De Volksvriend/Jaargang 21/Nummer 18/Heksen

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Heksen
Auteur(s) Anoniem
Datum Zaterdag 3 mei 1879
Titel Feuilleton. Heksen. III
Tijdschrift De Volksvriend
Jg, nr, pg 21, 18, [1-2]
De Volksvriend vol 021 no 018 Feuilleton columns 1-5.jpg
Opmerkingen Christoffel Brantz vermeld als Christoffer Braetz, Maarten Luther als Luther
Brontaal Nederlands
Bron roermond.x-cago.com
Auteursrecht Publiek domein

[1]


[...]


FEUILLETON.

HEKSEN.

III.

      Treurig is ’t te moeten zeggen dat het signaal tot de aanklagt- en executiewoede tegen de heksen gegeven is door de beruchte bul van Innocentius VIII. Kwamen voór dien tijd wel eens nu en dan hekserijen voor, nu en dan zelfs executien in ’t groot, vooral in Frankrijk gedurende de eerste helft der 14e eeuw, in Duitschland was deze vervolging, die heel dikwijls met kettervervolgingen zamenging, lang nog zoo inpopulair, dat de ketterregisters genoodzaakt waren zich tot den Paus te wenden, die den 5 December 1584 door de beruchte bul Summis desiderantes de geheele leer van de ketterij der tooverij en aan het optreden der Inquisitie de pauselijke goedkeuring verleende.
      De voornaamste plaats uit deze bul, waaruit ook de booze daden, die men den toovenaars en heksen ten laste legde, blijken, luidt als volgt: »Niet zonder droegheid is kort geleden ter onzer kennis gekomen, hoe in eenige deelen van opper-Duitschland, alsmede in de Aartsbisdommen, steden, landen, plaatsen en diocesen van Mainz, Trier, Keulen, Salzburg, zeer vele personen van beiderlei kunne, hunne zaligheid vergetende en het katholiek geloof verzakende, met duivels, die Incubi en Succubi met hen gemeenschap hebben, misbruiken drijven en met hunne tooverijen, liederen en bezweringen en andere afschuwelijke bijgeloovige handelingen, ondeugden en misdaden, de bevallingen der vrouwen, de jongen der dieren, de veldvruchten, de boomgaarden en de wijnbergen, even als de mannen, vrouwen, dieren en het vee van allerlei soort, verder de weiden, het koren en andere voortbrengselen van den grond bederven, verstikken en vernielen en zelfs de menschen, mannen en vrouwen en alle vee met gruwelijke, zoowel inwendige en uitwendige smarten en plagen overvallen en pijnigen, de vruchtbaarheid der huwelijken onmogelijk maken; buitendien, dat zij zelfs het geloof, dat zij bij het ontvangen van den H. Doop hebben aangenomen, onder eedbreuk verloochenen en zich niet ontzien andere ligtvaardigheden, zonden en ondeugden op het aandrijven van den vijand des menschen te begaan en te volbrengen, tot gevaar voor hunne zielen, tot beleediging der goddelijke majesteit en tot veler ergernis en schadelijk exempel.”
      Verder werd nog in de bul aan de beide kettermeesters en professoren in de Theologie, Heinrich Institor en Jacob Sprenger, die als derde aan Johann Gremper was toegevoegd, opgedragen: »tegen alle personen, van welken rang en stand zijn ook mogten zijn, het ambt der Inquisitie te voltrekken en hen, die aan bovengemelde punten schuldig werden bevonden, gevangen te nemen en aan lijf en vermogen te straffen.”
      Sprenger en cons. stelden toen dadelijk een dik boek zamen, den »Malleus maleficarum” (Heksenhamer), dat bestemd was om het heele heksenwezen stuk te slaan en in 1489 verscheen, voorzien van de goedkeuring der theologische faculteit te Keulen.
      Het eerste deel handelt over de drie deelen, die tot de tooverij noodig zijn: de duivel, de toovenaar of toovenaarster en de goddelijke toelating; –
      het tweede deel handelt over de wijze, waarop men zich voor de magt der tooverij vrijwaren kan en de gevolgen kunnen worden opgeheven; –
      het derde deel betreft de regtsspraak en bevat voorschriften betrekkelijk de wijze van doen voor de geestelijke en wereldlijke regters bij het heksenproces. Hierbij werd ook de kwestie der bevoegdheid opgelost in dezen zin, dat de misdaad der hekserij onder den geestelijke en den wereldlijken regter behoorde; mogt er echter ook ketterij onderloopen, dan waren de heksen alleen onderworpen aan de regtbank der Inquisitie. Tooverij werd beschouwd als een buitengewone misdaad en hieruit leidde men af dat de regter bij het onderzoek zich niet aan den gewonen gang van de procedure in criminele zaken had te houden, maar buitengewone middelen mogt aanwenden om achter de waarheid te komen. Het stelsel dat in den »Heksenhamer” gehuldigd werd, riep ook het schandelijke wezen der aanbrenging in het leven. Immers zou men de aanbrengers, om hen aan te moedigen, te verstaan geven, dat zij zich om niets bekommeren hadden, ook niet, als zij voor hunne aanklagt niet het minste bewijs konden bijbrengen.
