De Tijd/Nummer 17393/Michaël Willemsen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Michaël Willemsen
Auteur(s) Anoniem en H. Hanssen
Datum Woensdag 9 november 1904
Titel Michaël Willemsen
Krant De Tijd
Editie, pg [Dag], Tweede blad, [5]
Brontaal Nederlands
Bron kranten.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

BINNENLAND.

Amsterdam, 9 November.

MICHAËL WILLEMSEN.

      In „Limburg” herdenkt de weleerw. heer H. Hanssen, den edelen limburgschen priester, wiens naam boven dit opstel prijkt, in een keurig schetsje, dat ter wille van de liefhebbers van kunst en historie, ruimer verbreiding verdient. Wij laten het hier in zijn geheel volgen:
      Toen voor ruim een halve eeuw het veld onzer limburgsche geschiedenis nog vrij onbebouwd lag, en in 1865 de Publications de eerste bijdrage ontvingen van de hand van kapelaan Willemsen, vermoedden slechts weinigen dat hij weldra staan zou in de eerste rij onzer geschiedvorschers, die door onvermoeibare werkkracht en speurend wroeten in worm-doorstoken codices en onder-stof-bedolven oorkonden, uit alle mogelijke hoeken opgedolven, menig kostbaar gedenkstuk van vervlogen tijden voor zekeren ondergang heeft gevrijwaard of aan de vergetelheid ontrukt.
      Zijn er, die voor hem of naast hem staan in kennis van wat er al omging in ’t verleden op kerkelijk en politiek terrein in onze provincie; zijn er, wier pennevruchten ons meer bewijzen van hun weten hebben nagelaten geen enkel mag gezegd worden met meer overtuiging te hebben afgewerkt de taak, waarvoor hij zich gezet, met meer geestdrift en gloed vooral te hebben geijverd voor de waarlijk groote mannen, wier verdienste hij wilde erkend zien en gehuldigd, wier herinnering hij wilde wakker roepen voor ’t nageslacht.
      Terwijl hij met taai geduld de charters en documenten van S. Servaas doorworstelde, en de geschiedenis van het oude Tricht hem klaar te aanschouwen gaf een beeld, van hooge glans omgeven, dan thans de sterre van Maastricht omstraalde, toen was al dra zijn eerste doel hem aangewezen: naast de grijze kathedraal van Monulphus en Gondulphus zou de schatkamer door een treffelijke restauratie weer een waardige bewaarplaats worden voor de zoo zeldzame als talrijke relikwieën; — die relikwieën en de in kunst-historische beteekenis zoo kostbare schrijnen zouden nauwkeurig worden beschreven; — de zevenjaarlijksche vertooningen, die in de middeleeuwen uit heel Europa duizenden vrome pelgrims deden toestroomen moesten hersteld; en kon hij ondanks al zijn moeiie zoo gauw niet slagen, moest hij in den beginne zich tevreden stellen, iederen Zon- of feestdag een of ander dier heiligdommen van den preekstoel af te toonen, en hun waarde en beteekenis aan de Maastrichtenaren te verklaren, geheel zijn plan heeft hij verwezenlijkt gezien, en met en door dat alles heeft kapelaan Willemsen — waarvoor hem dank en eere! — S. Servatius teruggegeven aan Maastricht!
      Die taak was vervuld, doch andere Heiligen wachtten reeds lang op zijn kennen en durven de oude basiliek op den Petrusberg, halfvergaan en met wansmaak ten deele herbouwd, riep eeuwen reeds om een bouwmeester, die haar uit de puinen zou doen herrijzen als waardige overwelving der aloude grafstee van hen, die in ’t heidensch Gelderland het eerst het licht des Geloofs hadden ontstoken.
      Pastoor Willemsen heeft die basiliek doen herrijzen in heerlijker lijnen en vormen wellicht dan vroeger eeuwen haar hadden gekend, haar gesmukt naar zijn kunstzin en smaak. Daar rijst zij thans statig op den heiligen berg, het Roerdal beheerschend, een kunstjuweel, dat in onze gouwen zijn weerga zelden slechts vindt, een offer van dank aan de Heiligen, dat aldoor nog geëischt wordt in de liturgische gebeden, aan de bewoners der Roerboorden.
      Duizenden bestijgen jaarlijks dien berg om de Heiligen te vereeren, om dat kunstgewrocht te bewonderen, maar weinigen slechts zullen berekenen, dat het wis niet rijke kerspel den geldelijken last niet alleen vermocht te dragen; dat dorp en buurt door heel het land den limburgschen pastoor heelt rond zien trekken onvermoeid, om steen bij steentje te vergaren; dat volle twintig jaren van finantieele zorgen des stoeren werkers slapen hadden vergrijsd.
      En te midden van die tijdelijke zorgen, te midden van zijn herderlijken arbeid, waardoor S. Odiliënberg in wijden kring bekend staat als model-parochie, wist hij tijd te vinden om zich te geven aan velerlei studie, en was het voornamelijk aan hem te danken, dat het Proprium diocesanum van Roermond tot stand kwam.
      Lindanus ten slotte, zijn ideaal! Liudanus, de eerste en de meest roemvolle prins van Roermond’s Kerk; Lindanus, de hoogepriester, ook in den tempel der wetenschap; Lindanus door zijn tijdgenooten als een „„columna Ecclesiae” gevierd; Lindanus, de ridder zonder vrees voor orthodoxe leer en kerkelijke tucht; Lindanus, die in diepdroeve tijden de ketterij uit zijn bisdom weerde, hem wilde pastoor Willemsen ons schetsen als een geleerde vol wijsheid, als een waakzamen herder, als een strijder onvcrbiddelijk, als een heilige in Gods Kerke. Een devotie als het ware verteerde hem voor zijn Lindanus; de voornaamste bibliotheken had hij doorsnuffeld en alles verzameld; tot het nietigste fragment was hem dierbaar, waar het slechts sprak van zijn held. Zijne ziel juichte, wanneer hij den altoos welkomen bezoeker de bijna compleete reeks van Lindanus’ werken toonde, in vijftig lange jaren hier en ginder door zijn speurzin opgedaan, een eenige collectie, die, goddank, voor ons bisdom is behouden.
      Hoe verlangde hij dien lofzang op Lindanus af te werken! Hoe gunde hij zich nimmer rust, om dat werk ten einde te voeren, dat hij zelf zeker niet als het minste beschouwde. Helaas! het mocht niet zijn: een lichte aanval van beroerte had voor eenige jaren reeds zijn krachten geschokt, aankondigend het langzame maar noodlottige sloopingswerk, dat de hartkwaal zou verrichten in de korte dagen, die hem nog restten.

