te worden tot deelen van een Christen bedehuis. In den kerkgevel ziet men de ronde tegels, die gediend hebben tot versiering of tot stut voor de verwarmingsinrichting onder de Romeinsche woonvertrekken.
      Hoe het bouwwerk der Romeinen tot verval kwam, gaat verloren in den nacht der tijden. Dat zekere Agnes, tot het Christendom bekeerd, de grondvesten zou gelegd hebben van het kerkje, is


[4]


zuiver legende. Dat er een kerkje kwam, is echter iets anders. Men weet immers, dat de kerstening dezer landen ligt in den laat-Merovingischen tijd, ofschoon de eerste prediking zeker reeds veel vroeger is geschied. Met Sint Lambertus, bisschop van

De Tijd vol 085 no 25444 Avondblad Calvariegroep in het Kerkje.jpg

Calvarie-groep.

Maastricht, en Sint Willibrord, bisschop van Utrecht, begint hier de definitieve vestiging van het Christendom. Er is alle reden om aan te nemen, dat het de drie heiligen van Sint Odiliënberg, Plechelmus, Wiro en Otgerus zijn geweest, die hier het eerste bedehuis hebben gesticht, gelijk zij zoovele andere in deze streken hebben gebouwd. Zij wijdden het aan den H. Dionysius, den Areopagiet, en deze toewijding wijst op zich reeds op zeer hooge oudheid. Een bewijs voor de stichting door deze heiligen ligt wel in de schenking van Asselt aan het Sint Pietersklooster te Sint Odiliënberg op 24 Juni 943 door bisschop Balderik van Utrecht. Met de overige bezittingen van dit klooster kwam Asselt later onder de heerschappij der graven van Gelder.
      Dit deel van Limburg behoort geheel aan de graven, later aan hertogen van Gelder, wier gebied verdeeld was in vier kwartieren, waarvan Roermond het Overkwartier heette. Dit overkwartier bestond uit acht drossartsambten en zestien heerlijkheden, waaronder Hillenraad, Asselt en Swalmen. Zij behoorden tot het drossartsambt Montfoort.
      Tusschen het teere groen der hooge boomen schemeren de lijnen van het kerkje zilvergrijs op het voetstuk van roode muren. Vóór ge naar de kerk opgaat, och, wandelt even om dien muur, die rond de terp is geslagen als een beschuttende band tegen het geweld der rivier, wanneer het water stijgt en klimt tegen de hoogte op, klotsend en woelend, voortgejaagd door den schralen, killen wind. Het is een muur van gewone flinke baksteenen, zoo onbeduidend, nietwaar?, maar zoo aantrekkelijk, want hoe heeft de tijd, en hoe heeft zijn bondgenoot, het weder, den steen gekleurd! Brons is hij geworden en rood en groen, en tusschen de voegen tieren welig allerlei plantjes in alle schakeeringen van groen, terwijl van boven de rozentakken dalen in lange twijgen naar omlaag. Rozen bloeien er, duizend, tienduizend, honderdduizend: rozen, genoeg rozen om bij processies de straten te bestrooien met een tapijt van bloemen, een schat, groot genoeg om van te plukken, zondat dat er een einde aan komt. Dit is het paradijs, dat toevertrouwd is aan de Asseltsche kinderen, die het verzorgen met hun reine handjes. En daaromheen het gefluister der hooge canada’s en der linden, die almaar-praten en vertellen, en waaruit de kerk oprijst als uit een schrijn vau levend groen.
      Het kerkje is in 1916 definitief hersteld. Het was dan ook ver gekomen met het oude heiligdom. Droevig was het verval, zóó zelfs, dat de zon haar stralen gemakkelijker kon laten spelen door de reten en spleten in den muur dan door de vuile zwart geworden ramen. Hebben de rectoren Dullye, Bosch en Conraedts reeds getracht maatregelen te nemen en althans voorbereidingen kunnen treffen voor een afdoende herstel, iedereen weet, dat het rector Pinckers is, die de kerk heeft gemaakt tot wat ze is, een pronkjuweel, waarop Limburg trotsch mag zijn. Dergelijke dingen laten zich niet forceeren; men moet geduldig afwachten tot een providentieel uitgekozen man komt, die begaafd is met rustelooze energie en onmetelijke liefde. Dan komt alles terecht, omdat alleen zóó iemand de middelen weet te vinden en de menschen belangstelling weet in te boezemen. Rector Pinckers is zulk een man en wie hem ooit aan het werk zag voor zijn kerk, bewaart den aangenamen indruk van iemand, wiens opgewekte wilskracht bergen kan verzetten.
      Dr. Cuypers, redder en schepper van zooveel schoonheid, heeft de kerk hersteld en hij deed het met de geestdrift, die hem tot in zijn hoogen ouderdom kenmerkte, en met al zijn kunde van genialen bouwmeester. Zóó is de herstelling van Asselt’s kerk dan ook een knap werk geworden, waarbij de meester er in geslaagd is, kerk en omgeving te houden in teere sfeer van groen en grijs, die uit de verte al aandoet als een sprookje.