      Toch wilde het met de heksenvervolging nog niet regt vlotten, want zoowel geestelijke als wereldlijke vorsten bleven zich op verschillenke plaatsen tegen het voltrekken der vonnissen verzetten. Zelfs werden er geestelijken nog gevonden, die van den kansel het bestaan der heksen of ten minste hun magt om de schepselen schade te doen, ontkenden.
      De gouden tijd voor de Inquisiteurs en de met hen verbonden regtsgeleerden brak evenwel spoedig aan. Spoedig begrepen de geestelijke en wereldlijke vorsten, de kleinere heeren en stedelijke besturen, dat de heksenprocessen een niet te versmaden bron van inkomsten konden zijn. Het vermogen der teregtgestelden werd verbeurd verklaard en in den regel zoo verdeeld, dat 2/3 daarvan aan den landsheer, het laatste derde aan de regters, schepenen, geestelijken, spionnen, aanbrengers en scherpregters kwam, ieder naar zijn ambtelijken rang!
      Een eigenaardigen indruk maakt het personen, die er niets uit mankt een 40tal lieden te laten opknoopen, zich zeer nauwgezet toonden in zaken van veel minder belang. Zoo wendde zich in 1613 der scholtis der stad Ruremonde, Christoffer Braetz, »in aller reverentie” tot het Hof van Gelderland, toen hij ongeveer bij de veertig personen »ter cause van Tooverije” deels had doen executeren, deels nog gevangen hield, en wier meubelen, soms van kleine waarde, hij had laten inventariseren en gaarne bij opbod wilde doen verkoopen, met verzoek om voorlichting in de gevallen dat de geëxecuteerde mannen of vrouwen, kinderen hadden nagelaten, omdat hij niet wist wat goederen hij als confiscabel zou mogen aanslaan.
      Aan het slot van zijn brief »verseuckt hij nochmaels onderdenich dat ’t hoff wil gelieven hem suppleant te leeren, wie hij sich in alle dese voirsz. puncten sal halden, opdat hij nyemandt te kort doe, ende der prince en de hy supplt oick hij hun recht mainteneert werden.”
      Het is niet te veel gezegd dat de helft der heksenmoorden op rekening der hebzucht gesteld moeten worden. De andere helft komt voor rekeningen van de dweepzucht en de geloovige onnoozelheid, want tegen het einde van de 15e eeuw was de geheele wereldbeschouwing, den geheelen geest zoo verduiveld, dat men den baarlijken duivel overal in terugvond. Men weet dat Luther zelfs hem met den inktpot om de ooren gegooid heeft. Toch zouden de heksengruwelen niet zoo’n uitbreiding gekregen hebben, als de toenmalige politieke gesteldheid van Duitschland, de honderde regtstreeks onder den keizer staande en dus onafhankelijke miscroscopische staatjes en steden, de gewelddadigheden niet in de hand hadden gewerkt.
      De grootste, zoowel als de kleinste, de ernstigste aangelegenheid zoowel als de belagchelijkste kleinigheid kon iemand verdacht van hekserij maken: buitengewone schoonheid even goed als buitengewone lelijkheid; ongewone simpelheid, even goed als uitstekend verstand; armoede zoowel als rijkdom; gezondheid en ziekte; een onbezonnen woord; een onwillekeurig gebaar; deugd en ondeugd; schoone vorm en ligchaamsgebrek, goede en slechte naam – alles kon een vermoeden, een aanwijzing van hekserij worden! Brak hier of daar een aanstekelijke ziekte uit, dan hadden de heksen ze veroorzaakt; woedde een veeziekte, de heksen hadden ze uit doen breken; mislukte het koren en het voeder, kwamen er verwoestende hagelbuijen, overstrooming of brand, gaf eene koe slechte melk, stierf er een varken, verborg een kip de eijeren, bleef een huwelijk onvruchtbaar of was het te vruchtbaar, was de jonggeborene misvormd, werd er iets vermist – hekserij, louter hekserij! Werd een vrouw bij beenderen, bij een pad of hagedis aangetroffen of met afval of ongewone kruiden in de hand – dan was zij stellig een heks. Leidde een meisje een slechten levenswandel, dan was zij een heks; leidde zij een voorbeeldigen levenswandel, dan was ze ook een heks. Ging een vrouw zelden naar de kerk, dan was zij een heks; ging ze heel dikwijls en was zij buitengewoon aandachtig – dan verwerkte dit ook argwaan; moest zij als getuige voorkomen en toonde zij zich angstig, of wel trad zij geheel onbeschroomd op – in beide gevallen was ’t niet pluis. Trachtte zij zich door de vlucht aan het getuigenis geven te onttrekken of werd zij achterhaald, dan wachtte haar stellig de pijnbank en later den brandstapel. Had een vrouw ontstoken oogen of zag zij scheel, dan moest zij zeker een heks zijn; betuigde


