De Tijd/Nummer 15860/Huis ter Haar

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Huis ter Haar
Auteur(s) Anoniem
Datum Dinsdag 10 oktober 1899
Titel Huis ter Haar
Krant De Tijd
Jg, nr ?, 15860
Editie, pg [Dag], [2]
De Tijd no 15860 Huis ter Haar.jpg
Opmerkingen Étienne van Zuylen van Nyevelt van de Haar vermeld als baron Van Zuylen
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

HUIS TER HAAR.

      Onder de merkwaardigheden, die de pachter dezer hofstede vóór het jaar ’92 toonde aan hen die in de ruïne ook nog artistieke onderdeelen van beeldhouwwerk enz. zochten, behoorden de groote hardsteenen grafzerken dicht in de nabijheid van stal en schuur. Aangezien het vee der hoeve hier nog ronddoolde, en bij de ondernomen herstellingswerken het gevaar voor beschadigen door onachtzaamheid en nieuwsgierigheid van vreemdelingen toenam, werden deze grafzerken bij den aanvang der bouwwerken onmiddellijk met een geheele beschutting overdekt. Zoo lang de overgebleven muren der kerk niet opgetrokken waren en met den gansche behouden toren weer tot een geheel waren opgebouwd, werd aan de grafzerken niet geraakt, en mocht ook het terrein noch neven, noch daaronder worden onderzocht.
      In de vorige maand eindelijk was de kerk zoo ver voltooid en afgesloten, dat baron Van Zuylen met de architecten tot een volledig onderzoek kon overgaan. Van de drie groote zerken behoefde slechts een gedeeltelijk verplaatst te worden, om den toegang te vinden tot een zeer ruimen grafkelder, waarvan het bestaan niet meer bekend was. Sedert de tijden der Hervorming onderging deze slotkapel veel lotswisselingen, de familie Van Zuylen bewoonde het huis Ter Haar niet meer, – sedert 150 jaren was het slot zelfs geheel onbewoond. Dus werd ook in eeuwen hier niet meer begraven.
      De grootste en belangrijkste zerk werd vervaardigd op last van èn voor Dirk Van Zuylen, vertooneude als kwartieren Zuylen, Drakenborgh, Assendelft, Rennes, Nyevelt, Haer, Kyotwück en Cuinre. De data van ’t overijden werden niet ingevuld. Het ornament is renaissance van karakter.
      In den zeven meter langen en twee meter breeden kelder, met een enkel tongewelf overspannen, zijn nog aanwezig achttien schedels en een menigte doodsbeenderen. De kisten zijn geheel vergaan, zoodat de gebeenten op den vloer rusten; van de metalen handvatten en spijkers zijn nog veel overblijfselen.
      Thans worden deze gebeenten van dit voorgeslacht, die niet meer te onderkennen zijn, gezamenlijk in een eikenhouten kist behoorlijk gesloten, welke met lood inwendig wordt bekleed, dat voor de toekomst een deugdelijk omhulsel kan vormen. In het metaal vermeldt een opschrift de toedracht van deze vernieuwde kisting en de namen der personen, onder wier leiding zij werd bewerkstelligd.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem (11 oktober 1899) ‘Huis Ter Haar’, Algemeen Handelsblad, Avondblad, p. 6.
  • Anoniem (14 oktober 1899) ‘Huis Ter Haar’, Nieuwe Amersfoortsche Courant, [p. 3].