      Het bevat goed geslaagd werk van den Roermondschen beeldhouwer Lücker, een merkwaardige doopvont uit de twaalfde eeuw, twee flonkerende kerkramen van Joep Nicolaas, een kleine Calvariegroep uit de zestiende of het begin der zestiende eeuw, een zeer merkwaardig werk, uit hout gesneden, en — last not least — een schilderij, den gekruisten Christus voorstellend, waarschijnlijk van Titiaan. De kinderkapel toont op haar muurvlak een voorstelling van mej. Willebeck Lemair: „Laat de kleinen tot Mij komen”, een ontroerend werk van een niet-katholieke kunstenaars, terwijl de crypte een opmerkelijke schildering van Joep Nicolaas bevat.
      De kinderkapel is niet het eenige, dat te Asselt spreekt van de kinderen. De kinderen zijn meester in de kerk van Asselt. Zóó wil het de rector en zóó is het ook goed. De heele versiering van het kerkje komt neer op het werk der kinderen. Bij de herstelling hebben zij de steenen aangedragen en toegereikt aan de werklieden. En nu de kerk klaar is, hebben zij de taak haar te onderhouden en te sieren. Wat is dat goed gezien en wat zou Jezus aangenamer kunnen zijn dan dc arbeid van reine handjes, die nog geen kwaad hebben gedaan!
      Het is waarlijk roerend in het priesterkoor het fijne naaldwerk te zien, dat de meisjes van Asselt en het St. Agnespatronaat te Roermond er aanbrachten. De decoratie der wanden leed van het vocht. Toen werden paneelen gemaakt, die op de wanden passen en op deze paneelen hebben de meisjes engelenfiguren en andere versieringen geschilderd met de naald en niet kleurige draden, ware gobelins, die in hun soort kunstwerken zijn. Het zijn ook de kinderen die de vloertapijten in het priesterkoor en die de kerkelijke gewaden vervaardigden, welke de priester aan het altaar gebruikt. Het zijn de kinderen, die de versiering van bloemen en planten aanbrengen en dc rozen verzorgen, welke langs de kerkmuren opgroeien en bloeien.
      Op processiedag is heel Asselt een tapijt van bloemen, blauwe en roode korenbloemen, een weelde van kleur, al zal dit feest voor de oogen weldra tot het verleden behooren, omdat de landbouwmethoden hoe langer hoe meer de veldbloemen doen verdwijnen. Men hoeft er echter niet aan te twijfelen, of de kinderen zullen er dan wel iets anders op vinden. Men bezie echter de beide afbeeldingen der processie en oordeele over de kunst van Asselt. Groot en klein, zoo goed gravin Wolff-Metternich als de kleine boerinnetjes zijn in de weer om mooie figuren te leggen van bloemen en zand, voorstellingen van de Maagd van Asselt met haar leliewapen, voorstellingen van kruisen, lange tapijten van bloemen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit en wie er een wil zien, ga naar de processie te Asselt kijken.
      Asselt bezit sedert eenigen tijd behalve zijn kerk nog een andere bezienswaardigheid: zijn Museum, een kleine boerenwoning, twee vertrekken groot: „Het Bakhuis“. Want men gaat hier van den dag van heden tot in de vóórhistorische tijden. Er is immers een kleine maar fijne verzameling van speer- en pijlspitsen, steenen mesjes en beiteltjes, waaronder zeer mooie exemplaren. Eveneens uit het bronzen tijdperk eenige mooie beitels. Er zijn urnen uit het Gallo-Romeinsche tijdperk en ook uit den Karolingischen tijd vindt men er enkele voorwerpen. De Maas dient mee om het museum met merkwaardigheden te voorzien. Zij bracht haar aandeel aan in den vorm van mammouthstanden en dergelijke. Uit nader bij ons gelegen tijden krijgen we een overzicht op alle mogelijk gebied van gcbruiksvoorwerpen.
      Daar staat het omvangrijke weefgetouw, dat vroeger in zooveel huisgezinnen zijn plaats had. Het is een machine van respectabele afmetingen, maar er ontbreekt dan ook niets aan. Spoelen, haspels, getouw met opgezette draden, alles is present, alsof de wever maar hoefde binnen te komen en aan den arbeid te gaan. Het getouw vult met zijn accessoires de helft van het hoofdvertrek en zou voor elk, ook grooter museum, een sieraad zijn.
      Ge staat hier in letterlijken zin omgeven van voorwerpen, want zelfs boven uw hoofd hangt ’t vol. Langs de balken ziet ge ze hangen: koperen koffie-