[2]


[...]


haar een kat of hond bijzondere genegenheid, dan was zij er ook een. Dochters, wier moeders van hekserij beschuldigd waren geworden, waren ongetwijfeld ook heksen. Iemand, die aan hekserij en aan de regtvaardigheid van het heksenproces twijfelde, moest wel een aartsketter, een echte heksenmeester zijn. Een al te in ’t oogvallende ijver in het aanbrengen wekte het vermoeden dat de aanbrenger zelf de verdenking wilde ontgaan door die op anderen te laten vallen.
      Bij zulk een leer van de aanwijzingen (indiciën) der tooverij, kon het den heksenregters niet aan bezigheid ontbreken.
      Was de van tooverije beschuldigde, ten gevolge van de eene of andere denunciatie, gevangen gevangen genomen, dan werd zij aan het kort summier verhoor onderworpen. Ontkende zij aan heksen te gelooven, dan was zij om haar kettersche gevoelens den dood schuldig; geloofde zij er wel aan, dan was dit een indicium, dat zij meer van de zaak wist. In elk geval werd zij in de gevangenis geworpen. En wat de gevangenissen van dien tijd waren, vuile, donkere, koude, natte holen, vol padden, ratten en de ijzere boeijen niet te vergeten – zij waren wel geschikt om de gevangenen »murw” te maken. Deed de aangeklaagde ten gevolge van voorgespiegelde vrijspraak, »vrijwillig bekentenis”, dan was de brandstapel het onvermijdelijke gevolg.

(Wordt vervolgd).