      Als historicus mag pastoor Willemsen, waar de historische wetenschap staat in het teeken der hyper-kritiek, wegens een minder omzichtig geloofhechten aan historische bewijsgronden niet door allen als betrouwbaar erkend, eenige nurksen hebben gevonden, die gaarne afdingen op de wetenschappelijke waarde van een of ander zijner werken, — allen die hem kenden, en zij zijn velen, ook verre over de grenzen van ons land, allen schatten hem hoog om zijn edel karakter en zijn goed hart. Gastvrij was zijne woonplaats voor den geleerde, die om inlichting bij hem aanklopte, niet minder voor den ongeletterde, die enkel zijne kostbare boekerij kwam bewonderen.
      Geestig causeur, wien een verbazende belezenheid en een onfeilbaar geheugen altijd ter hulpe stonden, was hij in gezelschap de altoos welkome gast; doch, wist hij te boeien door pittige causeries, kon hij zijn verhalen kruiden met oolijke vertellingen, geweldig ook waren niet zelden de striemen van zijn verontwaardiging, waar men het waagde, in ernst of uit kortswijl zijn helden af te breken, of te verdedigen het voorwerp van zijn afkeer.
      Innig geloof, warme godsvrucht, onverdroten zielenijver kenmerkten den eenvoudigen pastoor, die, nooit zich zelven zoekend, enkel werkte voor de eer van God en zijner Heiligen, voor het heil der kudde, die hem nimmer zal vergeten.
      In zijne oprechte nederigheid ware eene onderscheiding hem een smart geweest, en toen Z. D. H. Mgr. Boermans zijne handteekening plaatste — de laatste wellicht — onder het schriftstuk, waarbij pastoor Willemsen werd opgenomen in het hoogwaardig collegie der Domheeren van Roermond, — een onderscheiding zoo lang verdiend, zoo lang hem toegewenscht — dan was hij en bleef hij de eenvoudige nederige dorpspastoor.
      Zoo hebben wij hem gekend.
      Zoo hebben wi] hem hooggeacht in dankbare vereering.
      Zoo is hij ingegaan in den vrede des Heeren, voor wiens eer hij heeft gewoekerd met al zijne gaven, tot zijn laatste stonde.
      Rimburg,

H. HANSSEN.