De Tijd vol 084 no 24749 Het kerkje te Asselt.jpg

Het kerkje te Asselt.

kannen bij tientallen, in elken vorm en van elk model, groot en klein, dikgebuikt met gezellige rondingen, die u doen droomen van geurige zwarte koffie, zóó onder ’t werk op het veld gebracht en in het rustuurtje duchtig aangesproken door den maaier, die den mond nog vol heeft van de dikke boterham. Of aan de vroolijke koffiepartij met vla, vla en nog vla,


[...]


[5]


als de kermis in ’t land is en de tonen der harmonie schallen over de Maasvelden. Wie een studie wil schrijven over de negentiende-eeuwsche koffiekan, hij kome hier! Hij vindt er al zijn studiemateriaal bijeen!
      Daar ziet ge ook de tinnen borden, de glazen, lepels, vorken, de groote waterketels, die er staan in den haard of hangen aan hun ketting. De vijzels en alle ander keukengerei, boterpotten, weegschalen met hun gewichten en ook de kleine geldweegschaaltjes, zooals die gebruikelijk waren en zelfs onmisbaar tot aan de Fransche Revolutie en nog iets later, omdat men de kluts kwijtraakte met al die verschilldende geldsoorten, waarmee men te doen had: dubloemen, patakons en daalders, ecu’s en louis d’or’s enz. Bezie dit rek met geweren en pistolen van alle soort, van vuursteengeweer en vóórlader tot jachtgeweer en revolvergeweer toe. Zware ruiterpistolen en zelfs een oud revolverpistool met zes loopen. Er zijn mooi bewerkte exemplaren tusschen.
      Er is een aardige reproductie van het kerkje vóór de herstelling. Er zijn voorwerpen van religieuze kunst, groote kandelaars, kruisen en kruisjes, terwijl aan den wand een zestiende-eeuwsch borstbeeld van God den Vader zegenend de hand uitstrekt, omgeven van krullend houtsnijwerk.
      Van kandelaars gesproken: bekijk deze collectie eens van nabij en zie wat een verscheidenheid er is in dit artikel, zelfs als men blijft bij de heel gewone, die onder ieders bereik vielen. Alle stijlen en onstijlen vindt ge hier vertegenwoordigd. En dan deze verzameling porseleinen heiligenbeeldjes. O zeker, ’t zijn niet alle meestrstukken, maar dat is toch ook niet de bedoeling van dit museum.